ECLI:NL:OGHACMB:2024:67
Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
- Hoger beroep
- E.A. Saleh
- G.C.C. Lewin
- M.A. Loth
- Rechtspraak.nl
Vordering geldlening en omvang restschuld in hoger beroep herzien
In deze zaak staat een vordering uit een geldlening centraal waarbij partijen verdeeld zijn over de omvang van de restschuld. Het Gerecht in eerste aanleg had de vordering van geïntimeerde toegewezen. Appellante kwam in hoger beroep, maar haar memorie van grieven werd als te laat ingediend beschouwd, waardoor het Hof daar geen acht op sloeg.
Feitelijk staat vast dat partijen een geldleningsovereenkomst zijn aangegaan waarbij appellante NAf 9.000,- heeft geleend, inclusief een commissie van NAf 200,-. De discussie spitst zich toe op de omvang van de aflossingen en daarmee de restschuld. Geïntimeerde stelde een restschuld van NAf 3.900,-, later verminderd tot NAf 3.785,-, terwijl appellante slechts een restschuld van NAf 500,- betoogde zonder dit voldoende te onderbouwen.
Het Hof oordeelde dat de vordering van geïntimeerde, verminderd tot NAf 4.160,-, inclusief wettelijke rente over NAf 3.785,-, toewijsbaar is. Daarnaast werden de proceskosten aan appellante opgelegd. Het vonnis van het Gerecht werd vernietigd en het vonnis van het Hof is uitvoerbaar bij voorraad verklaard.
Uitkomst: Appellante wordt veroordeeld tot betaling van NAf 4.160,- met wettelijke rente en proceskosten, het vonnis van het Gerecht wordt vernietigd.