Uitspraak
[eiser 1],
Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
In deze zaak vorderen CC c.s. de herroeping van het vonnis van 17 mei 2023 waarbij hun betalingsverplichting aan Nagico werd bevestigd. Zij baseren hun vordering op vermeend bedrog door Nagico, met name over de rechtsgeldigheid van een Pledge en de toepasselijkheid van de General Counter Indemnity.
Het Hof stelt vast dat de gronden waarop CC c.s. de herroeping baseren reeds in de eerdere procedure aan de orde zijn gesteld en door het Hof zijn meegewogen. Er is geen sprake van nieuwe feiten of bewijs dat na het vonnis is ontdekt. Ook is geen bedrog in de zin van artikel 382 Rv Pro bewezen.
De stelling dat Nagico een e-mail over de rechtsgeldigheid van de Pledge bewust zou hebben verzwegen, wordt verworpen omdat het Hof de volledige e-mail reeds kende. De vordering tot herroeping wordt daarom afgewezen en CC c.s. worden veroordeeld in de proceskosten.
De beslissing bevestigt de kracht van gewijsde van het eerdere vonnis en benadrukt dat een herroeping geen verkapt cassatieberoep mag zijn.
Uitkomst: De vordering tot herroeping van het vonnis wordt afgewezen en CC c.s. worden veroordeeld in de proceskosten.