Uitspraak
De uitspraak van het Gerecht
Het Gerecht heeft vervolgens geoordeeld dat de rechtsgevolgen van de vernietigde beschikking geheel in stand kunnen blijven, omdat de daartegen door appellante aangevoerde beroepsgronden niet slagen.
Het Gerecht is appellante niet gevolgd in haar betoog dat de bestreden beschikking in strijd is met artikel 3, tweede lid, onder b, van het Eilandelijk Ontwikkelingsplan Curaçao (hierna: EOP). Volgens het Gerecht volgt uit die bepaling alleen dat gestreefd wordt naar een bepaalde woningdichtheid per buurt en volgt daaruit geen minimale perceelsomvang. Verder heeft het Gerecht overwogen dat de weigeringsgrond uit artikel 22, aanhef en onder 5, van de Bouw- en Woningverordening (hierna: Bwv) zich niet voordoet, omdat het risico op brand dat appellante naar voren brengt niet voortvloeit uit de bouwwijze of de ligging van het vergunde gebouw.
De beroepsgrond van appellante dat de tweede bouwvergunning onjuist is omdat die ziet op het intern verbouwen van een logeerruimte en carport, terwijl vergunninghouder 2 in werkelijkheid een compleet nieuwe en zelfstandige woning heeft gebouwd, slaagt volgens het Gerecht evenmin, omdat het bouwen van het nieuwe gebouw is toegestaan op grond van de eerste – aan vergunninghouder 1 - verleende bouwvergunning.
Tot slot heeft het Gerecht overwogen dat de klachten van appellante over het bouwen in afwijking van de verleende vergunning niet ter beoordeling voorliggen, omdat die niet raken aan de rechtmatigheid van de bestreden beschikking. De klacht dat is gebouwd in afwijking van de verleende bouwvergunningen kan appellante aan de orde stellen in een procedure naar aanleiding van een handhavingsverzoek.
Volgens appellante is de bestreden beschikking in strijd met artikel 12 van Pro de Bwv, omdat de afstand tussen het bouwwerk en de bestaande woning van vergunninghouder 1 2,5 meter moet zijn, terwijl dat in feite minder dan 0,5 meter is. Die norm dient volgens appellante onder andere ter voorkoming van brandoverslag. Verder is de bestreden beschikking volgens appellante in strijd met artikel 22, aanhef en onder 5, van de Bwv, omdat het bouwwerk door de ligging daarvan hinder en brandgevaar oplevert. Zij ervaart hinder door geluids-, rook- en stankoverlast van bezoekers van het gebouw.
Verder is de bestreden beschikking volgens appellante in strijd met de in artikel 3, tweede lid, onder b, van het EOP opgenomen gewenste woningdichtheid, nu er maximaal twintig woningen op een hectare gebouwd mogen worden, wat gelijk staat aan een oppervlakte van 500 m2 per perceel, terwijl het perceel van vergunninghouder 2 slechts 328 m2 is. Appellante betoogt tot slot dat er op grond van deze bepaling een belangenafweging had moeten plaatsvinden, omdat wordt afgeweken van de voorgeschreven dichtheid en dat die belangenafweging ten onrechte achterwege is gebleven.
De omvang van het geding in hoger beroep
De "getrapte” vergunningverlening
Het Hof ziet in de gang van zaken geen reden om te oordelen dat is gehandeld in strijd met de toepasselijke wettelijke voorschriften. De hogerberoepsgrond slaagt niet.
De tweede bouwlaag
Ter zitting is de bouwtekening getoond die onderdeel uitmaakt van de eerste bouwvergunning. Daarop is een opbouw te zien op de verdieping. Deze opbouw is dus vergund en kan worden gerealiseerd. Appellante heeft tegen de opbouw geen specifieke gronden aangevoerd. Het Hof ziet hierin dan ook geen aanleiding om te oordelen dat deze bouwvergunning in strijd is met de toepasselijke rechtsregels.
Overigens merkt het Hof nog op dat vergunninghouder 2 ter zitting heeft verklaard dat hij vooralsnog niet van plan is gebruik te maken van de verleende vergunningen voor wat betreft de opbouw op de verdieping.
Artikel 3 van Pro het EOP
Artikel 12 van Pro de Bwv
“§ 3. Plaatsing van woningen ten opzichte van de weg en van andere gebouwen.
De eigenaar is verplicht te zorgen, dat achter elke op te richten of voor een gedeelte te vernieuwen woning of naast een der zijwanden van zodanige woning over de gehele breedte van de achtergevel of van die zijwand op de te bebouwen grond een oppervlak wordt opengelaten, diep ten minste de halve hoogte van de aangrenzende achtergevel of zijwand, met een minimum van twee en een halve meter, gemeten rechthoekig op de richting van de aangrenzende achtergevel of van de aangrenzende zijwand.
Het bepaalde bij het vorig artikel is niet van toepassing:
a. ten aanzien van woningen, die met meer dan een zijde geheel aan de weg gelegen zijn;
b. indien binnen de woning een oppervlak is opengelaten van de grootte van ten minste een der opengelaten oppervlakten, bedoeld in het vorig artikel.”
De te beantwoorden vraag is daarmee of tussen de woning van vergunninghouder 2 en een ander gebouw een afstand van drie meter is opengelaten. Het antwoord daarop is bevestigend. Dat de afstand tussen de woning van vergunninghouder 2 en die van vergunninghouder 1 minder zou zijn dan 2,5 meter, zoals appellante stelt, maakt niet - ook niet als die stelling juist zou zijn - dat de bouwvergunningen in strijd zijn met artikel 12 van Pro de Bwv. Dit omdat op grond van de overgelegde (bouw-)tekeningen en het kaartmateriaal kan worden vastgesteld dat de afstand tussen een zijwand van de woning van vergunninghouder 2 en een ander nabijgelegen gebouw aanzienlijk meer is dan drie meter. Het betoog van appellante slaagt daarom niet.
Artikel 22, aanhef en onder 5, van de Bwv
“Een beslissing tot het verlenen van voorwaardelijke bouwvergunning of tot gehele of gedeeltelijke weigering is steeds met redenen omkleed en kan slechts gegrond zijn op een of meer der volgende omstandigheden: (...)
5°. dat het gebouw of gebouwsgedeelte wegens de ligging of wegens de bouwwijze de omgeving ontsieren of hinderlijk dan wel brandgevaarlijk voor de omgeving zijn zal.”
De stelling van appellante dat zij hinder ervaart van de gebruikers van de woning van vergunninghouder 2 is evenmin reden om strijd met artikel 22 van Pro de Bwv aan te nemen. De genoemde bepaling ziet op de situatie dat het gebouw zelf vanwege de ligging de omgeving ontsiert of hinderlijk is voor de omgeving. Uit wat appellante heeft aangevoerd, is niet gebleken dat die situatie zich voordoet. Eventuele ervaren hinder door gebruikers van de woning wegens barbecuelucht of hard praten kan hinderlijk zijn, maar vormt geen weigeringsgrond voor een bouwvergunning.
Sloop of verwijdering van het gebouw
Bouwen in afwijking van de bouwvergunningen
Waardevermindering
Conclusie