ECLI:NL:OGHACMB:2025:316

Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba

Datum uitspraak
18 november 2025
Publicatiedatum
8 januari 2026
Zaaknummer
CUR2024H00190
Instantie
Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Intrekking hoger beroep in kort geding tussen familieleden met proceskostencompensatie

In deze zaak, die zich afspeelt in het kader van een kort geding, heeft [appellante] hoger beroep ingesteld tegen een vonnis van het Gerecht in eerste aanleg van Curaçao, waarin haar vorderingen werden afgewezen. Op 5 november 2025 heeft [appellante] echter laten weten geen belang meer te hebben bij een beslissing in deze zaak en heeft zij het hoger beroep ingetrokken. Het Hof heeft vervolgens besloten dat de proceskosten tussen de betrokken partijen, die bloedverwanten zijn, worden gecompenseerd. De zaak betreft een handelsgeschil dat ook een familierechtelijk aspect heeft, aangezien het gaat om de afwikkeling van de nalatenschap van de vader van [appellante]. Het Hof heeft geoordeeld dat, hoewel de procedure een handelszaak betreft, de familiale relatie tussen de partijen een belangrijke rol speelt in de beslissing over de proceskosten. Het Hof heeft de proceskosten voor de zijde van United toegewezen aan [appellante], omdat zij als in het ongelijk gestelde partij wordt beschouwd. De uitspraak is gedaan door het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba op 18 november 2025.

Uitspraak

Burgerlijke zaken over 2025
Zaaknummers: CUR202401778 – CUR2024H00190
Uitspraak: 18 november 2025
GEMEENSCHAPPELIJK HOF VAN JUSTITIE
van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en
van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
V O N N I S
in kort geding
in de zaak van:
[appellante],
wonend in [woonplaats],
in eerste aanleg eiseres,
thans appellante,
gemachtigden: mrs. T. Aardenburg en S.M.A. Gonzales,
tegen

1. de naamloze vennootschap GLORINVEST N.V.,

gevestigd in Curaçao,
gemachtigden: mrs. R.F. van den Heuvel en M.M.W. Sagis,

2. de naamloze vennootschap UNITED INTERNATIONAL TRUST N.V.,

gevestigd in Curaçao,
gemachtigden: mrs. R.F. van den Heuvel en M.M.W. Sagis,

3. [geїntimeerde 3],

wonend in [woonplaats],
gemachtigde: mr. P.M. Noordhoek,

4. [geїntimeerde 4],

wonend in [woonplaats],
gemachtigde: mr. P.M. Noordhoek,
in eerste aanleg gedaagden,
thans geïntimeerden.
Partijen worden hierna [appellante4], Glorinvest, United, moeder en [geïntimeerde 4] genoemd. Geïntimeerden gezamenlijk worden aangeduid als Glorinvest c.s.

1.De zaak in het kort

Tussen partijen is een procedure (kort geding) aanhangig geweest bij het Gerecht. Het Gerecht heeft de vorderingen van [appellante] afgewezen. Van het vonnis is [appellante] in hoger beroep gekomen. Na stukkenwisseling heeft zij op 5 november 2025 laten weten geen belang meer te hebben bij een beslissing in deze zaak en om die reden het hoger beroep in te trekken.
Het Hof verstaat daarom dat het hoger beroep is ingetrokken en geeft een beslissing over de proceskosten.
2.
Het verloop van de procedure
2.1
Bij op 2 augustus 2024 ingekomen akte van appel is [appellante] in hoger beroep gekomen van het tussen partijen gewezen en op 12 juli 2024 uitgesproken vonnis in kort geding van het Gerecht in eerste aanleg van Curaçao.
2.2
Bij op 26 augustus 2024 ingekomen memorie van grieven (met vier producties) heeft [appellante] twee grieven tegen het vonnis aangevoerd en toegelicht. Haar conclusie strekt ertoe dat het Hof het vonnis van 12 juli 2024 zal vernietigen en haar vorderingen alsnog zal toewijzen met veroordeling van Glorinvest c.s. in de kosten van de procedure in beide instanties.
2.3
Bij op 25 september 2024 ingekomen memorie van antwoord (met een productie) hebben Glorinvest en United de grieven bestreden. Hun conclusie strekt ertoe dat het Hof het vonnis zal bevestigen en [appellante] zal veroordelen in de proceskosten in beide instanties.
2.4
Bij op 26 september 2024 ingekomen memorie van antwoord (met vier producties) hebben moeder en [geїntimeerde] de grieven bestreden. Hun conclusie strekt ertoe dat het Hof het vonnis zal bevestigen en [appellante] zal veroordelen in de proceskosten in beide instanties, vermeerderd met de wettelijke rente.
2.5
Per mail van 20 februari 2025 heeft [appellante] aanvullend de producties E en F in het geding gebracht.
2.6
Per mail van 21 februari 2025 hebben Glorinvest en United aanvullende producties 2 en 3 in het geding gebracht.
2.7
Op de daarvoor bepaalde dag hebben [appellante] en Glorinvest/United pleitnotities ingediend.
2.8
Het Hof heeft een mondelinge behandeling bepaald op 12 november 2025. Daaraan voorafgaand, namelijk op 5 november 2025, heeft [appellante] laten weten geen belang meer te hebben bij een uitspraak. De mondelinge behandeling is daarom, met instemming van Glorinvest, United, moeder en [geїntimeerde], niet doorgegaan. Vonnis is bepaald op vandaag.

3.De beoordeling door het Hof

3.1
De advocaat van [appellante] heeft op 5 november 2025 aan het Hof geschreven:
Cliënte heeft, door het verloop van de tijd, geen belang meer bij voortzetting van deze kortgedingprocedure.
Het geschil is ook voorgelegd aan de bodemrechter die inmiddels uitspraak heeft gedaan, waartegen hoger beroep is ingesteld.
De zaak kan wat cliënte betreft worden ingetrokken en de behandeling op 12 november a.s. hoeft geen doorgang te vinden.
Voor zover nog een proceskostenveroordeling mocht volgen, verzoekt cliënte uw Hof, net zoals het GEA in eerste aanleg heeft gedaan, de proceskosten te compenseren overeenkomstig artikel 60 lid 1 Rv, nu het gaat om een dispuut tussen familieleden (moeder en zoon tegen dochter/zus).
3.2
De advocaat van moeder en [geїntimeerde] heeft daarop als volgt gereageerd:
(…) In reactie daarop heeft appellante aangegeven enkel bereid te zijn dit hoger beroep in te trekken indien alle partijen hun eigen kosten dragen.
Geïntimeerden [geїntimeerde 3] en [geїntimeerde 4] kunnen niet instemmen met een dergelijke kostencompensatie. Appellante heeft er – ondanks het afwijzende vonnis in eerste aanleg – zelf voor gekozen om hoger beroep in te stellen en voort te zetten, waardoor geïntimeerden (wederom) genoodzaakt zijn geweest aanzienlijke juridische kosten te maken ter verweer. Daar komt bij dat appellante ook meerdere procedures in andere jurisdicties heeft aangespannen tegen geïntimeerden [geїntimeerde 3] en [geїntimeerde 4], kennelijk met als doel geïntimeerden [geїntimeerde 3] en [geїntimeerde 4] zoveel mogelijk op kosten te jagen.
Voor zover appellante beoogt eenzijdig afstand van instantie te doen of de zaak te laten doorhalen, merk ik op grond van artikel 208 lid 3 Rv afstand van instantie, indien reeds verweer is gevoerd – zoals hier het geval is – slechts mogelijk is met instemming van de gedaagde partij. Die instemming is niet verleend. Doorhaling op de rol ex artikel 206 lid 1 Rv vereist eveneens instemming van beide partijen. Eenzijdige intrekking zonder kostenveroordeling is in deze procesfase derhalve juridisch niet toelaatbaar.
Voor zover appellante zich beroept op artikel 60 lid 1 Rv ter onderbouwing van het verzoek tot kostencompensatie, merk ik ook nog op dat dit wetsartikel enkel toepassing vindt in zaken van familierechtelijke aard. Daarvan is in casu geen sprake. De onderhavige kortgedingprocedure betreft een zakelijk geschil over de ontruiming van een appartement dat eigendom is van een vennootschap (Glorinvest N.V.) en dat speelt binnen het kader van een aandeelhoudersgeschil en vennootschapsrechtelijke context. Dat partijen tevens in familierechtelijke zin verwant zijn, maakt dit niet tot een familierechtelijke zaak in de zin van artikel 60 Rv. Ook om die reden ontbeert het verzoek tot kostencompensatie een wettelijke grondslag.
Kortom, geïntimeerden zijn bereid in te stemmen met beëindiging van het appel, mits deze plaatsvindt onder toekenning van een proceskostenveroordeling aan de zijde van appellante, conform het geldende liquidatietarief en overeenkomstig de artikelen 208 lid 2 en 4 Rv.
3.3
De gemachtigde van Glorinvest en United heeft laten weten een proceskostenvergoeding juist te achten.
3.4
Uit de hiervoor opgenomen correspondentie blijkt dat [appellante] geen belang meer heeft bij voortzetting van de procedure en dat hoger beroep daarom intrekt.
3.5
Art. 60 lid 1 Rv maakt ‘
tussen echtgenoten of andere levensgezellen, bloedverwanten in de rechte linie, broers en zussen of aangehuwden in dezelfde graad’ ter discretie van de rechter compensatie van proceskosten mogelijk. Een dergelijke compensatie is in de praktijk van de rechtspraak ook min of meer gebruikelijk. De meest aannemelijke verklaring voor de regel van art. 60 lid 1 Rv en de bedoelde praktijk is de overweging dat het in het algemeen onwenselijk is dat een kostenveroordeling in de weg staat aan verzoening tussen de strijdende partijen die in de bedoelde (familie)relatie tot elkaar staan of hebben gestaan. Een beperking tot zaken die familierechtelijk van aard zijn, bevat art. 60 lid 1 Rv niet. Proceskostencompensatie op grond van bloed- of aanverwantschap is dus ook in ‘handelszaken’ mogelijk.
3.6
De onderhavige zaak is een handelszaak. Het gaat immers om het ontslag van [appellante] als bestuurder van Glorinvest. Zoals de eerste rechter met juistheid heeft overwogen (rov. 4.1) gaat het echter in de kern om de afwikkeling van de nalatenschap van de vader van [appellante] en dan in het bijzonder om (het gebruik en de verkoop van) het appartement in Monaco. Als gevolg van het feit dat dit appartement is ondergebracht in een (offshore)vennootschap (Glorinvest), wordt het geschil ook langs vennootschappelijke weg uitgevochten. Overheersend in het geschil is dan ook de familierelatie tussen moeder, [geїntimeerde] en [appellante]. Gelet op dit overheersende familiale aspect van de zaak is compensatie van proceskosten tussen hen ook in hoger beroep aangewezen.
3.6
Voor Glorinvest ligt het niet wezenlijk anders. Weliswaar worden rechtspersonen niet genoemd in artikel 60 lid 1 Rv, maar Glorinvest is feitelijk niet meer dan een verlengstuk van moeder, [geїntimeerde] en [appellante] in hun onderlinge strijd: zij zijn immers gedrieën aandeelhouder. Ten behoeve van de beslissing over de proceskosten brengt redelijke uitleg van artikel 60 lid 1 Rv mee dat in een dergelijk geval de rechtspersoon op één lijn gesteld mag worden met de natuurlijke personen.
3.7
Van United is niet meer bekend dan dat zij bestuurder is van Glorinvest. Dat moeder, [geїntimeerde] en [appellante] ook aandeelhouders zijn van United blijkt niet. United kan daarom niet op één lijn gesteld worden met de natuurlijke personen [appellante], [geїntimeerde] en moeder. [appellante] wordt daarom wel veroordeeld in de proceskosten van United nu [appellante], gegeven de beslissing haar niet-ontvankelijk te verklaren, moet worden beschouwd als de in het ongelijk gestelde partij. Omdat Glorinvest en United in de processtukken gezamenlijk zijn opgetreden worden die kosten begroot op de helft van de te liquideren kosten en wel als volgt:
- verschotten Cg 193,26 (0,5 x Cg 386,50, betekening memorie van antwoord)
- salaris advocaat Cg 1.500 (0,75 punt tarief 5 à Cg 2.000 per punt).
B E S L I S S I N G
Het Hof:
Verstaat dat het hoger beroep door [appellante] is ingetrokken;
compenseert de proceskosten tussen [appellante], [geїntimeerde], moeder en Glorinvest in die zin dat elke partij de eigen kosten draagt;
veroordeelt [appellante] in de kosten van de procedure aan de zijde van United en begroot deze op Cg 193,26 aan verschotten en Cg 1.500,- aan salaris advocaat, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf de vijftiende dag na dit vonnis;
verklaart dit vonnis ten aanzien van de uitgesproken proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad;
wijst af wat meer of anders is gevorderd.
Dit vonnis is gewezen door mrs. E.M. van der Bunt, W.P.M. ter Berg en E.P. van Unen, leden van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba en ter openbare terechtzitting van het Hof in Curaçao uitgesproken op 18 november 2025 in tegenwoordigheid van de griffier.