ECLI:NL:OGHACMB:2025:323

Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba

Datum uitspraak
16 december 2025
Publicatiedatum
12 januari 2026
Zaaknummer
CUR2023H00094 en CUR2023H00110
Instantie
Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep over bekostiging van protestants christelijk onderwijs in Curaçao

In deze zaak, die voor het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba is behandeld, gaat het om het bekostigingssysteem van het onderwijs in Curaçao. De Vereniging voor Protestants Christelijk Onderwijs op Curaçao (VPCO) heeft het Land Curaçao aangeklaagd omdat zij van mening is dat het Land tekortschiet in de financiering van deugdelijk onderwijs, met name voor protestants christelijk onderwijs. De zaak is complex, aangezien er ook bestuursrechtelijke procedures zijn gevoerd over dit onderwerp. Na een eerdere uitspraak van het LAR Hof op 28 november 2024 heeft VPCO haar eis in deze civiele procedure verminderd. Het Hof heeft geoordeeld dat VPCO niet ontvankelijk is in haar vordering, omdat er een bestuursrechtelijke rechtsgang openstond die VPCO had kunnen volgen. Het Hof heeft de vorderingen van VPCO afgewezen en haar in de proceskosten veroordeeld. De uitspraak benadrukt de scheiding tussen civiel en bestuursrecht en de rol van de overheid in de bekostiging van onderwijs.

Uitspraak

Burgerlijke zaken over 2025
Registratienummers: CUR201701839 – CUR2023H00094 en CUR2023H00110
Uitspraak: 16 december 2025
GEMEENSCHAPPELIJK HOF VAN JUSTITIE
van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en
van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
V O N N I S
in de zaak met nummer CUR2023H00094 van:
de openbare rechtspersoon
HET LAND CURACAO,
gevestigd in Curaçao,
in eerste aanleg gedaagde, thans appellante,
gemachtigden: mrs. W.R. Flocker en S.S. Vierbergen,
tegen
de vereniging
VERENIGING VOOR PROTESTANTS CHRISTELIJK ONDERWIJS OP CURACAO,
gevestigd in Curaçao,
in eerste aanleg eiseres, thans geïntimeerde,
gemachtigden: mr. R.F. van den Heuvel en M. Gorsira,
en in de zaak met nummer CUR2023H00110 van:
de vereniging
VERENIGING VOOR PROTESTANTS CHRISTELIJK ONDERWIJS OP CURACAO,
gevestigd in Curaçao,
in eerste aanleg eiseres, thans appellante,
gemachtigden: mr. R.F. van den Heuvel en M. Gorsira.
tegen
de openbare rechtspersoon
HET LAND CURACAO,
gevestigd in Curaçao,
in eerste aanleg gedaagde, thans geïntimeerde,
gemachtigden: mrs. W.R. Flocker en S.S. Vierbergen.
Partijen worden hierna het Land en VPCO genoemd.

1.De zaak in het kort

Deze zaak gaat over het bekostigingssysteem van het onderwijs in Curaçao en over de vraag of het Land tekortschiet in de financiering van deugdelijk onderwijs, in het bijzonder in de financiering van het protestants christelijk onderwijs. Tussen partijen zijn over dit onderwerp ook procedures gevoerd bij de bestuursrechter. Na de beslissing van het LAR-Hof van 28 november 2024 heeft VPCO in deze civiele procedure haar eis verminderd. Op die vordering zal het Hof in dit hoger beroep beslissen.

2.Het verdere verloop van de procedure

in de zaken met nummers CUR2023H00094 en CUR2023H00110
2.1
Voor het verloop van de procedure in hoger beroep verwijst het Hof naar het tussenvonnis van 15 april 2025. Daarbij heeft het Hof de zaken verwezen naar de rol voor akte uitlating aan de zijde van beide partijen over het onder r.o 5.6 tot en met 5.8 in het tussenvonnis overwogene.
2.2
Op de rol van 20 mei 2025 hebben partijen ieder een akte uitlating genomen, waarin zij ingaan op de door het Hof bij tussenvonnis gestelde vragen. Het Land heeft, heel kort samengevat, zich in de akte op het standpunt gesteld dat het Hof VPCO niet ontvankelijk dient te verklaren in haar vorderingen. VPCO heeft bij akte haar vordering verminderd.
2.3
VPCO heeft bij e-mail van 24 juni 2025 een productie toegezonden.
2.4
Het Land heeft zich bij akte van 26 juni 2025, met vooraf bij e-mails van 20 en 24 juni 2025 toegezonden producties, uitgelaten over de akte vermindering van eis.
2.5
Op 27 juni 2025 heeft een mondelinge behandeling plaatsgevonden in Kas di Korte in Curaçao. Verschenen zijn de gemachtigden van beide partijen en verder: van de zijde van het Land:
  • mr. W.R. Flocker,
  • mevrouw [adviseur van de minister] (adviseur van de minister),
  • de heer [sector directeur] (sector directeur Onderwijs en Wetenschap),
  • mevrouw [controller] (controller),
  • mevrouw [adviseur] (adviseur),
van de zijde van VPCO:
  • mr. M.R.B. Gorsira,
  • de heer [voorzitter] (voorzitter van het bestuur),
  • de heer [penningmeester] (penningmeester),
  • de heer [bestuurslid] (bestuurslid)
  • de heer [directeur] (algemeen directeur).
Partijen hebben vragen van het Hof beantwoord, standpunten nader toegelicht en gesproken over een minnelijke regeling. Mr. Gorsira heeft pleitaantekeningen, tevens houdende schikkingsvoorstel, overgelegd.
2.6
In overleg met partijen zijn de zaken verwezen naar de rol van 9 september 2025 voor akte uitlating minnelijke regeling. Op die rol hebben partijen bij akte laten weten dat het niet is gelukt een regeling te treffen.
2.7
Vonnis is nader bepaald op vandaag.

3.De feiten

3.1
In het tussenvonnis is het Hof vooralsnog uitgegaan van de door het Gerecht vastgestelde feiten. Gelet op de vermindering van eis in hoger beroep zal het Hof de nu nog relevante feiten vaststellen.
3.1.1
VPCO verzorgt sinds 1950 onderwijs op Curaçao en heeft als doel het bevorderen van het Protestants-Christelijk onderwijs ten behoeve van de kinderen van haar gewone en buitengewone leden.
3.1.2
VPCO bestuurt en beheert zes scholen op zeven locaties voor het funderend voortgezet onderwijs en voortgezet onderwijs, waaronder de Dr. Albert Schweitzer School. Op de scholen wordt (speciaal) funderend onderwijs, voortgezet secundair beroepsonderwijs, hoger algemeen voortgezet en voorbereidend wetenschappelijk onderwijs gegeven. Ongeveer 3.725 leerlingen volgen onderwijs op een school van VPCO en er zijn ongeveer 275 medewerkers.
3.1.3
Het door VPCO aangeboden onderwijs wordt bekostigd uit subsidies en toelagen van overheidswege. Het gaat om vergoedingen als bedoeld in de artikelen 45 en 46 van de Landsverordening funderend onderwijs (Lfo), de artikelen 59 en 60 van de Landsverordening voortgezet onderwijs (Lvo) en de artikelen 45 en 46 van de Landsverordening secundair beroepsonderwijs en educatie (Lsbe). Deze vergoedingen worden berekend op basis van de systematiek in het Landsbesluit bekostiging onderwijs (Lbo) en worden per schooljaar bij wijze van voorschot verleend.
3.1.4
De berekeningssystematiek in het Lbo gaat uit van het zogeheten Vergoeding & Verantwoording stelsel (V&V-stelsel). Op basis daarvan wordt een vergoeding toegekend voor personele kosten en voor exploitatiekosten. De personele kosten betreffen kosten van personeel, nascholing en leerlingenzorg (artikel 2 lid 2 Lbo) en de exploitatiekosten betreffen de kosten van huisvesting (waaronder onderhoud, beveiliging, verzekering, inventaris, verzekering van gebouwen en terreinen, energie en water, schoonmaak, heffingen en huur van gebouwen en terreinen), inrichtings- en aanverwante kosten, administratie, beheer en bestuur en additionele kosten.
3.1.5
De normering van de hiervoor genoemde personele kosten wordt uitgedrukt in een te vergoeden aantal uren, vertaald in formatiepunten per onderwijssoort, per school of opleiding en per leerling, voor directie, onderwijzend personeel en niet-onderwijzend personeel (artikel 3 lid 1 Lbo). De normering voor de exploitatiekosten wordt uitgedrukt in een te vergoeden bedrag per onderwijssoort, per school of opleiding en per leerling (artikel 3 lid 2 Lbo). Volgens de nota van toelichting bij het Lbo zijn in dit stelsel ook kostensoorten opgenomen die niet wettelijk zijn voorgeschreven, waaronder kosten voor niet-onderwijzend personeel, onderwijsondersteunend personeel en kosten voor onder meer decanen, remedial teachers, praktijkbegeleiders en ICT coördinatoren.
3.1.6
VPCO wordt ook bekostigd vanuit contributies van haar leden. Als gevolg van een nieuwe Landsverordening van 5 juli 2016 (PB2016 no 34) is het scholen niet meer toegestaan contributies van ouders te vragen indien onder meer toelating, bevordering of deelname aan de onderwijsinstelling daarvan afhankelijk is. Het lidmaatschap is nu niet meer verplicht om te worden toegelaten tot een VPCO-school. Daardoor verviel voor VPCO een door contributie gegarandeerd deel van de bekostiging van het door haar aangeboden onderwijs.
3.1.7
VPCO heeft, naast deze procedure, een aantal LAR beroepen aanhangig gemaakt tegen beschikkingen/besluiten van de minister van Onderwijs over bevoorschotting van VPCO. De LAR rechter heeft deze beroepen gevoegd behandeld en op 8 november 2023 uitspraak gedaan, inhoudende gegrondverklaring van de beroepen, vernietiging van de bestreden beschikkingen, met opdracht aan de minister om binnen zes maanden opnieuw te beschikken.
3.1.8
Het Land heeft tegen de uitspraak van 8 november 2023 hoger beroep ingesteld. Het LAR Hof heeft op 28 november 2024 (ECLI:NL:OGHACMB:2024:236) uitspraak gedaan en bepaald dat de minister binnen drie maanden nieuwe beschikkingen moet geven, met inachtneming van de uitspraak van het LAR Hof. Voor zover hier (nog) relevant staat in de uitspraak van het LAR Hof:
“3.1.
De minister betoogt kort gezegd dat het Lbo voorziet in een toereikende vergoeding als bedoeld in de respectieve landsverordeningen op het onderwijs. Daarin zijn deugdelijkheidseisen neergelegd. Het gekozen bekostigingsstelsel in het Lbo voorziet in een vergoeding waarmee minimaal aan de deugdelijkheidseisen kan worden voldaan. De minister is gelet op de beperkte financiële middelen van het Land niet in staat meer te vergoeden dan nodig is om minimaal aan de deugdelijkheidseisen te voldoen. Andere scholen komen wel uit met de vergoeding, alleen VPCO niet.
3.2.
In haar verweerschrift stelt VPCO een aantal aspecten van haar bekostiging aan de orde en reageert zij op overwegingen van het Gerecht. Nu VPCO geen hoger beroep tegen de uitspraak van het Gerecht heeft ingesteld, blijft een bespreking en beoordeling hiervan in deze uitspraak achterwege.
6.
(…)
Tegen (de normen van) het V&V-stelsel staat geen beroep bij de bestuursrechter open. Maar (…) (de normen van) het V&V-stelsel kunnen wel exceptief worden getoetst aan hoger recht in het kader van een beroep op grond van de Landsverordening administratieve rechtspraak (hierna: Lar) tegen een beschikking. (…)
6.1.
Tot dat hogere recht behoort in de eerste plaats hoger geschreven recht. In dit kader is hier relevant dat de normen van het V&V-stelsel uitvoering (moeten) geven aan artikel 46, tweede lid, van de Lfo, artikel 60, tweede lid, van de Lvo en artikel 46, tweede lid, van de Lsbe. Daarin is bepaald dat de vergoeding toereikend is met het oog op een goede verzorging van het onderwijs.
6.2.
Tot het hogere recht behoren ook de algemene rechtsbeginselen en (ander) ongeschreven recht, waaronder het evenredigheidsbeginsel. Bij de toetsing van een algemeen verbindend voorschrift aan algemene rechtsbeginselen en (ander) ongeschreven recht heeft de rechter niet tot taak om de waarde of het maatschappelijk gewicht dat aan de betrokken belangen moet worden toegekend, naar eigen inzicht vast te stellen. De intensiteit van de rechterlijke beoordeling van een algemeen verbindend voorschrift is afhankelijk van onder meer de beslissingsruimte die het vaststellend orgaan heeft, gelet op de aard en de inhoud van de vaststellingsbevoegdheid en de daarbij te betrekken belangen. Die beoordeling kan materieel terughoudend zijn als de beslissingsruimte voortvloeit uit de feitelijke of technische complexiteit van de materie, dan wel als bij het nemen van de beslissing politiek-bestuurlijke afwegingen kunnen worden of zijn gemaakt. In dit kader is hier relevant dat de aard en de inhoud van de toepasselijke vaststellingsbevoegdheid (zie 1.2) de regelgever een aanzienlijke beslissingsruimte laat en dat bij het geven van invulling daaraan politiek-bestuurlijke afwegingen kunnen en ook moeten worden gemaakt, waaronder afwegingen van budgettaire aard. Dat neemt niet weg dat, uiteindelijk, voor de beoordeling van de rechtmatigheid van de normen van het V&V-stelsel beslissend is of deze wel of niet (nog) in overeenstemming zijn met het vereiste dat de vergoeding toereikend is met het oog op een goede verzorging van het onderwijs.
6.3.
Dit betekent het volgende voor het betoog van de minister. De minister betoogt dat in de desbetreffende landsverordeningen op het onderwijs deugdelijkheidseisen zijn geformuleerd. De minister baseert de hoogte van de bekostiging op die deugdelijkheidseisen, hetgeen zich vertaalt in de normen van het V&V-stelsel. Alleen als de deugdelijkheidseisen worden aangepast, is er ruimte voor wijziging van de normen. Het Hof volgt dit in zoverre dat het in eerste instantie aan de regelgever is om vast te stellen welke bekostiging voor een school nodig is om aan de deugdelijkheidseisen te voldoen. Dat neemt niet weg dat er bij de bekostiging van scholen wel sprake is van een ondergrens. Die ondergrens is bereikt als niet of niet langer kan worden gesproken van een toereikende vergoeding om aan de deugdelijkheidseisen te voldoen. In het navolgende zal het Hof beoordelen of de normen van het V&V-stelsel, zoals die bij de bestreden beschikkingen zijn toegepast, wel of niet onder die ondergrens liggen.
7. Het Hof overweegt dat onderscheid moet worden gemaakt tussen de vraag welke normen (en tot welk bedrag) initieel moeten worden vastgesteld, en de vraag of de normen wel of niet moeten worden geïndexeerd. De normen en de hoogte daarvan zijn bij de introductie van het V&V-stelsel in 2009 vastgesteld. Het Hof ziet in hetgeen VPCO heeft betoogd geen grond om aan te nemen dat die normen en de hoogte daarvan in 2009 niet zo konden worden vastgesteld. Evenmin heeft VPCO aannemelijk gemaakt dat bij de bekostiging van VPCO van meer of andere normen had moeten worden uitgaan. Daarom zal het Hof zich beperken tot de vraag of de bestaande normen in de periode daarna, die uiteindelijk een tijdspanne van vijftien jaar beslaat, voldoende zijn aangepast.
(…)”
3.1.9
Naar aanleiding van de uitspraak van het LAR Hof heeft de minister op 20 maart 2025 nieuwe beschikkingen gegeven. VPCO heeft hiertegen geen beroep ingesteld.

4.De beoordeling

Vorderingen en relevante standpunten van partijen
4.1
VPCO heeft naar aanleiding van de uitspraak van het LAR Hof na het tussenvonnis van 15 april 2025 haar vordering gewijzigd, in die zin dat zij vordert:
I. voor recht te verklaren (i) dat het Land jegens VPCO onrechtmatig heeft gehandeld door niet te bekostigen: a) salaris en pensioenkosten van de bovenschoolse staf vanaf schooljaar 2012/2013, b) de kosten van benodigde digitale infrastructuur, waaronder licentiekosten vanaf schooljaar 2015/2016 en c) de huurkosten van klaslokalen ten behoeve van de Dr. Albert Schweitzerschool vanaf 2012/2013;
II. het Land te veroordelen tot betaling van schadevergoeding van in totaal Cg 8.656.962 wegens niet, of ontoereikende bekostiging van de hiervoor onder I. genoemde kosten, vermeerderd met wettelijke rente;
III. het Land te veroordelen, uitvoerbaar bij voorraad, in de kosten van het geding in eerste aanleg en beide hoger beroepen, vermeerderd met rente en kosten.
4.2
VPCO vordert daarmee schadevergoeding van (berekend tot en met schooljaar 2023/2024) Cg 6.366.824 voor salarissen en pensioenen van bovenschoolse staf, Cg 1.901.338 voor kosten van digitale infrastructuur (waaronder licentiekosten) en Cg 388.800 aan huurkosten voor klaslokalen van de Dr. Albert Schweitzer School. Volgens VPCO zijn dit kosten die niet via het Lbo en het daarop gebaseerde V&V-stelsel zijn genormeerd of worden bekostigd, maar wel noodzakelijkerwijs moeten worden gemaakt om de kwaliteit van het onder verantwoordelijkheid van VPCO georganiseerde onderwijs te waarborgen. Het gaat om kosten die binnen de kaders van de Landsverordeningen voor het onderwijs bekostigd zouden moeten worden. Nu dit niet, althans ontoereikend gebeurt handelt het Land onrechtmatig jegens VPCO en is het gehouden de als gevolg daarvan door VPCO geleden schade te vergoeden.
4.3
Volgens VPCO is zij ten aanzien van haar gewijzigde eis ontvankelijk. Zij stelt dat de beslissing van het LAR Hof van 28 november 2024 geen beslissing inhoudt over de thans nog gevorderde kostenposten. Daarbij komt dat deze onderwerpen niet (goed) zijn geregeld in het bekostigingssysteem en beslissingen, of niet genomen beslissingen daarover door de minister niet aan de LAR rechter kunnen worden voorgelegd. Verder is de civiele rechter als restrechter bevoegd, nu volgens VPCO het huidige bekostigingssysteem tekortschiet als het gaat om vergoeding van de hier gevorderde kostenposten. De kosten zijn niet via het Lbo en het daarop gebaseerde V&V-stelsel genormeerd of bekostigd, maar moeten wel noodzakelijkerwijs worden gemaakt.
4.4
Het meest verstrekkende verweer van het Land is dat VPCO niet ontvankelijk is in haar vordering bij de civiele rechter. Volgens het Land is er een met voldoende rechtswaarborgen omklede bestuursrechtelijke rechtsgang bij de LAR rechter, welke rechtsgang VPCO ook heeft gevolgd en waarop door het LAR Hof in hoger beroep is beslist. Dat geldt ook voor de door VPCO na wijziging van eis gevorderde kostenposten. Voor zover de civiele rechter wel bevoegd is stelt het Land zich op het standpunt dat deze zich niet mag mengen in de keuzes die de Landsbestuurder maakt bij de besteding van overheidsgelden. Het Land verwijst daartoe naar een vonnis van het Hof in de zaak van het Land/Advent van 14 februari 2023 (ECLI:NL:OGHACMB:2023:10). In het kader van beide verweren stelt het Land zich op het standpunt dat de drie gevorderde kostenposten onderdeel zijn van het bekostigingsstelsel, althans dat het gaat om vergoedingen op basis van publiekrechtelijke regelgeving waarvoor voorafgaande goedkeuring bij beschikking vereist is.
Ontvankelijkheid VPCO
4.5
Het Hof zal eerst ingaan op de vraag of VPCO ontvankelijk is in haar gewijzigde vordering. Het is vaste rechtspraak van de Hoge Raad dat een eiser in een civiele procedure niet ontvankelijk moet worden verklaard als een bestuursrechtelijke weg openstaat die voldoende rechtsbescherming biedt. Dat is onder meer het geval als VPCO het resultaat dat zij beoogt met haar vordering ook in een bestuursrechtelijke procedure kan bereiken. Naar het oordeel van het Hof is dat mogelijk.
4.6
In zijn beslissing van 28 november 2024 heeft het LAR Hof (r.o 7, zie hiervoor 3.1.8) overwogen dat onderscheid gemaakt moet worden tussen de vraag welke normen (en tot welk bedrag) initieel moeten worden vastgesteld, en de vraag of de normen wel of niet moeten worden geïndexeerd. De normen (en de hoogte daarvan) zijn bij de introductie van het V&V-stelsel in 2009 vastgesteld. Het LAR Hof heeft in wat VPCO heeft betoogd geen grond gezien om aan te nemen dat die normen (en de hoogte daarvan) in 2009 niet zo konden worden vastgesteld. Evenmin heeft VPCO aannemelijk gemaakt dat bij de bekostiging van VPCO van meer of andere normen had moeten worden uitgegaan. Het LAR Hof heeft zich vervolgens in zijn beslissing beperkt tot de vraag of de bestaande normen in de periode daarna voldoende zijn aangepast.
4.7
Het LAR Hof is dus niet ingegaan op de bestaande normen of normbedragen en de vraag of er meer of andere normen of normbedragen vastgesteld moeten worden. Maar uit de hiervoor weergegeven overweging volgt dat het LAR Hof dit wel had kunnen doen, indien daartoe gronden aanwezig waren geweest, of indien VPCO aannemelijk had gemaakt dat bij de bekostiging van meer of andere normen had moeten worden uitgegaan. Daar komt bij, zo blijkt uit r.o 3.2 van de beslissing van het LAR Hof, dat VPCO niet in hoger beroep is gekomen van de uitspraak van de LAR rechter in eerste aanleg. Indien VPCO meende dat de normen ten aanzien van deze kostenposten ten onrechte niet door de LAR rechter zijn betrokken in de oordeelsvorming in eerste aanleg, had zij daartegen kunnen ageren bij het LAR Hof.
4.8
Voor zover de door VPCO gevorderde kostenposten onder het bekostigingsstelsel vallen hadden deze dus in de procedure bij de LAR rechter aan de orde kunnen worden gesteld. In dat geval was er een met voldoende waarborgen omklede procedure bij de bestuursrechter (geweest). En is VPCO niet ontvankelijk in haar vordering. Partijen verschillen echter van mening over de vraag of de kostenposten vatbaar zijn voor beroep bij de LAR rechter, zodat daarop eerst moet worden beslist.
Zijn de gevorderde kosten vatbaar voor beroep bij de LAR rechter?
4.9
Het Hof begrijpt de stellingen van VPCO als het gaat om de bovenschoolse staf als volgt. Enerzijds is VPCO van mening dat zij niet moet worden aangemerkt als een klein schoolbestuur, zoals het Land meent, maar als een groot schoolbestuur, waardoor zij in aanmerking komt voor bekostiging van meer onderwijsfunctionarissen. Anderzijds heeft VPCO door de groei van het aantal leerlingen en ontwikkelingen in de samenleving behoefte aan een uitbreiding van het aantal formatieplaatsen buitenschoolse staf. Bijvoorbeeld op het gebied van HR of, vanwege digitalisering van personeels- en school(leerling)systemen op het gebied van ICT. VPCO begrijpt dat om kosten te besparen het nodig is dat scholen gaan samenwerken, en dat er een zekere schaalgrootte gewenst is, maar zij loopt er nu tegenaan dat andere schoolbesturen (als bijvoorbeeld RKCS) andere keuzes maken. Op dit moment maakt VPCO kosten voor bovenschoolse staf, die niet bekostigd worden door het Land. Eenzelfde redenering geldt voor de digitalisering, waaronder de kosten voor licenties. Die kosten zijn in de loop der jaren als gevolg van maatschappelijke maar ook technische ontwikkelingen toegenomen, terwijl daarmee in de bekostiging geen rekening is gehouden. Dit geldt ook voor de (tijdelijke) huur voor de Dr. Albert Schweitzerschool; dit bedrag valt niet in de lumpsum die VPCO heeft ontvangen.
4.1
Wat betreft de kosten van bovenschoolse staf stelt het Land dat deze zijn gebaseerd op een publiekrechtelijk besluit (productie 2 bij e-mail van het Land van 20 juni 2025) uit 1993 (no 93/6982) van het destijds bevoegd gezag. Uit deze productie en de (onweersproken) toelichting van het Land ter zitting volgt dat de bekostiging van het bovenschools management samenhangt met de grootte van het schoolbestuur, waarbij de in 1993 vastgestelde richtlijnen nog steeds gelden. Volgens die richtlijnen is VPCO een klein schoolbestuur. Verder heeft het Land ter zitting in hoger beroep nog aangevoerd dat de bedragen met ingang van 2023/2024 zijn aangepast en dat vergoeding van deze kosten plaats vindt op basis van de geldende regelgeving. Daarbij is volgens het Land sprake geweest van uitbreiding en is ook de formatie van scholen op directieniveau uitgebreid.
4.11
Naar het oordeel van het Hof moet uit hetgeen het Land heeft aangevoerd worden afgeleid dat de kosten van bovenschoolse staf zijn gebaseerd op een publiekrechtelijke regeling. Dat volgt ook uit de brieven (eveneens bij productie 2) van het destijds bevoegd gezag aan respectievelijk RKCS en VPCO uit 2006. Uit de brief aan het RKCS van 11 augustus 2006 blijkt dat de formatie met ingang van 1 januari 2003 voor de duur van 3 jaar is uitgebreid met een innovatie functionaris, waarbij het Hof er vanuit gaat dat dit ook voor VPCO gold, nu in de brief aan RKCS staat
“Een verzoek om verlenging met drie jaar, ingediend door de VPCO, is in behandeling”.In de brief aan RKCS staat verder, voor zover van belang: “
Alle overige kosten voor beheer, bestuur en administratie werden/zijn apart genormeerd en vanaf het jaar 1999/2000 in het V&V-stelsel opgenomen. (…) NB. De op uw personeelsstaat voor bovenschools management voorkomende functies voor ICT en systeembeheer, voor onderhoud (Technische dienst) en voor leerlingzorg zijn reeds opgenomen in de bekostigingsnormen van het V&V-stelsel.”
4.12
Wat betreft de huurkosten (die worden genoemd in artikel 2 van het Lbo) had VPCO een bekostigingsbesluit kunnen vragen, aldus het Land. Niet is gesteld of gebleken dat zij dat heeft gedaan. In de nota van toelichting op artikel 2 van het Lbo staat: “
Voor wat betreft ‘huur van gebouwen en terreinen’ is het uitgangspunt dat schoolgebouwen eigendom zijn van de overheid of van de afzonderlijke bijzondere schoolbesturen dan wel de organisatie met dezelfde godsdienstige of levensbeschouwelijke grondslag. Er is pas sprake van huur van gebouwen als er geen gebouwen in eigendom beschikbaar zijn. Dit zal slechts in zeer uitzonderlijke situaties het geval zijn. Voor de huur van deze gebouwen dient dan een deel van de vergoeding voor huisvestingskosten te worden aangewend”.Deze toelichting ondersteunt het standpunt van het Land dat VPCO, in ieder geval voor een deel van de huurkosten, een bekostigingsbesluit had kunnen verzoeken.
4.13
Het bekostigingsstelsel geldt volgens het Land ook voor investeringen in digitale infrastructuur en voor de licenties en wel voor alle scholen op dezelfde wijze. Ook hier heeft het Land aannemelijk gemaakt dat het gaat om kosten die vergoed worden vanuit een publiekrechtelijke regeling.
Conclusie: VPCO is niet ontvankelijk in haar vordering
4.14
Het voorgaande leidt tot het volgende. Zou het betoog van VPCO daartoe aanleiding hebben gegeven, dan zou het LAR Hof ook over de thans door VPCO gevorderde kostenposten hebben beslist in de zin van ‘meer of andere normen’ als bedoeld in r.o 7 van de uitspraak van 28 november 2024. Er bestond voor VPCO dus een met voldoende waarborgen omklede rechtsgang open bij de LAR rechter aan wie zij de door haar gestelde ontoereikende bekostiging over deze posten had kunnen voorleggen. Zelfs indien de posten niet (volledig) onder het huidige V&V-stelsel zouden vallen, is voldoende aannemelijk dat besluiten over vergoeding van de gevorderde kosten publiekrechtelijk van aard zijn en aan de LAR rechter ter toetsing kunnen worden voorgelegd. VPCO is dus niet ontvankelijk in haar vordering.
Ten overvloede
4.15
Zelfs als VPCO ontvankelijk zou zijn in (een deel van) haar vordering, dan kan dit haar niet baten. Verwezen wordt naar het vonnis van dit Hof van 14 februari 2023 in de zaak van het Land/Advent (ECLI:NL:OGHACMB:2023:10). Daarin is geoordeeld – kort samengevat – dat de keuzes die ten grondslag liggen aan de besteding van publieke middelen onderwerp zijn van politieke besluitvorming en thuis horen bij het Landsbestuur. Het is niet aan de civiele rechter zich daarin te mengen, tenzij sprake is van zeer bijzondere situaties, bijvoorbeeld in het geval fundamentele rechtsbeginselen worden geschonden. Dat zou het geval kunnen zijn als het onderwijsniveau in Curaçao op een onaanvaardbaar laag niveau zou komen. Dat laatste heeft het LAR Hof in zijn uitspraak van 28 november 2024 in het kader van de exceptieve toetsing al beoordeeld en op basis daarvan zijn de bekostigingsbesluiten door de minister vernietigd. In dit hoger beroep heeft VPCO na wijziging van eis haar stellingen hierover niet langer gehandhaafd. En tegen de bekostigingsbesluiten van de minister is geen beroep ingesteld.
4.16
Ten slotte overweegt het Hof dat VPCO onvoldoende heeft gesteld om te komen tot het oordeel dat het ontoereikend bekostigen van de drie genoemde kostenposten door het Land jegens haar onrechtmatig is. De enkele omstandigheid dat de bekostiging van de gevorderde drie kostenposten voor VPCO ontoereikend is, is onvoldoende om aan te nemen dat het Land onrechtmatig heeft gehandeld.
Slotsom
4.17
Het hoger beroep van het Land slaagt, dat van VPCO faalt. Dat betekent dat het vonnis waarvan beroep dient te worden vernietigd en dat VPCO in haar vorderingen, ook na wijziging van eis, niet ontvankelijk moet worden verklaard.
4.18
VPCO zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van beide instanties, in hoger beroep in beide zaken.
B E S L I S S I N G
Het Hof:
in de zaken met nummers CUR2023H00094 en CUR2023H00110
vernietigt het vonnis waarvan beroep;
verklaart VPCO niet ontvankelijk in haar vorderingen;
veroordeelt VPCO in de kosten aan de zijde van het Land gevallen in eerste aanleg, tot op heden begroot op Cg 33.000 aan salaris voor gemachtigde;
in de zaak met nummer CUR2023H00094
veroordeelt VPCO in de kosten aan de zijde van het Land in hoger beroep tot op heden begroot op Cg 15.000 aan griffierecht, Cg 763,10 aan deurwaarderskosten en Cg 31.500 aan salaris voor de gemachtigde;
in de zaak met nummer CUR2023H00110
veroordeelt VPCO in de kosten aan de zijde van het Land in hoger beroep tot op heden begroot op Cg 9.000 aan salaris voor de gemachtigde;
verklaart de proceskostenveroordelingen uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mrs. E.W.A. Vonk, E.A. Saleh en C.J.H.G. Bronzwaer, leden van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba en ter openbare terechtzitting van het Hof in Curaçao uitgesproken op 16 december 2025 in tegenwoordigheid van de griffier.