3.1In het tussenvonnis is het Hof vooralsnog uitgegaan van de door het Gerecht vastgestelde feiten. Gelet op de vermindering van eis in hoger beroep zal het Hof de nu nog relevante feiten vaststellen.
3.1.1VPCO verzorgt sinds 1950 onderwijs op Curaçao en heeft als doel het bevorderen van het Protestants-Christelijk onderwijs ten behoeve van de kinderen van haar gewone en buitengewone leden.
3.1.2VPCO bestuurt en beheert zes scholen op zeven locaties voor het funderend voortgezet onderwijs en voortgezet onderwijs, waaronder de Dr. Albert Schweitzer School. Op de scholen wordt (speciaal) funderend onderwijs, voortgezet secundair beroepsonderwijs, hoger algemeen voortgezet en voorbereidend wetenschappelijk onderwijs gegeven. Ongeveer 3.725 leerlingen volgen onderwijs op een school van VPCO en er zijn ongeveer 275 medewerkers.
3.1.3Het door VPCO aangeboden onderwijs wordt bekostigd uit subsidies en toelagen van overheidswege. Het gaat om vergoedingen als bedoeld in de artikelen 45 en 46 van de Landsverordening funderend onderwijs (Lfo), de artikelen 59 en 60 van de Landsverordening voortgezet onderwijs (Lvo) en de artikelen 45 en 46 van de Landsverordening secundair beroepsonderwijs en educatie (Lsbe). Deze vergoedingen worden berekend op basis van de systematiek in het Landsbesluit bekostiging onderwijs (Lbo) en worden per schooljaar bij wijze van voorschot verleend.
3.1.4De berekeningssystematiek in het Lbo gaat uit van het zogeheten Vergoeding & Verantwoording stelsel (V&V-stelsel). Op basis daarvan wordt een vergoeding toegekend voor personele kosten en voor exploitatiekosten. De personele kosten betreffen kosten van personeel, nascholing en leerlingenzorg (artikel 2 lid 2 Lbo) en de exploitatiekosten betreffen de kosten van huisvesting (waaronder onderhoud, beveiliging, verzekering, inventaris, verzekering van gebouwen en terreinen, energie en water, schoonmaak, heffingen en huur van gebouwen en terreinen), inrichtings- en aanverwante kosten, administratie, beheer en bestuur en additionele kosten.
3.1.5De normering van de hiervoor genoemde personele kosten wordt uitgedrukt in een te vergoeden aantal uren, vertaald in formatiepunten per onderwijssoort, per school of opleiding en per leerling, voor directie, onderwijzend personeel en niet-onderwijzend personeel (artikel 3 lid 1 Lbo). De normering voor de exploitatiekosten wordt uitgedrukt in een te vergoeden bedrag per onderwijssoort, per school of opleiding en per leerling (artikel 3 lid 2 Lbo). Volgens de nota van toelichting bij het Lbo zijn in dit stelsel ook kostensoorten opgenomen die niet wettelijk zijn voorgeschreven, waaronder kosten voor niet-onderwijzend personeel, onderwijsondersteunend personeel en kosten voor onder meer decanen, remedial teachers, praktijkbegeleiders en ICT coördinatoren.
3.1.6VPCO wordt ook bekostigd vanuit contributies van haar leden. Als gevolg van een nieuwe Landsverordening van 5 juli 2016 (PB2016 no 34) is het scholen niet meer toegestaan contributies van ouders te vragen indien onder meer toelating, bevordering of deelname aan de onderwijsinstelling daarvan afhankelijk is. Het lidmaatschap is nu niet meer verplicht om te worden toegelaten tot een VPCO-school. Daardoor verviel voor VPCO een door contributie gegarandeerd deel van de bekostiging van het door haar aangeboden onderwijs.
3.1.7VPCO heeft, naast deze procedure, een aantal LAR beroepen aanhangig gemaakt tegen beschikkingen/besluiten van de minister van Onderwijs over bevoorschotting van VPCO. De LAR rechter heeft deze beroepen gevoegd behandeld en op 8 november 2023 uitspraak gedaan, inhoudende gegrondverklaring van de beroepen, vernietiging van de bestreden beschikkingen, met opdracht aan de minister om binnen zes maanden opnieuw te beschikken.
3.1.8Het Land heeft tegen de uitspraak van 8 november 2023 hoger beroep ingesteld. Het LAR Hof heeft op 28 november 2024 (ECLI:NL:OGHACMB:2024:236) uitspraak gedaan en bepaald dat de minister binnen drie maanden nieuwe beschikkingen moet geven, met inachtneming van de uitspraak van het LAR Hof. Voor zover hier (nog) relevant staat in de uitspraak van het LAR Hof: “3.1.
De minister betoogt kort gezegd dat het Lbo voorziet in een toereikende vergoeding als bedoeld in de respectieve landsverordeningen op het onderwijs. Daarin zijn deugdelijkheidseisen neergelegd. Het gekozen bekostigingsstelsel in het Lbo voorziet in een vergoeding waarmee minimaal aan de deugdelijkheidseisen kan worden voldaan. De minister is gelet op de beperkte financiële middelen van het Land niet in staat meer te vergoeden dan nodig is om minimaal aan de deugdelijkheidseisen te voldoen. Andere scholen komen wel uit met de vergoeding, alleen VPCO niet.
3.2.
In haar verweerschrift stelt VPCO een aantal aspecten van haar bekostiging aan de orde en reageert zij op overwegingen van het Gerecht. Nu VPCO geen hoger beroep tegen de uitspraak van het Gerecht heeft ingesteld, blijft een bespreking en beoordeling hiervan in deze uitspraak achterwege.
6.
(…)
Tegen (de normen van) het V&V-stelsel staat geen beroep bij de bestuursrechter open. Maar (…) (de normen van) het V&V-stelsel kunnen wel exceptief worden getoetst aan hoger recht in het kader van een beroep op grond van de Landsverordening administratieve rechtspraak (hierna: Lar) tegen een beschikking. (…)
6.1.
Tot dat hogere recht behoort in de eerste plaats hoger geschreven recht. In dit kader is hier relevant dat de normen van het V&V-stelsel uitvoering (moeten) geven aan artikel 46, tweede lid, van de Lfo, artikel 60, tweede lid, van de Lvo en artikel 46, tweede lid, van de Lsbe. Daarin is bepaald dat de vergoeding toereikend is met het oog op een goede verzorging van het onderwijs.
6.2.
Tot het hogere recht behoren ook de algemene rechtsbeginselen en (ander) ongeschreven recht, waaronder het evenredigheidsbeginsel. Bij de toetsing van een algemeen verbindend voorschrift aan algemene rechtsbeginselen en (ander) ongeschreven recht heeft de rechter niet tot taak om de waarde of het maatschappelijk gewicht dat aan de betrokken belangen moet worden toegekend, naar eigen inzicht vast te stellen. De intensiteit van de rechterlijke beoordeling van een algemeen verbindend voorschrift is afhankelijk van onder meer de beslissingsruimte die het vaststellend orgaan heeft, gelet op de aard en de inhoud van de vaststellingsbevoegdheid en de daarbij te betrekken belangen. Die beoordeling kan materieel terughoudend zijn als de beslissingsruimte voortvloeit uit de feitelijke of technische complexiteit van de materie, dan wel als bij het nemen van de beslissing politiek-bestuurlijke afwegingen kunnen worden of zijn gemaakt. In dit kader is hier relevant dat de aard en de inhoud van de toepasselijke vaststellingsbevoegdheid (zie 1.2) de regelgever een aanzienlijke beslissingsruimte laat en dat bij het geven van invulling daaraan politiek-bestuurlijke afwegingen kunnen en ook moeten worden gemaakt, waaronder afwegingen van budgettaire aard. Dat neemt niet weg dat, uiteindelijk, voor de beoordeling van de rechtmatigheid van de normen van het V&V-stelsel beslissend is of deze wel of niet (nog) in overeenstemming zijn met het vereiste dat de vergoeding toereikend is met het oog op een goede verzorging van het onderwijs.
6.3.
Dit betekent het volgende voor het betoog van de minister. De minister betoogt dat in de desbetreffende landsverordeningen op het onderwijs deugdelijkheidseisen zijn geformuleerd. De minister baseert de hoogte van de bekostiging op die deugdelijkheidseisen, hetgeen zich vertaalt in de normen van het V&V-stelsel. Alleen als de deugdelijkheidseisen worden aangepast, is er ruimte voor wijziging van de normen. Het Hof volgt dit in zoverre dat het in eerste instantie aan de regelgever is om vast te stellen welke bekostiging voor een school nodig is om aan de deugdelijkheidseisen te voldoen. Dat neemt niet weg dat er bij de bekostiging van scholen wel sprake is van een ondergrens. Die ondergrens is bereikt als niet of niet langer kan worden gesproken van een toereikende vergoeding om aan de deugdelijkheidseisen te voldoen. In het navolgende zal het Hof beoordelen of de normen van het V&V-stelsel, zoals die bij de bestreden beschikkingen zijn toegepast, wel of niet onder die ondergrens liggen.
7. Het Hof overweegt dat onderscheid moet worden gemaakt tussen de vraag welke normen (en tot welk bedrag) initieel moeten worden vastgesteld, en de vraag of de normen wel of niet moeten worden geïndexeerd. De normen en de hoogte daarvan zijn bij de introductie van het V&V-stelsel in 2009 vastgesteld. Het Hof ziet in hetgeen VPCO heeft betoogd geen grond om aan te nemen dat die normen en de hoogte daarvan in 2009 niet zo konden worden vastgesteld. Evenmin heeft VPCO aannemelijk gemaakt dat bij de bekostiging van VPCO van meer of andere normen had moeten worden uitgaan. Daarom zal het Hof zich beperken tot de vraag of de bestaande normen in de periode daarna, die uiteindelijk een tijdspanne van vijftien jaar beslaat, voldoende zijn aangepast.
(…)”
3.1.9Naar aanleiding van de uitspraak van het LAR Hof heeft de minister op 20 maart 2025 nieuwe beschikkingen gegeven. VPCO heeft hiertegen geen beroep ingesteld.