Uitspraak
1.De zaak in het kort
2.Het verdere verloop van de procedure
3.De verdere beoordeling
[bedrag ingevuld]moet vóór
[vervaldatum ingevuld]worden betaald”.
Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
De overheid van Curaçao gaf een perceel grond in erfpacht, dat werd belast met een hypotheek. Door betalingsachterstanden in canon en hypotheeklasten kondigde de hypotheekhouder een executoriale verkoop aan. Kort voor deze verkoop verklaarde het Land de erfpacht op te zeggen. Het geschil betrof de rechtsgeldigheid van deze opzegging en de vraag of het Land een vergoeding aan de hypotheekhouder verschuldigd was.
Het Hof oordeelde dat de opzegging rechtsgeldig was, omdat de erfpachter in verzuim was met betalingen conform de akte van vestiging en de toepasselijke wetgeving. Het perceel was ten tijde van de opzegging bebouwd, wat gevolgen had voor de vergoedingsplicht van het Land. Het Hof stelde vast dat het Land verplicht was een openbare verkoop te houden en de opbrengst aan de hypotheekhouder uit te keren, wat niet was gebeurd.
Het Hof veroordeelde het Land tot betaling van USD 393.339,77 aan FCIB, vermeerderd met wettelijke rente vanaf 21 september 2018. Tevens oordeelde het Hof dat het Land zijn bevoegdheid tot opzegging had misbruikt door de verkoop te willen voorkomen, maar dat dit de vergoedingsplicht niet wegneemt. De overige vorderingen werden afgewezen en het vonnis van lagere instantie vernietigd.
Uitkomst: Het Hof veroordeelt het Land tot betaling van USD 393.339,77 aan FCIB wegens niet-naleving van verkoopverplichtingen na rechtsgeldige opzegging van de erfpacht.