ECLI:NL:OGHACMB:2023:302
Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
- Hoger beroep
- E.A. Saleh
- E.M. van der Bunt
- S. Verheijen
- Rechtspraak.nl
Vordering werknemer tot doorbetaling buitenlandtoelage na beëindiging plaatsing
De werknemer trad op 2 maart 2021 in dienst bij de Nederlandse Vertegenwoordiging in Sint Maarten met een arbeidsovereenkomst tot 28 februari 2025. Vanwege persoonlijke omstandigheden wenste hij terug te keren naar Nederland, hetgeen leidde tot gesprekken over beëindiging van de plaatsing en arbeidsovereenkomst. De werkgever stelde een beëindiging per 1 februari 2022 voor, wat de werknemer te snel vond. Uiteindelijk keerde het gezin van de werknemer op 17 juni 2022 terug naar Nederland en vertrok de werknemer zelf op 1 juli 2022.
De werkgever beëindigde de plaatsing per 10 mei 2022 en stopte de buitenlandtoelage, waarop de werknemer een loonvordering instelde. Het Gerecht wees de vordering af, stellende dat de toelage per 17 juni 2022 eindigde en dat de beëindiging redelijk was.
In hoger beroep wijzigde de werknemer zijn eis en verzocht onder meer om doorbetaling van loon en toelagen vanaf 10 mei 2022. Het Hof bevestigde dat de arbeidsovereenkomst per 1 september 2022 was ontbonden en dat de werknemer loon tot die datum ontving. De kernvraag betrof de rechtmatigheid van de eenzijdige beëindiging van de plaatsing en de toekenning van de buitenlandtoelage.
Het Hof oordeelde dat de plaatsing en daarmee de toelage eindigen bij het einde van de arbeidsovereenkomst of het vertrek uit het buitenland. De werkgever mocht de plaatsing niet eerder eenzijdig beëindigen. De werknemer had daarom recht op de buitenlandtoelage tot 1 juli 2022, de dag van vertrek. De vorderingen tot betaling van kosten en proceskosten werden afgewezen, en de werknemer werd veroordeeld in de proceskosten.
Uitkomst: De werkgever wordt veroordeeld tot betaling van de buitenlandtoelage van 10 mei 2022 tot 1 juli 2022; overige vorderingen worden afgewezen.