ECLI:NL:OGHACMB:2025:276

Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba

Datum uitspraak
19 november 2025
Publicatiedatum
19 november 2025
Zaaknummer
AUA2025H00093
Instantie
Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Type
Uitspraak
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep inzake afwijzing verblijfsvergunning met als doel arbeid en toetsingskader zonder advies van de BAC

In deze zaak gaat het om een hoger beroep van een Venezolaanse appellant die een aanvraag voor een vergunning tot tijdelijk verblijf met als doel arbeid als inwonende dienstbode heeft ingediend. De minister van Justitie, Integratie en Openbaar Vervoer heeft deze aanvraag afgewezen op basis van een uitzettingsbevel met een periode van niet-toelating van 66 maanden. De minister verklaarde het bezwaar van de appellant ongegrond, wat leidde tot een uitspraak van het Gerecht in eerste aanleg van Aruba op 7 mei 2025, die het beroep van de appellant ook ongegrond verklaarde. De appellant heeft hoger beroep ingesteld, maar is niet verschenen op de zitting. De minister werd vertegenwoordigd door mr. G.M.N. Maduro.

Het Hof heeft de zaak behandeld en geconcludeerd dat de minister de beschikking op bezwaar zorgvuldig kon voorbereiden zonder de appellant te horen, omdat de periode van niet-toelating nog niet was verstreken. Het Hof heeft ook overwogen dat het beroep van de appellant op artikel 8 van het EVRM niet slaagde, omdat de aanvraag niet was gericht op gezinsleven, maar op arbeid. De uitspraak van het Gerecht werd bevestigd, en het hoger beroep van de appellant werd ongegrond verklaard. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Uitspraak

AUA2025H00093
Datum uitspraak: 19 november 2025
gemeenschappelijk hof van jusTitie
van aruba, CURAÇAO, SINT MAARTEN
EN VAN BONAIRE, SINT EUSTATIUS EN SABA
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellant],
appellant,
tegen de uitspraak van het Gerecht in eerste aanleg van Aruba (hierna: het Gerecht) van 7 mei 2025 in zaak nr. AUA202400349, in het geding tussen:
appellant
en
de minister van Justitie, Integratie en Openbaar Vervoer (hierna: de minister)

Procesverloop

Bij beschikking van 15 september 2022 heeft de minister de aanvraag van appellant om een vergunning tot tijdelijk verblijf met als doel arbeid als inwonende dienstbode, afgewezen.
Bij beschikking van 22 januari 2024 heeft de minister het daartegen door appellant gemaakte bezwaar ongegrond verklaard (hierna: de bestreden beschikking).
Bij uitspraak van 7 mei 2025 heeft het Gerecht het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft appellant, vertegenwoordigd door M.L. Hassell, hoger beroep ingesteld.
Het Hof heeft de zaak op een zitting behandeld op 10 oktober 2025. Appellant en zijn gemachtigde zijn – zonder bericht van verhindering – niet verschenen. De minister werd vertegenwoordigd door mr. G.M.N. Maduro.

Overwegingen

Relevante feiten en omstandigheden
1. Appellant heeft de Venezolaanse nationaliteit. Hij is op 14 mei 2017 Aruba binnengekomen als toerist. Op 25 februari 2022 is hij werkend als klusjesman aangetroffen. Op diezelfde dag heeft de minister tegen appellant een uitzettingsbevel met een periode van niet-toelating van 66 maanden uitgevaardigd. Op 20 mei 2022 is appellant uitgezet.
1.1.
Appellant heeft op 20 december 2022 de minister verzocht om de periode van niet-toelating op te heffen of te verkorten. Bij beschikking van 30 april 2024 heeft de minister deze periode verkort tot zestig maanden.
1.2.
Op 5 maart 2022 heeft appellant een aanvraag ingediend om een vergunning tot tijdelijk verblijf met als doel arbeid als inwonende dienstbode. De afwijzing van die vergunning is inzet van deze procedure.
Besluitvorming van de minister
2. De minister heeft de aanvraag van appellant om een vergunning tot tijdelijk verblijf met als doel arbeid als inwonende dienstbode afgewezen. In de beschikking van 15 september 2022 heeft de minister uiteengezet dat er een uitzettingsbevel is met een periode van niet-toelating en dat appellant daarom niet voldoet aan de voorwaarden en in strijd met de openbare orde en het algemeen belang handelt. Ook heeft de minister appellant tegengeworpen dat hij geen verklaring omtrent gedrag heeft ingediend.
2.1.
Appellant heeft bezwaar gemaakt tegen deze beschikking. Hij betoogt dat de minister hem ten onrechte de periode van niet-toelating tegenwerpt, omdat hij bezwaar heeft gemaakt tegen het uitzettingsbevel, waardoor de periode van niet-toelating nog niet in rechte vaststaat. Verder betoogt appellant dat hij inmiddels de verklaring omtrent gedrag heeft ingediend.
2.2.
De minister heeft het bezwaar van appellant ongegrond verklaard in de bestreden beschikking van 22 januari 2024. Wat betreft de procedure heeft de minister daarin toegelicht dat hij het bezwaarschrift op 1 augustus 2023 in handen van de bezwaaradviescommissie (hierna: BAC) heeft gesteld, dat hij geen advies heeft ontvangen en daarom zonder advies op het bezwaar heeft moeten beslissen. Verder heeft de minister uiteengezet dat artikel 9, eerste lid, aanhef en onder c, van de Landsverordening toelating en uitzetting (hierna: Ltu) aan het inwilligen van de aanvraag in de weg staat, omdat appellant op 20 mei 2022 is uitgezet en de periode van niet-toelating pas op 20 november 2027 verstrijkt.
De uitspraak van het Gerecht
3. Het Gerecht heeft naar aanleiding van de beroepsgronden van appellant overwogen dat de minister mocht afzien van het horen in bezwaar. Daarbij heeft het Gerecht van belang geacht dat de BAC niet op tijd advies heeft uitgebracht en dat de minister de bestreden beschikking zorgvuldig kon voorbereiden zonder appellant te horen. Er is immers sprake van een nog niet verstreken periode van niet-toelating en daarmee doet de zelfstandige weigeringsgrond uit artikel 9, eerste lid, aanhef en onder c, van de Ltu zich voor. Deze grond is in de beschikking van 15 september 2022 al tegengeworpen en is in bezwaar onvoldoende bestreden. Verder heeft het Gerecht overwogen dat het beroep van appellant op artikel 8 van het EVRM niet slaagt omdat het onvoldoende is onderbouwd, waarbij het Gerecht ook van belang heeft geacht dat het gaat om een aanvraag met als doel arbeid en niet om een aanvraag op grond van gezinsleven.
Het betoog in hoger beroep
4. Appellant bestrijdt in hoger beroep de overwegingen van het Gerecht. Volgens hem heeft de minister onvoldoende gemotiveerd waarom hij van het horen kon afzien. In dat kader betoogt appellant dat de verwijzing naar artikel 9, eerste lid, aanhef en onder c, van de Ltu een nieuwe weigeringsgrond is die hem in de beschikking op bezwaar voor het eerst is tegengeworpen. Volgens hem mag de periode van niet-toelating bovendien niet worden tegengeworpen omdat het uitzettingsbevel nog niet in rechte vaststaat. Deze omstandigheden maken volgens appellant dat de minister hem ten onrechte niet heeft gehoord over zijn bezwaar. Tot slot heeft het Gerecht volgens appellant niet onderkend dat de afwijzing van zijn aanvraag in strijd is met artikel 8 van het EVRM. Daarbij verwijst appellant naar een eerdere uitspraak van de rechter-commissaris over een bevel tot inbewaringstelling, waarin gewicht is toegekend aan het gezinsleven van appellant op Aruba. Volgens appellant had de minister hem moeten horen over zijn gezinsleven en had de minister hierin aanleiding moeten zien om de periode van niet-toelating op te heffen of verder te verkorten.
Beoordeling
5. Het Hof heeft een aantal voorwaarden voor een zorgvuldige voorbereiding van beschikkingen in bezwaar uiteengezet in zijn uitspraak van 28 februari 2024, ECLI:NL:OGHACMB:2024:23, onder 3.2 en 3.3. Het Gerecht is terecht aangesloten bij het daarin uiteengezette toetsingskader.
5.1.
Dit toetsingskader houdt kort gezegd het volgende in. Een bestuursorgaan moet een ontvangen bezwaarschrift doorsturen naar de BAC, krachtens artikel 15, eerste lid, van de Landsverordening administratieve rechtspraak (hierna: Lar), behoudens de in die bepaling genoemde uitzonderingen. Op grond van artikel 17 van de Lar moet de BAC de bezwaarmaker horen, tenzij de uitzonderingen uit het vierde lid van die bepaling zich voordoen. Verder brengt de BAC binnen vier weken na ontvangst van het bezwaarschrift advies uit over de beslissing op het bezwaar, zo volgt uit artikel 19, eerste lid, van de Lar. Als de BAC niet tijdig een advies heeft uitgebracht, dan kan het bestuursorgaan op het bezwaarschrift beslissen zonder het advies. Dit volgt uit artikel 20, eerste lid, van de Lar. Als het bestuursorgaan dat doet, dan moet hij er op grond van het zorgvuldigheidsbeginsel voor zorgen dat hij beschikt over alle informatie die nodig is voor de besluitvorming. In bepaalde situaties kan dat betekenen dat het bestuursorgaan een bezwaarmaker moet horen, maar dat geldt niet in alle gevallen.
5.1.1.
Het Gerecht heeft terecht overwogen dat de minister de beschikking op bezwaar zorgvuldig kon voorbereiden zonder appellant te horen over zijn bezwaar. Het Hof licht dit hieronder verder toe.
5.1.2.
Als sprake zou zijn van een nieuwe weigeringsgrond die eerst in de beschikking op bezwaar zou zijn tegengeworpen, dan zou het aangewezen zijn om appellant daarover te horen, maar die situatie doet zich niet voor. De minister heeft de periode van niet-toelating al in de beschikking van 15 september 2022 als weigeringsgrond opgenomen en appellant heeft dat blijkens zijn bezwaargronden ook zo begrepen. Dat de minister de wettelijke grondslag van de weigeringsgrond (artikel 9, eerste lid, aanhef en onder c, van de Ltu) pas in de beschikking op bezwaar genoemd heeft, maakt niet de weigeringsgrond nieuw was.
5.1.3.
Verder geldt dat de minister in wat appellant in bezwaar naar voren heeft gebracht, geen aanleiding heeft hoeven zien om hem te horen. De inhoud van het bezwaarschrift laat namelijk onverlet dat appellant is uitgezet en dat de periode van niet-toelating ten tijde van de besluitvorming nog niet was verlopen. Daarmee is voldaan aan de toepassingsvoorwaarden van artikel 9, eerste lid, aanhef en onder c, van de Ltu. De minister heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat dat in de weg stond aan vergunningverlening en dat er gelet daarop geen aanleiding was om appellant te horen.
Appellant betoogt in dat kader ook dat het uitzettingsbevel nog niet in rechte vaststaat, maar dat is voor de beoordeling van de aanvraag om een verblijfsvergunning niet van belang. Bij de besluitvorming over de aanvraag om een verblijfsvergunning is de rechtmatigheid van het uitzettingsbevel een gegeven, tenzij deze is vernietigd door de bestuursrechter of als deze is herroepen en de onrechtmatigheid is erkend door het bestuursorgaan. Het betoog van appellant dat de minister de periode van niet-toelating had moeten verkorten of opheffen naar aanleiding van het bezwaar tegen de afwijzing van de aanvraag om een verblijfsvergunning, slaagt evenmin. De rechtmatigheid van het uitzettingsbevel ligt niet voor in deze procedure.
5.2.
Tot slot heeft het Gerecht terecht overwogen dat appellant zich tevergeefs op artikel 8 van het EVRM beroept. Appellant heeft een vergunning tot tijdelijk verblijf aangevraagd met als doel het verrichten van arbeid als inwonende dienstbode en niet om gezinsleven uit te oefenen. Appellant kan daarom in deze procedure geen geslaagd beroep doen op artikel 8 van het EVRM. Het Hof verwijst naar zijn uitspraak van 26 juli 2023, ECLI:NL:OGHACMB:2023:137, onder 3.5. Het betoog van appellant dat de afwijzing van zijn aanvraag in strijd is met artikel 8 van het EVRM, dan wel dat de minister hem had moeten horen over zijn gezinsleven, slaagt daarom niet.
Conclusie
6. Het hoger beroep is ongegrond. De uitspraak van het Gerecht wordt bevestigd. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Beslissing

Het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. B.J. van Ettekoven, voorzitter, en mr. J.Th. Drop en mr. E.J. Daalder, leden, in tegenwoordigheid van mr. M. Buntjer, griffier.
w.g. Van Ettekoven
voorzitter
w.g. Buntjer
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 19 november 2025.