2.4Beoordeling door het Hof
2.4.1De in reconventie gevorderde vernietiging van het convenant heeft tot gevolg dat de in conventie op grond van het convenant gevorderde medewerking van de man aan levering van de woning aan de vrouw niet toewijsbaar is. Vanwege deze samenhang zal het Hof de conventie en de reconventie gezamenlijk behandelen.
Benadeling voor meer dan een vierde en vernietiging op die grond (grieven 1 t/m 5)
2.4.2Volgens artikel 3:196 BW is een verdeling vernietigbaar wanneer een deelgenoot omtrent de waarde van een of meer van de te verdelen goederen heeft gedwaald en daardoor voor meer dan een vierde is benadeeld, wordt dwaling voorondersteld wanneer zodanige benadeling is bewezen, en worden om te beoordelen of benadeling heeft plaatsgehad de goederen en schulden geschat naar hun waarde op het tijdstip van de verdeling, waarbij goederen die onverdeeld zijn gelaten niet worden meegerekend.
2.4.3Uit deze wetsbepaling, gelezen in het licht van art. 129 Rv, vloeit voort dat de man gemotiveerd diende te stellen dat hij door de gehele in het convenant afgesproken verdeling, exclusief de buiten de verdeling gehouden goederen, voor meer dan een vierde is benadeeld, en de juistheid van deze stelling bij betwisting door de vrouw diende te bewijzen. De man heeft ten aanzien van zijn benadeling slechts gesteld, en enigszins aannemelijk gemaakt (zie 2.1.4 hierboven), dat de waarde van de aan de vrouw toebedeelde woning in 2021 meer dan NAf 340.000 bedroeg. Ten aanzien van de andere boedelbestanddelen heeft hij slechts gesuggereerd dat de aan de vrouw toebedeelde goederen en zaken meer waard waren dan die welke aan hem zijn toebedeeld maar hij heeft dit niet aannemelijk gemaakt, laat staan tegenover de (noodzakelijkerwijs beknopte) betwisting door de vrouw bewezen. Aannemelijk is dat de vrouw, gelet op de feiten die hiervoor onder 2.1.6, 2.1.7 en 2.1.8 zijn vastgesteld, ten aanzien van andere boedelbestanddelen dan de woning is benadeeld. Daardoor is te minder aannemelijk is dat enige benadeling van de man meer dan een vierde heeft bedragen. De man heeft ook niet geconcretiseerd in hoeverre hij door de verdeling van de belastingschulden en
-teruggaven is benadeeld. De man heeft tot slot in strijd met art. 3:196 lid 3 tweede volzin BW de afspraak van partijen om de opgebouwde pensioenrechten niet te verdelen als benadeling aangemerkt, ook dit overigens zonder zelfs maar bij benadering de omvang van de benadeling te specificeren. Hetzelfde geldt voor de contante waarde van de levensverzekeringen die partijen volgens de man hebben gesloten, waarvan alleen aanvraagformulieren zijn overgelegd, geen polissen.
2.4.4De beslissing van het Gerecht tot vernietiging van de verdeling op de grondslag van art. 3:196 BW kan niet in stand blijven. De grieven slagen.
2.4.5Deze beslissing brengt mee dat de andere door de man gestelde gronden voor vernietiging van of niet-gebondenheid aan de verdeling moeten worden beoordeeld.
Wilsonbekwaamheid van de man
2.4.6De man heeft gesteld dat hij, zoals hij het op de zitting formuleerde, “niet zichzelf” was toen hij het convenant ondertekende. Daargelaten of zulk een gemoedstoestand in zijn algemeenheid wilsonbekwaamheid kan meebrengen, rust op de man de last om gemotiveerd te stellen en bij betwisting door de vrouw te bewijzen dat dit in concreto het geval was. De vrouw heeft deze stelling betwist, en dat kon en hoefde ook hier slechts beknopt. Het enige bewijs dat de man heeft ingebracht is de verklaring van zijn huisarts van 8 december 2021. Deze verklaring geeft weer wat de man aan de huisarts als klachten heeft gemeld. Een voldoende onderbouwing van de stelling van de man dat zijn werkelijke wil niet overeenstemde met wat in het convenant staat en hij heeft ondertekend, levert deze verklaring niet op, laat staan bewijs. Dat de vrouw dit wist of had moeten begrijpen, heeft de man evenmin aannemelijk gemaakt.
Wilsgebreken en vernietigingsgronden
2.4.7De vernietigingsgronden waarop de man zich ook heeft beroepen: bedrog, dwaling (in de meer algemene dan de hiervoor onder 2.4.3 bedoelde zin) en misbruik van omstandigheden hebben gemeen dat voor een geslaagd beroep erop door de man enig handelen of nalaten van de vrouw vereist is dat het wilsgebrek van de man heeft veroorzaakt.
2.4.7.1 Voor een geslaagd beroep op bedrog (art. 3:44 lid 3 BW) is vereist dat de vrouw de man tot het afspreken van de verdeling heeft bewogen door opzettelijk onjuiste mededelingen, verzwijgen van een feit dat zij verplicht was hem mee te delen, of een andere kunstgreep. Daarvan is niet gebleken.
De man kende het taxatierapport uit 2018 toen in 2021 de afspraken over de verdeling werden gemaakt en had zichzelf beter kunnen informeren over de actuele waarde van de woning alvorens het convenant te tekenen. Het taxatierapport van 2022 dateert van daarna. De man heeft geen aanwijzingen geleverd waaruit zou kunnen volgen dat de vrouw, anders dan hij, in 2021 zeker was van een veel hogere waarde van de woning dan volgt uit de taxatie van 2018.
Dat de vrouw met de destijds gezamenlijke advocaat van partijen onder één hoedje zou hebben gespeeld en de man een bewust onjuist of onvolledig convenant zou hebben voorgelegd, is slechts gesteld maar niet aannemelijk gemaakt, laat staan bewezen. Uit de verklaring van die advocaat (productie 12 van de vrouw) blijkt het tegendeel. Zij heeft de man op haar kantoor uitgenodigd om het eerder (in een eerste en gecorrigeerde, tweede concept-versie) toegezonden convenant te ondertekenen, wat hij pas heeft gedaan nadat de advocaat hem uitleg van de bepalingen had gegeven en had gevraagd of hij het had begrepen.
2.4.7.2 Voor een geslaagd beroep op dwaling (art. 6:228 BW) is vereist dat deze te wijten is aan inlichtingen - of het achterwege laten daarvan - door de vrouw, waarvan zij wist dat ze voor de man essentieel waren voor de beslissing om het convenant te sluiten. Daarover heeft de man (naast hetgeen hiervoor onder 2.4.3 en 2.4.7.1 reeds is beoordeeld) onvoldoende gesteld en er is niet van gebleken.
2.4.7.3 Voor een geslaagd beroep op misbruik van omstandigheden (art. 3:44 lid 4 BW) is vereist dat de vrouw de man ertoe heeft bewogen het convenant te tekenen terwijl zij dat, vanwege de haar bekende abnormale geestestoestand van de man, niet had mogen doen. Uit hetgeen hiervoor onder 2.4.6 is overwogen, volgt dat op grond van hetgeen de man heeft gesteld en bewezen niet kan worden vastgesteld dat de man zozeer ‘de weg kwijt was’ dat hij niet wist en kon begrijpen wat hem werd voorgelegd en hij tekende. Dat de vrouw de man, met die abnormale geestestoestand bekend, niettemin tot ondertekening heeft bewogen, kan dan al helemaal niet worden vastgesteld.
Slotsom ten aanzien van het convenant (grief 7)
2.4.8Zoals reeds overwogen en beslist onder 2.4.4: de vernietiging van bepalingen uit het convenant kan niet in stand blijven. In zoverre wordt het vonnis van het Gerecht vernietigd. Nu het convenant in stand blijft, is de man ook wat betreft zijn medewerking aan levering van de woning aan de vrouw verplicht het na te komen, wat hij reeds lange tijd heeft verzuimd. De daartoe strekkende vorderingen van de vrouw in conventie worden toegewezen zoals hierna in het dictum te formuleren, waarbij de termijn is afgestemd op de redelijkerwijs te verwachten duur van de levering van de woning aan de vrouw.
De lasten en revenuen van de woning (grief 6)
2.4.9Het ontslag van de man uit zijn hoofdelijke betalingsverplichting jegens de bank (zie 2.1.3) heeft niet tot gevolg dat hij jegens de vrouw is ontslagen uit zijn verplichting om de helft van de eigenaarslasten, waaronder aflossing en rente op de hypoheek, te betalen. Deze verplichting vloeit voort uit de (ontbonden) gemeenschap van goederen en de afspraken tussen partijen zoals neergelegd in de artikelen 2.7 en 2.9 van het convenant. Dat de man al sinds eind 2020 de woning niet gebruikt, doet aan deze betalingsverplichting niet af, mede omdat de situatie dat de vrouw de woning weliswaar alleen gebruikt maar er geen exclusief zakelijk recht op heeft, is veroorzaakt door de keuze van de man om er niet aan mee te werken dit recht te vestigen. Hier staat tegenover dat de revenuen van de woning, in de zin van het feitelijk gebruik (dat de kosten van alternatieve huisvesting bespaart) respectievelijk de huuropbrengsten, geheel aan de vrouw ten goede komen vanaf de datum van het vertrek van de man tot die van levering van de woning aan de vrouw, terwijl de man jegens de vrouw recht heeft op betaling van de helft van die revenuen.
2.4.10Bij gebreke van informatie over de omvang van de huuropbrengsten en van actuele informatie over de lasten, zal het Hof de eigenaarslasten en de revenuen over de genoemde periode begroten door schatting, aldus dat zij nagenoeg gelijk zijn en tegen elkaar wegvallen, in overeenstemming met wat de man in reconventie subsidiair vordert. Die vordering wordt dus toegewezen. Verschuldigdheid van wettelijke rente over de vorderingen over en weer is door deze beslissing niet meer aan de orde.
2.4.11De door de man gevraagde verbetering van het vonnis van het Gerecht dient in het licht van de voorgaande overwegingen en beslissingen geen doel, en wordt niet gegeven.
2.2.11Gelet op de relatie tussen partijen zal het Hof, net als het Gerecht, de proceskosten geheel compenseren aldus dat elk van partijen de eigen kosten draagt.
vernietigt het tussen partijen gewezen en 4 september 2023 uitgesproken vonnis van het Gerecht in eerste aanleg van Curaçao en, opnieuw recht doende:
veroordeelt de man om binnen twee maanden na de uitspraak van dit vonnis zijn medewerking te verlenen aan levering aan de vrouw van de woning staande en gelegen aan [adres] te Curaçao;
bepaalt dat, indien de man deze medewerking niet binnen deze termijn verleent, dit vonnis in de plaats zal treden van die medewerking en van hetgeen verder voor die levering van de zijde van de man vereist is, met name zijn wilsverklaring en handtekening;
verklaart voor recht dat het de door de man aan de vrouw verschuldigde deel eigenaarslasten van de woning is verrekend met de door de vrouw ter zake aan de man verschuldigde gebruiksvergoeding;
compenseert de proceskosten.
Dit vonnis is gewezen door mrs. J. de Boer, W.P.M. ter Berg en E.P. van Unen, leden van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba en ter openbare terechtzitting van het Hof in Curaçao uitgesproken op 18 november 2025 in tegenwoordigheid van de griffier.