Uitspraak
Uitspraak
1.Procesverloop
2.Feiten
3.Geschil in hoger beroep
4.Oordeel van het Gerecht
5.Beoordeling van het hoger beroep
6.Griffierecht en proceskosten
7.Beslissing
datum-stempel) aan partijen verzonden.
Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Belanghebbende exploiteert een fastfoodrestaurant op Curaçao op basis van een franchiseovereenkomst met een in het buitenland gevestigde franchisegever. De kern van het geschil in hoger beroep betreft de vraag of belanghebbende omzetbelasting moet betalen over de aan de franchisegever betaalde royalty’s (service fees).
De Inspecteur legde naheffingsaanslagen en vergrijpboetes op voor de jaren 2014 tot en met 2016 omdat belanghebbende geen omzetbelasting had aangegeven over deze royalty’s. Het Gerecht in eerste aanleg oordeelde dat de naheffingsaanslagen deels gegrond waren en bepaalde correcties en verminderingen in de boetebeschikkingen.
In hoger beroep betoogde belanghebbende dat er geen direct verband bestaat tussen de royaltybetaling en een belastbare prestatie, en dat de consument de franchiserechten zou betalen. Het Hof verwierp deze stellingen en bevestigde dat de royalty’s betrekking hebben op het recht om het franchisesysteem te gebruiken, hetgeen een belastbare dienst is. Het Hof verklaarde het hoger beroep deels gegrond door de naheffingsaanslag over 2016 te verminderen en vernietigde de boetebeschikking over dat jaar. Tevens werd het betaalde griffierecht aan belanghebbende vergoed, maar een proceskostenvergoeding werd afgewezen omdat belanghebbende pas in hoger beroep relevante informatie aanleverde.
Uitkomst: Het Hof bevestigt de naheffingsaanslagen voor 2014 en 2015, vermindert de aanslag over 2016 en vernietigt de boetebeschikking over 2016.