Uitspraak
1.[erfgenaam 1],
[erfgenaam 2],
1.[erfgenaam 3],
[erfgenaam 4],
Het verloop van de procedure
De beoordeling
Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
In deze zaak stonden erfgenamen tegenover elkaar in een kort gedingprocedure bij het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba. De appellanten waren erfgenamen die in hoger beroep kwamen tegen een eerder vonnis van het Gerecht in eerste aanleg van Curaçao. Zij voerden meerdere grieven aan tegen het vonnis en stelden dat de vorderingen van de wederpartij moesten worden afgewezen.
De geïntimeerden in hoger beroep stelden zich op het standpunt dat het bestreden vonnis bevestigd moest worden, behoudens de matiging van dwangsommen. Tijdens de procedure werd ook incidenteel hoger beroep ingesteld. De zaak werd mondeling bepleit op 14 februari 2022, gelijktijdig met het pleidooi in de bodemzaak.
Het Hof heeft geoordeeld dat er geen spoedeisend belang is dat het kort geding rechtvaardigt en heeft daarom iedere beslissing in het kort geding aangehouden. De zaak is administratief doorgehaald op de rol, met de mogelijkheid voor partijen om het kort geding weer op de rol te laten plaatsen indien het verdere verloop van de bodemzaak daartoe aanleiding geeft.
Uitkomst: Het Hof houdt het kort geding aan en haalt de zaak door op de rol in afwachting van het verdere verloop van de bodemzaak.