ECLI:NL:OGHACMB:2025:303

Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba

Datum uitspraak
9 december 2025
Publicatiedatum
10 december 2025
Zaaknummer
AUA2024H00372
Instantie
Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging verbod executiemaatregelen dwangsommen wegens niet-verbeurde dwangsommen door het Land Aruba

In deze zaak staat centraal of het Land Aruba dwangsommen heeft verbeurd die waren opgelegd in een eerder kort geding. Het Land had dwangsommen opgelegd gekregen om binnen bepaalde termijnen beslissingen te nemen over bestemmingswijziging en verlenging van een recht van erfpacht, en medewerking te verlenen aan de vestiging van dat recht.

De appellant, een naamloze vennootschap met erfpachtrecht op een perceel in Aruba, had bezwaar tegen de voorwaarden die het Land aan het contract verbond en had het contract niet ondertekend. Het Land stelde dat het geen dwangsommen had verbeurd en vorderde een verbod op executiemaatregelen.

Het Hof oordeelt dat het bevel tot medewerking slechts ziet op het verlenen van medewerking aan een akte die in overeenstemming is met de beslissingen van het Land, inclusief de voorwaarden. Het Land is niet verplicht om beslissingen met een bepaalde inhoud te nemen of te onderhandelen over voorwaarden. Omdat het Land niet heeft geweigerd medewerking te verlenen aan een akte die overeenkomt met het contract, zijn er geen dwangsommen verbeurd.

Het Hof bevestigt het vonnis van het Gerecht dat de appellant is verboden executiemaatregelen te treffen om dwangsommen te innen. De appellant wordt veroordeeld in de kosten van het hoger beroep.

Uitkomst: Het Hof bevestigt dat het Land Aruba geen dwangsommen heeft verbeurd en verbiedt de appellant executiemaatregelen te treffen om dwangsommen te innen.

Uitspraak

Burgerlijke zaken over 2025
Zaaknummers: AUA202402835 – AUA2024H00372
Uitspraak: 9 december 2025
GEMEENSCHAPPELIJK HOF VAN JUSTITIE
van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en
van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
V O N N I S
in kort geding in de zaak van:
de naamloze vennootschap
[APPELLANT] N.V.,
gevestigd in Aruba,
in eerste aanleg gedaagde, thans appellante,
gemachtigde: mr. M.G.A. Baiz,
tegen
de openbare rechtspersoon
HET LAND ARUBA,
zetelend in Aruba,
in eerste aanleg eiser, thans geïntimeerde,
gemachtigden: mrs. V.M. Emerencia en M.P. Jansen.
Partijen worden hierna [appellant] en het Land genoemd.

1.De zaak in het kort

In een eerder kort geding heeft de rechter het Land bevolen om bepaalde beslissingen te nemen en ergens medewerking aan te verlenen op straffe van verbeurte van dwangsommen. In het kort geding dat nu aan de orde is, stelt het Land zich op het standpunt dat het geen dwangsommen heeft verbeurd. Op die grond vordert het Land primair dat de rechter de wederpartij verbiedt om door middel van executiemaatregelen dwangsommen te innen. Het Gerecht heeft het standpunt van het Land gevolgd en de vordering van het Land toegewezen. In dit hoger beroep komt het Hof tot dezelfde uitkomst.

2.Het verloop van de procedure

2.1
Bij op 9 september 2024 ingekomen akte van appel is [appellant] in hoger beroep gekomen van het in kort geding tussen partijen gewezen en op 4 september 2024 uitgesproken vonnis van het Gerecht in eerste aanleg van Aruba.
2.2
Bij op 30 september 2024 ingekomen memorie van grieven heeft [appellant] twee grieven tegen het vonnis aangevoerd en toegelicht. Haar conclusie strekt ertoe dat het Hof het vonnis zal vernietigen en de vorderingen van het Land alsnog zal afwijzen, met veroordeling van het Land, uitvoerbaar bij voorraad, in de proceskosten in beide instanties.
2.3
Het Land heeft geen memorie van antwoord ingediend.
2.4
Op 16 september 2025 hebben de gemachtigden van partijen pleitnota’s ingediend. Aan de pleitnota van [appellant] zijn producties gehecht.
2.5
Vonnis is bepaald op vandaag.

3.De beoordeling

Feitelijke uitgangspunten
3.1
Het Hof gaat uit van het volgende.
3.1.1
In 1996 heeft [appellant] een recht van erfpacht overgedragen gekregen op een perceel aan [adres] in Aruba (hierna: het perceel).
3.1.2
Op 2 november 2016 heeft [appellant] bij het Land een aanvraag ingediend tot wijziging van de bestemming van het perceel. Op 20 oktober 2022 heeft zij dat opnieuw gedaan. Op 2 november 2023 heeft het Land afwijzend beslist op deze aanvragen. Op 15 november 2023 heeft [appellant] het Land verzocht om de beslissing van 2 november 2023 te heroverwegen of een nieuwe beslissing te nemen op het verzoek om bestemmingswijziging. Op 28 november 2023 heeft [appellant] het Land verzocht de duur van het recht van erfpacht te verlengen.
3.1.3
Op 3 december 2023 is het recht van erfpacht geëindigd doordat de duur ervan is verstreken.
3.1.4
Bij kortgedingvonnis van 17 april 2024, zaaknummer AUA202400740, ECLI:NL:OGEAA:2024:119, (hierna: het dwangsomvonnis) heeft het Gerecht de volgende dicta uitgesproken:
Het Gerecht, rechtdoende in kort geding:
5.1
beveelt het Land om binnen dertig dagen na de datum van dit vonnis een beslissing te nemen op het verzoek van [appellant] van 2 november 2016, 20 oktober 2022 en/of 15 november 2023, inhoudende een verzoek tot wijziging van de bestemming van [het perceel], voor het daarop hebben van een betonstenen gebouw, uitgevoerd in maximaal acht bouwlagen, bestaande uit 200 koopappartementen en 35 winkels/kantoorruimten op de begane grond;
5.2
beveelt het Land om binnen dertig dagen nadat de hiervoor onder 5.1 bedoelde beslissing is genomen een beslissing te nemen op het verzoek van 28 november 2023 van [appellant] inhoudende verlenging van het recht van erfpacht van het perceel en deze beslissing in handen te stellen van [appellant];
5.3
beveelt het Land, zodra zij een beslissing op het hiervoor genoemde verzoek heeft genomen en indien de beslissing inhoudt de wijziging van de bestemming van het in erfpacht uitgegeven perceel en de verlenging van het recht van erfpacht van bedoeld perceel, binnen zestig dagen na de datum van de beslissing alle medewerking te verlenen zodat de akte van vestiging van erfpacht in overeenstemming met de beslissing ten overstaan van een notaris op Aruba kan worden verleden dan wel uitgevoerd;
5.4
bepaalt dat het Land een dwangsom zal verbeuren van Afl. 10.000,-- voor elke dag of gedeelte daarvan dat het Land in gebreke blijft aan de hiervoor onder 5.1, 5.2 en 5.3 vermelde bevelen te voldoen, tot een maximum van Afl. 500.000,--;
5.5
veroordeelt het Land in de proceskosten van [appellant], tot aan deze uitspraak begroot op Afl. 450,-- aan griffierecht, Afl. 240,-- aan explootkosten en Afl. 1.500,-- aan salaris van de gemachtigde;
5.6
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
5.7
wijst het meer of anders gevorderde af.
3.1.5
Deze dicta heeft het Gerecht in het dwangsomvonnis gemotiveerd met de volgende overwegingen, verkort weergegeven. Het Land heeft zeer lang gewacht met het nemen van een beslissing. Vervolgens heeft het Land de aanvragen afgewezen op een grond waarvan aannemelijk is dat die geen stand zal houden. Daarbij komt dat het er alle schijn van heeft dat het Land de aanvraag heeft afgewezen op een grond die pas aan de orde zou kunnen komen bij de vraag of een bouwvergunning kan worden verleend. Het Land heeft niets gesteld op grond waarvan kan worden aangenomen dat niet van haar kan worden verlangd dat zij spoedig een nieuwe beslissing neemt op de aanvragen om wijziging van de bestemming. De argumenten van het Land doen niet af aan haar verplichting om te beslissen op de vraag die aan haar is voorgelegd (4.3). Het Land heeft naar voren gebracht dat de verzochte verlenging van het recht van erfpacht geen probleem zal zijn. Hiermee heeft het Land erkend dat het slechts een hamerstuk zal zijn. Gelet hierop en op de omstandigheid dat het Land heeft verklaard dat de behandeling van een verzoek om verlenging van een recht van erfpacht drie tot zes maanden duurt, zal het Gerecht beslissen dat het Land uiterlijk medio juni 2024 moet beslissen op het verzoek om verlenging van de erfpacht (4.4). Het Land heeft geen verweer gevoerd tegen de dwangsommen (4.5). Het Land heeft ook geen verweer gevoerd tegen het gevorderde bevel tot medewerking aan het verlijden van de akte van vestiging van het recht van erfpacht en de daaraan gekoppelde dwangsom (4.6).
3.1.6
Op 17 mei 2024 heeft het Land een contract ter ondertekening aangeboden aan [appellant] (hierna: het contract). Het contract strekt tot vestiging van een recht van erfpacht voor de duur van zestig jaar (art. 6 lid 1 van Pro het contract). Art. 9 van Pro het contract is getiteld ‘bestemming’. Het eerste lid van dit artikel luidt:
Het in erfpacht uitgegeven perceel domeingrond mag zonder nader verkregen toestemming van de Minister voor geen ander doel worden bestemd dan voor het daarop hebben van een woningcomplex c.q. 200 woonappartementencomplex annex 40 winkelunits t.b.v. toelaatbare functies conform het vigerend Ruimtelijk Ontwikkelingsplan met Voorschriften (ROPV), plaatselijk bekend als “L.G. Smith Boulevard no. 124”.
3.1.7 [
[appellant] heeft bezwaar tegen enige voorwaarden die in het contract staan vermeld en heeft het contract daarom niet ondertekend (althans, ten tijde van het bestreden vonnis had zij dat nog niet gedaan). Een akte van vestiging van erfpacht als bedoeld onder 5.3 van het dwangsomvonnis was ten tijde van het bestreden vonnis ook nog niet verleden.
3.1.8
Bij brief van 22 juli 2024 heeft de advocaat van [appellant] aan het Land bericht dat het Land niet heeft voldaan aan het onder 5.3 van het dwangsomvonnis gegeven bevel en dat het Land daarom ingevolge 5.4 van het dwangsomvonnis sinds 17 juli 2024 een dwangsom verbeurt van Afl. 10.000 per dag.
Vorderingen
3.2
In dit kort geding heeft het Land, na wijziging van eis bij het Gerecht, gevorderd, verkort weergegeven:
a. primair: verbod om het dwangsomvonnis te executeren;
b. subsidiair: opheffing, althans matiging tot nihil van de dwangsommen;
c. meer subsidiair: schorsing van de dwangsommen totdat in een bodemprocedure is beslist,
alles op straffe van verbeurte van dwangsommen.
Beslissingen van het Gerecht
3.3
Bij het bestreden vonnis heeft het Gerecht [appellant] verboden om de dwangsommen die gegrond zijn op het bevel dat in het dwangsomvonnis onder 5.3 is gegeven, (verder) te executeren indien en zolang [appellant] het contract niet heeft ondertekend.
3.4
Aan die beslissing heeft het Gerecht de volgende overwegingen ten grondslag gelegd, verkort weergegeven. [appellant] heeft aangevoerd dat het Land niet alle medewerking heeft verleend als bedoeld onder 5.3 van het dwangsomvonnis, omdat het Land onredelijke en voor [appellant] onaanvaardbare voorwaarden heeft opgenomen in het contract en niet met [appellant] in overleg is getreden om daarover tot een vergelijk te komen (4.4). Het Gerecht volgt [appellant] niet in dit betoog. Het doel van het bevel onder 5.3 van het dwangsomvonnis is slechts om te bewerkstelligen dat in geval van positieve beslissingen als bedoeld in 5.1 en 5.2 van het dwangsomvonnis, het recht van erfpacht ook daadwerkelijk en binnen een termijn wordt gevestigd in overeenstemming met de beslissingen als bedoeld in 5.1 en 5.2 van het dwangsomvonnis (4.5). De vraag of de door het Land gestelde voorwaarden (kort gezegd) rechtens aanvaardbaar zijn, dient niet over de band van verbeurte van dwangsommen aan de orde te worden gesteld (4.6). De aan 5.3 van het dwangsomvonnis verbonden dwangsommen zijn niet verbeurd (4.7).
Beoordeling door het Hof
3.5
De beantwoording in een executiegeschil van de vraag of dwangsommen zijn verbeurd, dient plaats te vinden door een toetsing van de handelingen die ter uitvoering van het veroordelend vonnis zijn verricht aan de inhoud van de veroordeling, zoals deze door uitleg moet worden vastgesteld. Bij die uitleg dient de rechter het doel en de strekking van de veroordeling tot richtsnoer te nemen, in die zin dat de veroordeling niet verder strekt dan tot het bereiken van het daarmee beoogde doel (HR 23 februari 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ3085, 3.3). Het dictum van de uitspraak dient te worden uitgelegd met inachtneming van de overwegingen die tot die beslissing hebben geleid (HR 4 maart 2016, ECLI:NL:HR:2016:369, 3.4).
3.6
Zoals het Gerecht ook heeft overwogen, bevat 5.3 van het dwangsomvonnis de zinsnede “in overeenstemming met de beslissing”. Blijkens de omschrijving van hetgeen “de beslissing” kan inhouden aan het begin van 5.3 van het dwangsomvonnis, verwijst de term “de beslissing” in die zinsnede naar twee beslissingen, namelijk de beslissing als bedoeld in 5.1 van het dwangsomvonnis (op het verzoek om bestemmingswijziging) en de beslissing als bedoeld in 5.2 van het dwangsomvonnis (op het verzoek om verlenging van het recht van erfpacht). Dit wijst erop dat het bevel onder 5.3 uitsluitend erop ziet dat het Land alle medewerking moet verlenen aan het verlijden van een akte van vestiging, indien die akte geheel in overeenstemming is met die twee beslissingen, dus inclusief de voorwaarden die het Land bij het nemen van die beslissingen heeft verbonden aan zijn medewerking aan de bestemmingswijziging en verlenging. Het Land is dus niet bevolen om beslissingen met een bepaalde inhoud te geven en evenmin om te onderhandelen. Hierop wijst ook dat onder 5.1 en 5.2 van het dwangsomvonnis gesproken wordt van “beslissing nemen” (en niet van “overeenkomst sluiten”).
3.7
Uit de overwegingen van het dwangsomvonnis leidt het Hof af dat aan de dwangsomrechter niet het scenario is voorgelegd dat het Land aan toewijzende beslissingen als bedoeld onder 5.1 en 5.2 van het dwangsomvonnis voorwaarden zou verbinden die onredelijk zijn, of strijd opleveren met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, of een ontoelaatbare inmenging inhouden in het beschikkingsrecht van [appellant]. Daarover heeft de dwangsomrechter niets overwogen. Dat is een aanwijzing dat de dwangsomrechter onder 5.1 en 5.2 van het dwangsomvonnis het Land slechts heeft bevolen tijdig beslissingen te nemen zonder enig bevel te geven over de inhoud van de te nemen beslissingen en de daaraan te verbinden voorwaarden. Daarmee strookt ook dat onder 5.1 en 5.2 van het dwangsomvonnis het bevel telkens luidt om “een” beslissing te nemen.
3.8
Uit de overwegingen van het dwangsomvonnis leidt het Hof verder af dat aan de dwangsomrechter niet het scenario is voorgelegd dat [appellant] bezwaar zou hebben tegen voorwaarden die het Land zou verbinden aan toewijzende beslissingen als bedoeld onder 5.1 en 5.2 van het dwangsomvonnis. Ook daarover heeft de dwangsomrechter niets overwogen. Dat is een aanwijzing dat de dwangsomrechter het Land niet heeft bevolen om naar aanleiding van een dergelijk bezwaar in overleg te treden.
3.9
Doel en strekking van de bevelen was kennelijk slechts om het Land tot een bepaalde mate van voortvarendheid te dwingen. Dat wijst er ook op dat de dwangsomrechter niet heeft bedoeld het Land te dwingen om beslissingen van een bepaalde inhoud te nemen of om naar aanleiding van bezwaren van [appellant] te onderhandelen.
3.1
Ook voor het overige zijn er geen aanwijzingen dat de dwangsomrechter het Land heeft bevolen om beslissingen met een bepaalde inhoud te nemen of om met [appellant] in overleg te treden.
3.11
Niet is gesteld of gebleken dat het Land heeft geweigerd medewerking te verlenen aan het verlijden van een akte waarbij het recht van erfpacht zou worden verlengd met opneming van erfpachtvoorwaarden die in overeenstemming zijn met het contract. Daarom kan niet worden gezegd dat het Land niet heeft voldaan aan het onder 5.3 van het dwangsomvonnis gegeven bevel. Het Hof verenigt zich met het oordeel van het Gerecht dat het Land geen dwangsommen heeft verbeurd.
3.12
Met het voorgaande is niets gezegd over de vraag of de voorwaarden die het Land aan de toewijzende beslissingen als bedoeld onder 5.1 en 5.2 van het dwangsomvonnis heeft verbonden, onredelijk zijn, of strijd opleveren met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, of een ontoelaatbare inmenging inhouden in het beschikkingsrecht van [appellant]. Evenmin is iets gezegd over de vraag of van het Land kan worden gevergd dat het in overleg treedt met [appellant].
Ook is met het voorgaande niet gezegd dat [appellant] gehouden is het contract te ondertekenen of zich neer te leggen bij de beslissingen van het Land. Het enige wat geoordeeld wordt, is dat het Land geen dwangsommen heeft verbeurd.
Het is ook niet nodig om in dit kort geding over die andere vragen te oordelen, omdat in dit kort geding uitsluitend de vordering van het Land aan de orde is en de toewijsbaarheid van die vordering niet afhangt van het antwoord op die andere vragen. Hetgeen [appellant] in haar pleitnota in hoger beroep heeft gesteld over latere procedures tussen [appellant] en het Land is evenmin van belang.
3.13
Aangezien het Land geen dwangsommen heeft verbeurd, is er geen rechtsgrond voor [appellant] om door middel van executiemaatregelen dwangsommen te innen. Het Gerecht heeft [appellant] dan ook terecht verboden om dergelijke executiemaatregelen te treffen.
3.14
Het hoger beroep faalt. Het vonnis waarvan beroep dient te worden bevestigd. [appellant] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van het hoger beroep.
B E S L I S S I N G
Het Hof:
bevestigt het vonnis waarvan beroep;
veroordeelt [appellant] in de kosten van het hoger beroep, aan de zijde van het Land gevallen en tot op heden begroot op Afl. 2.000,00 aan salaris voor de gemachtigde.
Dit vonnis is gewezen door mrs. E.M. van der Bunt, G.C.C. Lewin en C.J.H.G. Bronzwaer, leden van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba en ter openbare terechtzitting van het Hof in Aruba uitgesproken op 9 december 2025 in tegenwoordigheid van de griffier.