ECLI:NL:OGHACMB:2023:318

Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba

Datum uitspraak
27 februari 2023
Publicatiedatum
31 juli 2024
Zaaknummer
HAR-97/21
Instantie
Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:19 Wetboek van Strafrecht ArubaArt. 1:20 Wetboek van Strafrecht ArubaArt. 17 LIUDArt. 18 LIUDArt. 169 LIUD
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep tegen veroordeling voor vertrek zonder uitklaring van motorschip

De verdachte werd in eerste aanleg veroordeeld wegens het laten vertrekken van een motorschip zonder tijdige uitklaring, wat in strijd is met de Landsverordening in-, uit- en doorvoer (LIUD). Hij stelde hoger beroep in tegen deze veroordeling en de opgelegde straf. Tijdens de terechtzitting op 6 februari 2023 heeft het Hof het verweer van de verdachte en zijn raadsman gehoord, die primair vrijspraak en subsidiair ontslag van rechtsvervolging wegens afwezigheid van alle schuld bepleitten.

Het Hof heeft het verweer verworpen omdat de verdachte niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij zich bij bevoegde instanties had geïnformeerd over zijn verplichtingen als kapitein. De bewijsoverwegingen werden aangevuld met een nadere uitleg van de LIUD, waarin is bepaald dat uitklaring moet plaatsvinden vóór vertrek van het vasteland van Aruba. Het Hof concludeerde dat de verdachte strafbaar is en bevestigde de veroordeling, maar wijzigde de strafmaat.

Gelet op het tijdsverloop en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, waaronder werkloosheid en schulden, achtte het Hof het passend om de geldboete geheel voorwaardelijk op te leggen met een proeftijd van één jaar. Het vonnis van het Gerecht werd vernietigd voor wat betreft de kwalificatie en strafoplegging, en in die onderdelen opnieuw recht gedaan. Het vonnis werd uitgesproken op 27 februari 2023 door het Gemeenschappelijk Hof in Aruba.

Uitkomst: De verdachte is veroordeeld tot een geheel voorwaardelijke geldboete van Afl. 800,00 met een proeftijd van één jaar wegens vertrek zonder uitklaring van het motorschip.

Uitspraak

Zaaknummer: HAR-97/21

Parketnummer: P-2020/05597
Uitspraak: 27 februari 2023 Tegenspraak
Vonnisgewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van het Gerecht in eerste aanleg van Aruba (hierna: het Gerecht) van 7 juni 2021 in de strafzaak tegen de verdachte:

[VERDACHTE],

geboren op [geboortedatum] 1987 in [geboorteplaats],
wonende op het adres [adres].
Hoger beroep
Het Gerecht heeft de verdachte bij vonnis veroordeeld voor het ten laste gelegde tot een geldboete van Afl. 800,00, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door zestien dagen hechtenis.
De verdachte heeft hoger beroep ingesteld.
Onderzoek van de zaak
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting
van 6 februari 2023.
Het Hof heeft kennisgenomen van de vordering van de procureur-generaal
mr. B.S. van Unnik en van hetgeen door de verdachte en zijn raadsman
mr. R. Marchena, advocaat in Aruba, naar voren is gebracht.
De procureur-generaal heeft gevorderd dat het Hof het vonnis waarvan beroep zal bevestigen.
De raadsman heeft primair vrijspraak bepleit, subsidiair ontslag van alle rechtsvervolging in verband met afwezigheid van alle schuld en meer subsidiair heeft hij een strafmaatverweer gevoerd.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:
hij op of omstreeks 16 juni 2020 het motorschip ‘[naam motorschip] ’ heeft laten vertrekken van Aruba zonder de Inspecteur (tijdig) te verzoeken om het schip uit te klaren en/of na zo nodig gevisiteerd te zijn, terwijl het motorschip niet valt onder een van de in artikel 17 en Pro 18 genoemde van inklaring vrijgestelde vaartuigen.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het Hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.
Vonnis waarvan beroep
Het Hof zal het vonnis waarvan beroep bevestigen, behoudens te aanzien van de kwalificatie en de opgelegde straf en onder:
  • aanvulling van de bewijsmiddelen
  • aanpassing van de bewijsoverweging
  • aanvulling met een overweging omtrent het ter terechtzitting gevoerd verweer betreffende de strafbaarheid van de verdachte
  • vervanging van een deel van de strafmaatoverweging
  • aanvulling van de toepasselijke wettelijke voorschriften.
Bewijsmiddelen
De verklaring van de verdachte, afgelegd ter terechtzitting in hoger beroep van 6 februari 2023, voor zover inhoudend, zakelijk weergegeven:
Het motorschip [naam], waarvan ik de kapitein was, viel op 16 juni 2020 niet onder de uitzonderingen genoemd in de artikelen 17 en 18 van de LIUD.
Bewijsoverweging
Het Hof neemt niet over de in het vonnis in eerste aanleg op bladzijde 4 in de eerste, tweede en derde alinea opgenomen overwegingen.
Het Hof vult de bewijsoverweging van het Gerecht aan.
Het Hof leidt uit de bewoordingen van de LIUD af dat uitklaring van een schip moet gebeuren
vóórvertrek van het vasteland. Zo bepaalt artikel 169 LIUD Pro dat na een eventuele visitatie kan worden uitgeklaard, waarna de Inspecteur een vertrekpas afgeeft, die – vóór vertrek – door de gezagvoerder aan een ambtenaar van politie moet worden afgegeven, die het stuk (weer) bij de Inspecteur bezorgt. Artikel 172 LIUD Pro bepaalt dat loodsen geen schip “buiten” mogen brengen zonder zich de vertrekpas te hebben doen vertonen.
Gelet hierop moet onder: “(van Aruba) vertrekken” worden verstaan het vertrekken van het vasteland van Aruba.
Het Hof betrekt daarbij bovendien dat handhaving door de douane onmogelijk zou worden als pas bij verlaten van de territoriale zee zou moeten worden uitgeklaard.
Ter terechtzitting gevoerd verweer betreffende de strafbaarheid van de verdachte
De raadsman heeft bepleit dat aan de verdachte een beroep op afwezigheid van alle schuld toekomt, zodat de verdachte zal worden ontslagen van alle rechtsvolging. Hieraan is ten grondslag gelegd dat aan de kant van de verdachte sprake is van rechtsdwaling.
Vooropgesteld moet worden dat voor het slagen van een beroep op afwezigheid van alle schuld wegens dwaling ten aanzien van de wederrechtelijkheid van het bewezenverklaarde, vereist is dat aannemelijk is dat de verdachte heeft gehandeld in een verontschuldigbare onbewustheid ten aanzien van de ongeoorloofdheid van de hem verweten gedraging. Daarvan kan bijvoorbeeld sprake zijn indien de verdachte is afgegaan op het advies van een persoon of instantie aan wie of waaraan zodanig gezag valt toe te kennen dat de verdachte in redelijkheid op de deugdelijkheid van het advies mocht vertrouwen.
In het onderhavige geval is gesteld noch gebleken dat de verdachte zich bij de juiste instanties heeft vergewist van de op hem als kapitein rustende verplichtingen. Met een verwijzing naar de gangbare praktijk, welke overigens niet nader is onderbouwd, kan niet worden volstaan. Ook de stelling van de raadsman dat de regelgeving voor de douaneambtenaren zelf onduidelijk is, is op geen enkele wijze onderbouwd en is ook overigens niet aannemelijk geworden. Het verweer wordt verworpen.
Er zijn ook overigens geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluiten, zodat de verdachte strafbaar is.
Kwalificatie van het bewezen verklaarde
Het bewezen verklaarde levert op:

Als schipper vertrekken zonder zijn schip te hebben doen uitklaren.

Oplegging van straf
Het Hof neemt de overwegingen van het Gerecht met betrekking tot de oplegging van de straf over, met dien verstande dat het Hof de volgende passage op pagina 5 van het vonnis waarvan beroep, luidende:
“Het Gerecht is, na dit een en ander te hebben afgewogen, tot de slotsom gekomen dat na te melden geldboete passend en geboden is. De verdachte zal daartoe dan ook worden veroordeeld.”
vervangt door:
De ernst van het bewezen verklaarde rechtvaardigt in beginsel oplegging van de door de procureur-generaal gevorderde onvoorwaardelijke geldboete.
Het Hof houdt echter rekening met het tijdsverloop en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting in hoger beroep is gebleken, te weten dat de verdachte niet meer werkzaam is als kapitein en dat hij lange tijd werkeloos is geweest, waardoor grote schulden zijn ontstaan.
Gelet daarop acht het Hof oplegging van een geheel voorwaardelijke geldboete met een proeftijd van één jaar, passend en geboden. Tot een verdergaande matiging, zoals door de raadsman van de verdachte bepleit, bestaat geen aanleiding.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
Het Hof vult de toepasselijke wettelijke voorschriften aan met de artikelen 1:19 en 1:20 van het Wetboek van Strafrecht Aruba en artikel 252 van Pro de Landsverordening in-, uit-, en doorvoer.

BESLISSING

Het Hof:
Vernietigt het vonnis van het Gerecht ten aanzien van de kwalificatie en de opgelegde straf en doet in zoverre opnieuw recht;
Kwalificeert het bewezen verklaarde als hiervoor omschreven;
veroordeelt de verdachte tot een
geldboetevan
Afl. 800,00 (achthonderd florin), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door
16 (zestien) dagen hechtenis;
bepaalt dat de geldboete niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een
proeftijdvan
1 (één) jaaraan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt;
bevestigt het vonnis, met inachtneming van het hiervoor overwogene, voor al het overige.
Dit vonnis is gewezen door mr. S. Verheijen, mr. drs. S.M. van Lieshout en
mr. H. de Doelder, leden van het Hof, bijgestaan door mr. J. Mulder, griffier, en op 27 februari 2023 uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof in Aruba.
mr. De Doelder is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.