Belanghebbende, die in 2016 de pensioengerechtigde leeftijd bereikte en wiens dienstverband van rechtswege eindigde, ontving onterecht een bedrag van Afl. 44.311,97 van haar werkgever. Na vernietiging van een kortgedingvonnis moest zij dit bedrag terugbetalen.
In hoger beroep staat centraal of deze onterecht ontvangen bedragen als loon in 2016 belastbaar zijn en of terugbetaling binnen redelijke termijn het loonbegrip kan beïnvloeden. Het Hof oordeelt dat het ontvangen bedrag in 2016 als loon moet worden beschouwd, ook al was de betaling later onverschuldigd.
Belanghebbende stelde dat zij binnen redelijke termijn had verklaard het bedrag terug te betalen, maar het Hof stelt vast dat zij pas na het hoger beroep vonnis hiermee instemde en pas in 2019 begon met terugbetalen. Het beroep wordt daarom ongegrond verklaard.
Het Hof wijst ook het beroep op het Nederlandse concordantiebeginsel af, omdat dit niet verplicht is binnen het Koninkrijk. Evenmin kan belanghebbende vertrouwen ontlenen aan het Nederlandse beleid of de hardheidsclausule, aangezien geen rechtsgeldig beleid of toepassing daarvan is vastgesteld.
De uitspraak bevestigt dat het terugbetaalde bedrag in het jaar van terugbetaling als negatief loon wordt beschouwd en dat het loonbegrip ruim wordt uitgelegd. Het hoger beroep wordt verworpen en de aanslagen worden bevestigd.