ECLI:NL:OGHACMB:2025:321

Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba

Datum uitspraak
18 november 2025
Publicatiedatum
8 januari 2026
Zaaknummer
CUR2023H00284
Instantie
Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep inzake de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap na echtscheiding

In deze zaak gaat het om een hoger beroep van een vrouw tegen een vonnis van het Gerecht in eerste aanleg van Curaçao, waarin de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap na echtscheiding werd behandeld. De vrouw was in hoger beroep gekomen van een vonnis dat op 4 september 2023 was uitgesproken. In het vonnis werd de man veroordeeld tot betaling van een gebruiksvergoeding en werd de vrouw in haar vorderingen afgewezen. De vrouw voerde zeven grieven aan, waaronder dat de man meer dan een vierde benadeeld was bij de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap. Het Hof oordeelde dat de man niet voldoende had aangetoond dat hij benadeeld was en vernietigde het vonnis van het Gerecht. Het Hof oordeelde dat de man zijn medewerking moest verlenen aan de levering van de woning aan de vrouw en dat de proceskosten gecompenseerd moesten worden. De uitspraak werd gedaan op 18 november 2025.

Uitspraak

Burgerlijke zaken over 2025
Zaaknummers: CUR202201624 – CUR2023H00284
Uitspraak: 18 november 2025
GEMEENSCHAPPELIJK HOF VAN JUSTITIE
van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en
van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
V O N N I S
in de zaak van:
[appellante],
wonend in [woonplaats],
in eerste aanleg eiseres in conventie, verweerster in reconventie,
thans appellante,
gemachtigde: mr. A.S.M. Blonk,
tegen
[geїntimeerde],
wonend in [woonplaats],
in eerste aanleg gedaagde in conventie, eiser in reconventie,
thans geïntimeerde,
gemachtigde: mr. M.M. Bloem.
Partijen worden hierna de vrouw en de man genoemd.
De zaak in het kort
Partijen is bij echtscheidingsbeschikking bevolen de huwelijksgoederengemeenschap te verdelen overeenkomstig het door hen gesloten convenant. Het Gerecht heeft bij vonnis de toepasselijke bepalingen van het convenant vernietigd op de grondslag van art. 3:196 lid 2 BW: de man is bij de overeengekomen verdeling voor meer dan een vierde benadeeld. Het Hof vernietigt het vonnis omdat die benadeling niet voldoende gemotiveerd is gesteld, laat staan bewezen.

1.Het verloop van de procedure

1.1
Bij op 16 oktober 2023 ingekomen akte van appel is de vrouw in hoger beroep gekomen van het tussen partijen gewezen en op 4 september 2023 uitgesproken vonnis van het Gerecht in eerste aanleg van Curaçao.
1.2
Bij op 27 november 2023 ingekomen memorie van grieven, met producties, heeft de vrouw zeven grieven tegen het vonnis aangevoerd en toegelicht. Haar conclusie strekt ertoe dat het Hof het vonnis zal vernietigen en, opnieuw recht doende, de vorderingen van de vrouw zal toewijzen, met veroordeling van de man in de proceskosten in beide instanties.
1.3
Bij op 29 januari 2024 ingekomen memorie van antwoord, met producties, heeft de man de grieven van de vrouw bestreden en verzocht het vonnis van het Gerecht met verbetering van enkele kennelijke fouten te bevestigen, en de vrouw te veroordelen in zijn volledige proceskosten.
1.4
Op 18 juni 2024 hebben beide partijen pleitnota’s, met producties, ingediend. Op 27 augustus 2024 hebben beide partijen een akte uitlating producties genomen.
1.6
De man heeft bij akte van 31 oktober 2025 en de vrouw bij akte van 3 november 2025 producties overgelegd.
1.7
De mondelinge behandeling door het Hof heeft plaatsgevonden op de zitting van 5 november 2025. Beide partijen zijn met hun gemachtigden verschenen en hebben vragen van het Hof beantwoord.

2.De beoordeling

2.1
Feiten
Tegen de vaststelling van de feiten door het Gerecht zijn geen grieven gericht en het Hof heeft er geen bedenkingen bij. Voor de leesbaarheid van dit vonnis herhaalt het Hof het volgende.
2.1.2
Tussen partijen, gehuwd in 2008, is op gezamenlijk verzoek de echtscheiding uitgesproken bij beschikking van 8 juni 2021, waarin ook is bevolen de ontbonden huwelijksgoederengemeenschap te verdelen overeenkomstig het bij het verzoekschrift gevoegde convenant, door partijen ondertekend op 23 april 2021. Het convenant bevat onder meer de volgende bepalingen:
2.3
De woning (…) zal aan[
de vrouw]
worden toebedeeld; partijen zullen er zorg voor dragen, dat de hoofdelijke aansprakelijkheid voor de aflossing van de hypotheek (…) van[
de man]
zal worden verwijderd bij de bank.
2.4
De woning is belast met een geldschuld onder hypothecair verband bij[
de bank]
voor een totaalbedrag van Naf 272.000,-. De woning heeft thans een marktwaarde van Naf 340.000,-
2.5
Partijen komen overeen dat de woning zal worden toebedeeld aan[
de vrouw]
.[
De man]
doet onherroepelijk en volledig afstand van de (…) woning en (…) van de overbedeling op de woning (…).
2.6 [
[
De man]
zal zijn medewerking verlenen dat de (…) woning binnen drie maanden na de inschrijving van de (…) echtscheidingsbeschikking wordt toegescheiden aan[
de vrouw]
, onder de voorwaarde dat hij zal worden ontslagen uit de hoofdelijke aansprakelijkheid met betrekking tot de hypothecaire geldlening.[
De man]
zal zijn medewerking aan verlenen dat de woning zal worden geregistreerd, uitsluitend ten name van[
de vrouw]
.
2.9
Alle lasten, samenhangend met het gebruik en het eigendom van de woning, zijn met ingang van de datum waarop de woning notarieel wordt geleverd aan[
de vrouw]
voor uitsluitende rekening van[
de vrouw]
.
2.12
Partijen verklaren dat zij voor het opstellen van dit convenant elkaar omstandig opgave hebben gedaan van al hun eventuele gemeenschappelijke of onverdeelde roerende goederen (…). Deze goederen en huisraad uit de gemeenschappelijke boedel zijn reeds in onderling overleg tussen partijen verdeeld (…)
2.14
De auto (…) Nissan wordt toebedeeld aan de vrouw. De auto (…) Lexus wordt toebedeeld aan de aan de man.
4.1
Partijen doen over en weer onherroepelijk en volledig afstand van de voor en tijdens het huwelijk opgebouwde rechten op partnerpensioen (…).
5.1
De eventueel nog te betalen belastingen over (…) 2020 en/of eerdere jaren, worden betaald door c.q. komen toe aan die partij aan wie de desbetreffende belastingen kunnen worden toegerekend.
5.2
De nog te ontvangen belastingen c.q. teruggave (…) over eerdere jaren tot en met 2020, zal aan partijen ieder voor de helft worden betaald.
10.1
Partijen verklaren hierbij dat, behoudens met betrekking tot de rechten en verplichtingen genoemd in dit convenant, zij niets van elkaar te vorderen hebben en elkaar algehele en finale kwijting verlenen.
2.1.3
De bank heeft de man ontslagen uit zijn hoofdelijke verplichting tot betaling van de hypotheekschuld.
2.1.4
Er is een taxatierapport van de echtelijke woning van 18 juni 2018 waarin de waarde wordt bepaald op NAf 340.000. Er is een taxatierapport van 22 augustus 2022 waarin deze waarde wordt bepaald op NAf 375.000.
Op grond van de na het vonnis van het Gerecht gewisselde stukken, overgelegde producties en afgelegde verklaringen, voor zover niet weersproken, staat voorts het volgende vast.
2.1.5
De man is op 27 december 2020 uit de echtelijke woning vertrokken, de vrouw is daar toen met het kind van partijen blijven wonen. De vrouw is op een dag in 2022 verhuisd naar Nederland; sindsdien is de woning verhuurd.
2.1.6
De waarde van de auto die bij de man is gebleven en de waarde van de auto die bij de vrouw is gebleven ontlopen elkaar weinig.
2.1.7
De vrouw had bij de scheiding een aantal geldleningen van in totaal ongeveer NAf 49.200 en een studieschuld van ongeveer € 23.900. De vrouw heeft (de aflossing van) haar leningen geheel op zich genomen. De man had een lening van ongeveer NAf 20.000.
2.1.8
De vrouw heeft de (advocaat)kosten van de echtscheiding gedragen.
2.2
Vorderingen
2.2.1
De vrouw vorderde in eerste aanleg, in hoger beroep ongewijzigd:
a. a) veroordeling van de man om onmiddellijk na betekening van het vonnis zijn medewerking te verlenen aan de levering van de woning;
b) bepaling dat bij gebreke daarvan het vonnis in de plaats zal treden van de voor de levering van de woning vereiste wilsverklaring, medewerking en handtekening van de man;
c) veroordeling van de man tot betaling van NAf. 8.226,30;
d) veroordeling van de man in de proceskosten.
2.2.2
De vrouw legt aan vorderingen a), b) en c), kort gezegd, ten grondslag dat de man ondanks sommatie tekortschiet in de nakoming van zijn verbintenissen uit de bepalingen 2.6 respectievelijk (a contrario) 2.9 van het convenant.
2.2.3
De man vorderde in eerste aanleg, in hoger beroep ongewijzigd:
a. a) vernietiging van de bepalingen 1.1 t/m 5.2 en 10.1 t/m 11.2 van het convenant;
b) bevel tot verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap ten overstaan van een notaris;
c) verklaring voor recht dat de eventueel door de man verschuldigde eigenaarslasten zijn verrekend met de door de vrouw te betalen vergoeding voor het gebruik van de woning;
d) veroordeling van de vrouw in de proceskosten.
2.3
Beslissingen van het Gerecht
2.3.1
Het Gerecht heeft in reconventie vorderingen a) en b) van de man toegewezen en de vrouw veroordeeld tot betaling van een gebruiksvergoeding van NAf 500 per maand vanaf de dag van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking tot de dag van levering van de woning aan de vrouw, af te rekenen bij de verdeling.
Het Gerecht heeft in conventie vordering c) van de vrouw toegewezen, af te rekenen bij de verdeling, bepaald dat de man gehouden is de helft van de gebruiks- en eigenaarslasten van de woning te voldoen vanaf 1 april 2022 tot de datum van levering van de woning, af te rekenen bij de verdeling, en de vorderingen van de vrouw voor het overige afgewezen.
2.3.2
Het Gerecht heeft aan zijn beslissingen tot afwijzing van de vorderingen van de vrouw dat de man meewerkt aan de levering van de woning en tot toewijzing van de vordering van de man tot vernietiging van de voor de verdeling relevante bepalingen van het convenant het volgende ten grondslag gelegd:
(1) de vrouw heeft niet of onvoldoende weersproken dat de man het convenant heeft ondertekend zonder zich te realiseren waar hij afstand van deed;
(2) de vrouw heeft niet of onvoldoende weersproken dat de man voor meer dan een vierde is benadeeld, met name door de toedeling van de woning aan de vrouw en de bepaling van de waarde van de woning op slechts NAf 340.000.
2.4
Beoordeling door het Hof
2.4.1
De in reconventie gevorderde vernietiging van het convenant heeft tot gevolg dat de in conventie op grond van het convenant gevorderde medewerking van de man aan levering van de woning aan de vrouw niet toewijsbaar is. Vanwege deze samenhang zal het Hof de conventie en de reconventie gezamenlijk behandelen.
Benadeling voor meer dan een vierde en vernietiging op die grond (grieven 1 t/m 5)
2.4.2
Volgens artikel 3:196 BW is een verdeling vernietigbaar wanneer een deelgenoot omtrent de waarde van een of meer van de te verdelen goederen heeft gedwaald en daardoor voor meer dan een vierde is benadeeld, wordt dwaling voorondersteld wanneer zodanige benadeling is bewezen, en worden om te beoordelen of benadeling heeft plaatsgehad de goederen en schulden geschat naar hun waarde op het tijdstip van de verdeling, waarbij goederen die onverdeeld zijn gelaten niet worden meegerekend.
2.4.3
Uit deze wetsbepaling, gelezen in het licht van art. 129 Rv, vloeit voort dat de man gemotiveerd diende te stellen dat hij door de gehele in het convenant afgesproken verdeling, exclusief de buiten de verdeling gehouden goederen, voor meer dan een vierde is benadeeld, en de juistheid van deze stelling bij betwisting door de vrouw diende te bewijzen. De man heeft ten aanzien van zijn benadeling slechts gesteld, en enigszins aannemelijk gemaakt (zie 2.1.4 hierboven), dat de waarde van de aan de vrouw toebedeelde woning in 2021 meer dan NAf 340.000 bedroeg. Ten aanzien van de andere boedelbestanddelen heeft hij slechts gesuggereerd dat de aan de vrouw toebedeelde goederen en zaken meer waard waren dan die welke aan hem zijn toebedeeld maar hij heeft dit niet aannemelijk gemaakt, laat staan tegenover de (noodzakelijkerwijs beknopte) betwisting door de vrouw bewezen. Aannemelijk is dat de vrouw, gelet op de feiten die hiervoor onder 2.1.6, 2.1.7 en 2.1.8 zijn vastgesteld, ten aanzien van andere boedelbestanddelen dan de woning is benadeeld. Daardoor is te minder aannemelijk is dat enige benadeling van de man meer dan een vierde heeft bedragen. De man heeft ook niet geconcretiseerd in hoeverre hij door de verdeling van de belastingschulden en
-teruggaven is benadeeld. De man heeft tot slot in strijd met art. 3:196 lid 3 tweede volzin BW de afspraak van partijen om de opgebouwde pensioenrechten niet te verdelen als benadeling aangemerkt, ook dit overigens zonder zelfs maar bij benadering de omvang van de benadeling te specificeren. Hetzelfde geldt voor de contante waarde van de levensverzekeringen die partijen volgens de man hebben gesloten, waarvan alleen aanvraagformulieren zijn overgelegd, geen polissen.
2.4.4
De beslissing van het Gerecht tot vernietiging van de verdeling op de grondslag van art. 3:196 BW kan niet in stand blijven. De grieven slagen.
2.4.5
Deze beslissing brengt mee dat de andere door de man gestelde gronden voor vernietiging van of niet-gebondenheid aan de verdeling moeten worden beoordeeld.
Wilsonbekwaamheid van de man
2.4.6
De man heeft gesteld dat hij, zoals hij het op de zitting formuleerde, “niet zichzelf” was toen hij het convenant ondertekende. Daargelaten of zulk een gemoedstoestand in zijn algemeenheid wilsonbekwaamheid kan meebrengen, rust op de man de last om gemotiveerd te stellen en bij betwisting door de vrouw te bewijzen dat dit in concreto het geval was. De vrouw heeft deze stelling betwist, en dat kon en hoefde ook hier slechts beknopt. Het enige bewijs dat de man heeft ingebracht is de verklaring van zijn huisarts van 8 december 2021. Deze verklaring geeft weer wat de man aan de huisarts als klachten heeft gemeld. Een voldoende onderbouwing van de stelling van de man dat zijn werkelijke wil niet overeenstemde met wat in het convenant staat en hij heeft ondertekend, levert deze verklaring niet op, laat staan bewijs. Dat de vrouw dit wist of had moeten begrijpen, heeft de man evenmin aannemelijk gemaakt.
Wilsgebreken en vernietigingsgronden
2.4.7
De vernietigingsgronden waarop de man zich ook heeft beroepen: bedrog, dwaling (in de meer algemene dan de hiervoor onder 2.4.3 bedoelde zin) en misbruik van omstandigheden hebben gemeen dat voor een geslaagd beroep erop door de man enig handelen of nalaten van de vrouw vereist is dat het wilsgebrek van de man heeft veroorzaakt.
2.4.7.1 Voor een geslaagd beroep op bedrog (art. 3:44 lid 3 BW) is vereist dat de vrouw de man tot het afspreken van de verdeling heeft bewogen door opzettelijk onjuiste mededelingen, verzwijgen van een feit dat zij verplicht was hem mee te delen, of een andere kunstgreep. Daarvan is niet gebleken.
De man kende het taxatierapport uit 2018 toen in 2021 de afspraken over de verdeling werden gemaakt en had zichzelf beter kunnen informeren over de actuele waarde van de woning alvorens het convenant te tekenen. Het taxatierapport van 2022 dateert van daarna. De man heeft geen aanwijzingen geleverd waaruit zou kunnen volgen dat de vrouw, anders dan hij, in 2021 zeker was van een veel hogere waarde van de woning dan volgt uit de taxatie van 2018.
Dat de vrouw met de destijds gezamenlijke advocaat van partijen onder één hoedje zou hebben gespeeld en de man een bewust onjuist of onvolledig convenant zou hebben voorgelegd, is slechts gesteld maar niet aannemelijk gemaakt, laat staan bewezen. Uit de verklaring van die advocaat (productie 12 van de vrouw) blijkt het tegendeel. Zij heeft de man op haar kantoor uitgenodigd om het eerder (in een eerste en gecorrigeerde, tweede concept-versie) toegezonden convenant te ondertekenen, wat hij pas heeft gedaan nadat de advocaat hem uitleg van de bepalingen had gegeven en had gevraagd of hij het had begrepen.
2.4.7.2 Voor een geslaagd beroep op dwaling (art. 6:228 BW) is vereist dat deze te wijten is aan inlichtingen - of het achterwege laten daarvan - door de vrouw, waarvan zij wist dat ze voor de man essentieel waren voor de beslissing om het convenant te sluiten. Daarover heeft de man (naast hetgeen hiervoor onder 2.4.3 en 2.4.7.1 reeds is beoordeeld) onvoldoende gesteld en er is niet van gebleken.
2.4.7.3 Voor een geslaagd beroep op misbruik van omstandigheden (art. 3:44 lid 4 BW) is vereist dat de vrouw de man ertoe heeft bewogen het convenant te tekenen terwijl zij dat, vanwege de haar bekende abnormale geestestoestand van de man, niet had mogen doen. Uit hetgeen hiervoor onder 2.4.6 is overwogen, volgt dat op grond van hetgeen de man heeft gesteld en bewezen niet kan worden vastgesteld dat de man zozeer ‘de weg kwijt was’ dat hij niet wist en kon begrijpen wat hem werd voorgelegd en hij tekende. Dat de vrouw de man, met die abnormale geestestoestand bekend, niettemin tot ondertekening heeft bewogen, kan dan al helemaal niet worden vastgesteld.
Slotsom ten aanzien van het convenant (grief 7)
2.4.8
Zoals reeds overwogen en beslist onder 2.4.4: de vernietiging van bepalingen uit het convenant kan niet in stand blijven. In zoverre wordt het vonnis van het Gerecht vernietigd. Nu het convenant in stand blijft, is de man ook wat betreft zijn medewerking aan levering van de woning aan de vrouw verplicht het na te komen, wat hij reeds lange tijd heeft verzuimd. De daartoe strekkende vorderingen van de vrouw in conventie worden toegewezen zoals hierna in het dictum te formuleren, waarbij de termijn is afgestemd op de redelijkerwijs te verwachten duur van de levering van de woning aan de vrouw.
De lasten en revenuen van de woning (grief 6)
2.4.9
Het ontslag van de man uit zijn hoofdelijke betalingsverplichting jegens de bank (zie 2.1.3) heeft niet tot gevolg dat hij jegens de vrouw is ontslagen uit zijn verplichting om de helft van de eigenaarslasten, waaronder aflossing en rente op de hypoheek, te betalen. Deze verplichting vloeit voort uit de (ontbonden) gemeenschap van goederen en de afspraken tussen partijen zoals neergelegd in de artikelen 2.7 en 2.9 van het convenant. Dat de man al sinds eind 2020 de woning niet gebruikt, doet aan deze betalingsverplichting niet af, mede omdat de situatie dat de vrouw de woning weliswaar alleen gebruikt maar er geen exclusief zakelijk recht op heeft, is veroorzaakt door de keuze van de man om er niet aan mee te werken dit recht te vestigen. Hier staat tegenover dat de revenuen van de woning, in de zin van het feitelijk gebruik (dat de kosten van alternatieve huisvesting bespaart) respectievelijk de huuropbrengsten, geheel aan de vrouw ten goede komen vanaf de datum van het vertrek van de man tot die van levering van de woning aan de vrouw, terwijl de man jegens de vrouw recht heeft op betaling van de helft van die revenuen.
2.4.10
Bij gebreke van informatie over de omvang van de huuropbrengsten en van actuele informatie over de lasten, zal het Hof de eigenaarslasten en de revenuen over de genoemde periode begroten door schatting, aldus dat zij nagenoeg gelijk zijn en tegen elkaar wegvallen, in overeenstemming met wat de man in reconventie subsidiair vordert. Die vordering wordt dus toegewezen. Verschuldigdheid van wettelijke rente over de vorderingen over en weer is door deze beslissing niet meer aan de orde.
2.4.11
De door de man gevraagde verbetering van het vonnis van het Gerecht dient in het licht van de voorgaande overwegingen en beslissingen geen doel, en wordt niet gegeven.
Proceskosten
2.2.11
Gelet op de relatie tussen partijen zal het Hof, net als het Gerecht, de proceskosten geheel compenseren aldus dat elk van partijen de eigen kosten draagt.
B E S L I S S I NG
Het Hof:
vernietigt het tussen partijen gewezen en 4 september 2023 uitgesproken vonnis van het Gerecht in eerste aanleg van Curaçao en, opnieuw recht doende:
veroordeelt de man om binnen twee maanden na de uitspraak van dit vonnis zijn medewerking te verlenen aan levering aan de vrouw van de woning staande en gelegen aan [adres] te Curaçao;
bepaalt dat, indien de man deze medewerking niet binnen deze termijn verleent, dit vonnis in de plaats zal treden van die medewerking en van hetgeen verder voor die levering van de zijde van de man vereist is, met name zijn wilsverklaring en handtekening;
verklaart voor recht dat het de door de man aan de vrouw verschuldigde deel eigenaarslasten van de woning is verrekend met de door de vrouw ter zake aan de man verschuldigde gebruiksvergoeding;
compenseert de proceskosten.
Dit vonnis is gewezen door mrs. J. de Boer, W.P.M. ter Berg en E.P. van Unen, leden van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba en ter openbare terechtzitting van het Hof in Curaçao uitgesproken op 18 november 2025 in tegenwoordigheid van de griffier.