Uitspraak
,
:
[BELANGHEBBENDE 3],
[BELANGHEBBENDE 4],
:
Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba behandelde op 26 september 2025 het verzoek tot schorsing van de tenuitvoerlegging van een beschikking van het Gerecht in eerste aanleg van Sint Maarten. De beschikking betrof de benoeming van een vereffenaar voor de nalatenschappen van twee overleden erflaters uit 2002 en 2006, waarvan de oorspronkelijk aangewezen executeurs inmiddels waren overleden.
Verzoekster tot schorsing accepteerde de benoeming van een vereffenaar, maar maakte bezwaar tegen de benoeming van de specifieke persoon als vereffenaar. Het Hof beoordeelde het verzoek aan de hand van de maatstaven uit de rechtspraak, waaronder het uitgangspunt dat een beschikking uitvoerbaar is tijdens hoger beroep, tenzij zwaarwegende belangen van de veroordeelde dat verhinderen.
Het Hof oordeelde dat er geen kennelijke misslagen in de beschikking waren en dat de bezwaren van verzoekster onvoldoende waren om af te wijken van het oordeel van het Gerecht. Ook een vermeende persoonlijke vriendschap tussen de vereffenaar en een van de erfgenamen werd onvoldoende onderbouwd. Het belang van voortgang in de vereffening van de nalatenschappen woog zwaarder dan de belangen van verzoekster.
Daarom wees het Hof het verzoek tot schorsing af en veroordeelde verzoekster tot schorsing in de kosten van de procedure. Andere verzoeken, waaronder niet-ontvankelijkverklaring van de tegenpartij, werden buiten beschouwing gelaten of afgewezen.
Uitkomst: Het Hof wijst het verzoek tot schorsing af en veroordeelt verzoekster tot schorsing in de kosten.