Uitspraak
Procesverloop
Overwegingen
Naar aanleiding van het beroep op artikel 8 van Pro het EVRM heeft het Gerecht overwogen dat de bestreden beschikking er niet toe strekt appellante en het minderjarige kind een verblijfsrecht te ontnemen dat hen tot het beleven van het familie- of gezinsleven hier te lande in staat stelde, zodat van een inmenging zoals bedoeld in die verdragsbepaling geen sprake is. Daarbij wijst het Gerecht erop dat artikel 8 van Pro het EVRM voor verweerder geen algemene verplichting meebrengt om de domiciliekeuze van echtparen te eerbiedigen of gezinshereniging op zijn grondgebied mogelijk te maken. Voorts is niet gebleken van zodanig bijzondere omstandigheden dat uit het recht op respect voor het familie- of gezinsleven voor de minister een positieve verplichting voortvloeit om appellante en het minderjarige kind een vergunning tot tijdelijk verblijf te verlenen, hoewel zij daarvoor volgens het gevoerde beleid niet in aanmerking komen. Appellante en het minderjarige kind verblijven al (bijna) hun hele leven op Haïti en de kinderen zijn daar opgegroeid en geworteld. Mede gelet hierop is niet aannemelijk gemaakt dat er objectieve belemmeringen bestaan voor het beleven van het familie- of gezinsleven in Haïti, het land van herkomst. De humanitaire situatie in Haïti en in het bijzonder de toestand in de wijk Cité de Soleil waar appellante en het minderjarige kind wonen, leveren voor het Gerecht geen grond op voor een ander oordeel. Klemmende redenen van humanitaire aard kunnen aanleiding zijn om een andersoortige verblijfsvergunning af te geven, maar nu dit pas in de bezwaarfase naar voren is gebracht, kon de grondslag van de aanvragen niet meer gewijzigd worden.
the best interests of the childbetrokken
.Het Hof onderschrijft de overweging in punt 119 van deze laatste uitspraak dat: “
While the best interests of the child cannot be a "trumpcard” which requires the admission of all children who would be better off living in a Contracting State, the domestic courts must place the best interests of the child at the heart of their considerations and attach crucial weight to it”.In dat licht zal in dit geval ook gewicht moeten worden toegekend aan de gevolgen die het minderjarige kind, ten behoeve van wie samen met zijn moeder toelating voor verblijf bij zijn vader op Sint Maarten is verzocht, als minderjarig kind ondervindt van de slechte algemene situatie in Haïti én de specifiek op hem betrekking hebbende leefomstandigheden die hij in hoger beroep heeft aangevoerd (vgl. onder 3). Deze worden gekenmerkt door politieke instabiliteit en het afnemen en inmiddels geheel afwezig zijn van centraal overheidsgezag. Dit heeft grote invloed op de leefomstandigheden van de bevolking waaronder de voedselsituatie en de beschikbaarheid van levensbehoeften als schoon drinkwater, onderwijs en gezondheidszorg. In de bezwaarfase is namens appellanten voorts documentatie overgelegd van NGO's waaronder Human Rights Watch en het Rode Kruis waaruit onder andere blijkt dat bendes een groot deel van Port-au-Prince beheersen, waaronder de wijk Cité de Soleil waar appellante en het minderjarige kind woonachtig zijn, en dat die bendes zich daar ongehinderd schuldig maken aan geweldpleging, verkrachting en diefstal. Door geweldpleging is naar is gesteld de woning waar appellante en het minderjarige kind verblijven beschadigd waardoor zij alleen nog op de bovenverdieping kunnen verblijven en voor sanitaire voorzieningen zijn aangewezen op de buren. Het minderjarige kind kan hierdoor niet naar school. Zijn persoonlijke leefomstandigheden en ook die van appellante zijn daarmee precair. Niet in geschil is verder dat appellant inmiddels aan het ingevolge de Richtlijn voor gezinshereniging geldende inkomensvereiste voldoet en de onderhavige aanvraag heeft ingediend zodra dit het geval was. Deze twee aspecten, de precaire leefsituatie van het minderjarige kind en zijn persoonlijke situatie en het feit dat appellant voldoet aan het middelenvereiste zodat zijn toelating en die van appellante geen kosten ten laste van de openbare kas zullen opleveren, zijn door het Gerecht niet in de belangenafweging betrokken. Daarmee is die naar het oordeel van het Hof niet evenwichtig.
Beslissing
BIJLAGE
1.De vergunning tot tijdelijk verblijf of tot verblijf kan door of namens de minister worden geweigerd:
a. met het oog op de openbare orde of het algemeen belang, waaronder economische redenen mede worden begrepen;
b. indien niet kan worden aangetoond dat degene voor wie toelating wordt verzocht over voldoende middelen van bestaan zal beschikken.
2.De redenen tot weigering worden in de beslissing vermeld.
[…]
- Is er sprake van een familie- of gezinsleven in de zin van artikel 8 EVRM Pro? Zo ja,
- Levert het niet toestaan van (voortgezet) verblijf aan die vreemdeling op een inmenging in het recht op eerbiediging van het familie- of gezinsleven van betrokkene? Zo ja,
- Is deze inmenging gerechtvaardigd op grond van artikel 8, lid 2 EVRM? Zo niet,
- Is er dan een positieve verplichting die tot een gunstige beslissing dwingt?
- de persoon, bij wie toelating aangevraagd wordt, dient duurzaam en zelfstandig te beschikken over voldoende middelen van bestaan (zie normbedragen Paragraaf 3.7 sub a);
- de persoon, die de toelating aanvraagt, moet duurzaam beschikken over passende huisvesting, die daadwerkelijk beschikbaar is. In geval van inwonen bij een derde, dient er geen bezwaar tegen de bewoning of inwoning van de toe te laten familieleden te bestaan. De regels van de sociale woningbouw zijn in casu van toepassing;
- de vreemdeling, die toelating aanvraagt, mag geen gevaar vormen voor de openbare orde. Aan familieleden worden dezelfde eisen gesteld als ten aanzien van de aanvrager van een verblijfsvergunning.
- Aangezien de vreemdeling nauwe banden heeft met in Sint Maarten wonende personen, of
- Aangezien terugkeer naar het land van herkomst redelijkerwijs niet verlangd kan worden, of
- Aangezien betrokkene de zorg heeft over minderjarige kinderen, die in Sint Maarten geboren zijn.
De samenlevingsovereenkomst als basis voor een vergunning tot tijdelijk verblijf komt te vervallen.
Het normbedrag voor gezinsvorming en gezinshereniging wordt vastgesteld op ANG 3.000,- bruto inkomen per maand oftewel ANG 36.000,- bruto inkomen per jaar, indien de garantstellende echtgenoot vreemdeling is. Indien de garantstellende echtgenoot Nederlander is, wordt als normbedrag gehanteerd het wettelijk minimumloon.