In deze zaak staat de onderlinge verdeling van grondpercelen op Saba tussen zes erfgenamen centraal, voortkomend uit de nalatenschap van hun overleden ouders en grootouders. De appellanten vorderen dat het Hof verklaart dat zij door verkrijgende verjaring eigenaar zijn geworden van specifieke delen van een perceel grond, en dat het vonnis in de plaats treedt van toestemming voor inschrijving in de openbare registers.
Het Gerecht in eerste aanleg wees deze vorderingen af wegens onvoldoende bewijs van concrete bezitsdaden. In hoger beroep heeft het Hof vastgesteld dat er aanwijzingen zijn voor een onderlinge verdeling waarbij alle zes kinderen akkoord gingen, zoals blijkt uit claimdocumenten en eerdere vonnissen die eigendom van andere percelen bevestigen.
Het Hof wijst op onduidelijkheden over de exacte percelen en erfgenamen en beveelt partijen aan om nadere stukken in te dienen en in overleg te treden. De zaak wordt aangehouden voor nadere behandeling, met de mogelijkheid van een comparitie als overleg niet slaagt.