ECLI:NL:OGHACMB:2025:112

Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba

Datum uitspraak
25 maart 2025
Publicatiedatum
22 mei 2025
Zaaknummer
CUR202203442 en CUR2023H00208
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 122 RvArt. 279 RvArt. 20 lid 1 sub f Landsbesluit Tarieven in Burgerlijke ZakenArt. 20 lid 2 sub c Landsbesluit Tarieven in Burgerlijke ZakenVriendschapsverdrag tussen de Verenigde Staten en Nederland van 27 maart 1956
Verwijzingen
2 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beslissing over verzoek tot zekerheidsstelling proceskosten in arbeidsgeschil met Caribbean Medical University

In deze zaak tussen appellant en Caribbean Medical University (CMU) heeft het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba op 25 maart 2025 uitspraak gedaan over een verzoek tot zekerheidsstelling van proceskosten.

Appellant, die de Amerikaanse nationaliteit bezit en regelmatig in Curaçao verblijft, stelde zich op het standpunt dat op grond van het Vriendschapsverdrag tussen de Verenigde Staten en Nederland het eisen van zekerheid voor proceskosten niet is toegestaan. CMU erkende dit en trok haar verzoek tot zekerheidsstelling in. Het Hof veroordeelde CMU daarom in de proceskosten die appellant heeft moeten maken in verband met dit verzoek.

Daarnaast werd het verschuldigde griffierecht besproken. Aanvankelijk werd appellant een bedrag van NAf 15.000 in rekening gebracht, waarvan NAf 14.100 reeds was voldaan. Het Hof stelde vast dat het verzoek betrekking heeft op een arbeidsovereenkomst en bepaalde daarom dat appellant slechts NAf 100 aan griffierecht verschuldigd is. Het teveel betaalde bedrag wordt aan appellant terugbetaald.

Tot slot bepaalde het Hof dat de mondelinge behandeling van de zaak zal plaatsvinden op 8 juli 2025 en dat partijen persoonlijk of via gemachtigden aanwezig moeten zijn. De zaak wordt voor het overige aangehouden.

Uitkomst: Het verzoek tot zekerheidsstelling wordt afgewezen en CMU wordt veroordeeld in de proceskosten; griffierecht wordt aangepast en mondelinge behandeling gepland.

Uitspraak

Burgerlijke zaken over 2025
Registratienummers: CUR202203442 en CUR2023H00208
Uitspraak: 25 maart 2025
GEMEENSCHAPPELIJK HOF VAN JUSTITIE
van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en
van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
B E S C H I K K I N G
in de zaak van:
[appellant],
met gekozen woonplaats in [woonplaats],
hierna te noemen: [appellant],
appellant,
gemachtigden: mrs. L.F.F.M. Drissen en H.N. Kirpalani,
tegen
de besloten vennootschap
CARIBBEAN MEDICAL UNIVERSITY (CMU) B.V.
gevestigd in Curaçao,
hierna te noemen: CMU,
geïntimeerde,
gemachtigde: mr. R.E.F.A. Bijkerk.

1.Het verdere verloop van de procedure

1.1
Op 26 november 2024 heeft het Hof een tussenbeschikking gegeven. Daarin is [appellant] in de gelegenheid gesteld een akte over zekerheidsstelling te nemen en heeft het Hof een beslissing gegeven over het verschuldigde griffierecht.
1.2 [
[appellant] heeft een akte genomen (met producties), waarna CMU een antwoordakte heeft genomen.
1.3
Beschikking is bepaald op vandaag.

2.De verdere beoordeling

afwijzing verzoek tot zekerheidsstelling
2.1 [
[appellant] heeft stukken heeft overgelegd waaruit volgens hem blijkt dat hij regelmatig in Curaçao verblijft en voorts dat hij de nationaliteit van de Verenigde Staten heeft. Op grond van artikel V Vriendschapsverdrag tussen de Verenigde Staten en Nederland (van 27 maart 1956, Trb
.1956, 40) is daarom het eisen van zekerheid voor proceskosten niet toegestaan.
2.2
Naar aanleiding daarvan heeft CMU erkend dat het genoemde verdrag in de weg staat aan het eisen van zekerheidsstelling en heeft zij het verzoek ingetrokken. CMU geldt daarmee als de in het ongelijk gestelde partijen zal daarom worden veroordeeld in de (extra) proceskosten gemaakt die gemaakt zijn in verband met dit verzoek.
griffierecht
2.3
Wat betreft het verschuldigde griffierecht heeft de griffier zich eerder op het standpunt gesteld dat [appellant], gelet op de hoogte van zijn vorderingen in eerste aanleg, op grond van artikel 20 lid 1 sub f en Pro lid 7 van het Landsbesluit Tarieven in Burgerlijke Zaken NAf 15.000 verschuldigd is. [appellant] heeft het resterende bedrag van NAf 14.100 inmiddels voldaan.
2.4
In zijn laatste akte voert [appellant] echter aan dat het hier een zaak betreft als bedoeld in artikel 20 lid 2 sub c van Pro het Landsbesluit Tarieven in Burgerlijke Zaken, omdat het verzoek betrekking heeft op een arbeidsovereenkomst. Het verzoek van [appellant] als (ex)werknemer van CMU heeft inderdaad betrekking op zijn arbeidsovereenkomst met CMU. Het Hof ziet hierin aanleiding alsnog te bepalen dat [appellant] in hoger beroep NAf 100 aan griffierecht is verschuldigd, het dubbele van wat het Gerecht in rekening heeft gebracht (NAf 50). De griffier zal worden bevolen het teveel betaalde (NAf 14.900) terug te betalen aan [appellant].
vervolg procedure
2.5
Gelet op de stand van de procedure zal het Hof een mondelinge behandeling bepalen op de hierna te noemen datum.
B E S L I S S I N G
Het Hof:
inzake het verzoek zekerheidsstelling
verstaat dat CMU het verzoek tot zekerheidsstelling heeft ingetrokken;
veroordeelt CMU in de kosten van de behandeling van dit verzoek, aan de zijde van [appellant] begroot op NAf 1.250 aan salaris voor de gemachtigde;
vervolg procedure
bepaalt dat de mondelinge behandeling in deze zaak zal plaatsvinden op
8 juli 2025 om 11.30en bepaalt dat partijen vergezeld van hun gemachtigden aanwezig dienen te zijn, [appellant] in persoon en CMU vertegenwoordigd door een persoon die gemachtigd is tot het treffen van een regeling;
beveelt de griffier het teveel aan griffierecht betaalde aan [appellant] terug te betalen, zoals hiervoor in 2.4 overwogen;
houdt de zaak voor het overige aan.
Deze beschikking is gegeven door mrs. E.M. van der Bunt, G.C.C. Lewin en C.G. ter Veer, leden van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba en ter openbare terechtzitting van het Hof in Curaçao uitgesproken op 25 maart 2025 in tegenwoordigheid van de griffier.