Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:OGHACMB:2026:100

Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba

Datum uitspraak
20 mei 2026
Publicatiedatum
27 mei 2026
Zaaknummer
BON2025H00050
Instantie
Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 Rijksbesluit opvolging Sociale Verzekeringsbank Nederlandse AntillenWet algemene ouderdomsverzekering BES
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging afwijzing herzieningsverzoek ouderdomspensioen op grond van Rijksbesluit

Appellant, woonachtig op Bonaire, verzocht om herziening van zijn ouderdomspensioen dat door de minister was toegekend met een korting van 30% voor de jaren dat hij in Curaçao woonde en niet verzekerd was voor de AOV BES. De minister wees het verzoek af omdat er geen sprake was van nieuwe feiten of veranderde omstandigheden en de beschikking niet evident onjuist was.

Het Gerecht in eerste aanleg verklaarde het beroep van appellant ongegrond en oordeelde dat de verhoging van de AOV op Bonaire in 2024 geen nieuwe omstandigheid vormde die tot een ander besluit had kunnen leiden. Ook was de bestreden beschikking niet evident onredelijk, ondanks het betoog van appellant over het gelijkheidsbeginsel en het discriminatieverbod.

In hoger beroep bevestigt het Hof deze beoordeling. Het Hof benadrukt dat de systematiek van het Rijksbesluit bewust is gekozen om de historische opbouw van AOV-rechten te respecteren en dat verschillen in uitkeringshoogte tussen de eilanden zijn onderkend. De verhoging van de AOV op Bonaire leidt niet tot een ander besluit over de korting.

Het Hof concludeert dat de minister het verzoek tot herziening terecht heeft afgewezen en dat de bestreden beschikking niet evident onredelijk is. Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van het Gerecht bevestigd.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de afwijzing van het herzieningsverzoek bevestigd.

Uitspraak

BON2025H00050
Datum uitspraak: 20 mei 2026
gemeenschappelijk hof van jusTitie
van aruba, CURAÇAO, SINT MAARTEN
EN VAN BONAIRE, SINT EUSTATIUS EN SABA
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellant],
appellant,
tegen de uitspraak van het Gerecht in eerste aanleg van Bonaire (hierna: het Gerecht) van 15 augustus 2025 in zaak nr. BON202400603, in het geding tussen:
appellant
en
de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (hierna: de minister)
Procesverloop
Bij beschikking van 28 oktober 2024 heeft de minister het verzoek van appellant tot herziening van het hem toegekende ouderdomspensioen afgewezen (hierna: de bestreden beschikking).
Bij uitspraak van 15 augustus 2025 heeft het Gerecht het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft appellant hoger beroep ingesteld.
De minister heeft een verweerschrift ingediend.
Het Hof heeft de zaak op een zitting behandeld op 24 maart 2026. Appellant was aanwezig, bijgestaan door zijn gemachtigde mr. A.T.C. Nicolaas. De minister werd vertegenwoordigd door zijn gemachtigde mr. G. Jonge. De behandeling heeft plaatsgevonden middels een videoconference verbinding, waarbij het Hof tegenwoordig was in het gerechtsgebouw van Curaçao en appellant, mr. Nicolaas en mr. Jonge tegenwoordig waren in het gerechtsgebouw van Bonaire.
Overwegingen
Inleiding
1. Appellant woont op Bonaire en bereikte op [datum] 2021 de pensioengerechtigde leeftijd. Bij beschikking van 24 februari 2021 heeft de minister aan appellant een ouderdomspensioen van 479,- USD toegekend op grond van de Wet algemene ouderdomsverzekering BES (hierna: AOV BES). Bij de vaststelling van het bedrag heeft de minister een kortingspercentage toegepast van 30% voor de jaren waarin appellant in Curaçao heeft gewoond en niet verzekerd was voor de AOV BES (1971 tot 1987). Voor die jaren ontvangt appellant een AOV-uitkering van de Sociale Verzekeringsbank Curaçao op grond van de AOV-Curaçao, die wordt toegekend op basis van een lagere grondslag dan die in Bonaire.
De bestreden beschikking
2. Op 23 september 2024 heeft appellant om herziening verzocht van de beschikking van 24 februari 2021, voor zover het gaat om de toegepaste korting van 30%. Als nieuwe omstandigheid noemt appellant dat als gevolg van een besluit van de minister de AOV op Bonaire is verhoogd. De minister heeft het herzieningsverzoek afgewezen, omdat er geen sprake is van nieuwe feiten of veranderde omstandigheden en ook niet gebleken is dat de beschikking van 24 februari 2021 evident onjuist is. De minister wijst erop dat de toedeling van de lopende en toekomstige aanspraken van uitkeringsgerechtigden en verzekerden door de staatkundige transitie van 10 oktober 2010 is vastgelegd in het Rijksbesluit opvolging Sociale Verzekeringsbank Nederlandse Antillen (hierna: het Rijksbesluit). De minister legt verder uit dat de korting van 30% is gebaseerd op artikel 3, tweede lid, van het Rijksbesluit, dat ziet op de toedeling van verzekerde rechten van belanghebbenden die vanaf 10 oktober 2010 de pensioengerechtigde leeftijd bereiken. Uitgangspunt in dat artikel is de historische opbouw van AOV-rechten binnen het voormalig land Nederlandse Antillen die bepalend is voor de toedeling van tot de transitiedatum opgebouwde rechten. In de periode september 1971 tot april 1987 heeft appellant in Curaçao gewoond, waardoor de in die periode opgebouwde AOV-rechten zijn toebedeeld aan het land Curaçao. De minister concludeert dat appellant voor de genoemde periode geen recht heeft op ouderdomspensioen op grond van de AOV BES.
De uitspraak van het Gerecht
3. Het Gerecht heeft geoordeeld dat de verhoging van de AOV op Bonaire per 2024 geen nieuwe omstandigheid oplevert, die, indien bekend, tot een ander besluit had kunnen leiden. De algemene verhoging van de AOV op Bonaire raakt namelijk niet aan de wettelijke voorwaarden voor de toekenning van het AOV-recht aan appellant. Ook gelet op de expliciete keuze van de regelgever voor de in het Rijksbesluit gehanteerde systematiek acht het Gerecht het niet aannemelijk dat de algemene verhoging van de AOV zou hebben geleid tot een ander besluit, ook niet vanuit een oogpunt van evenredigheid. Het Gerecht concludeert dat de minister het verzoek van appellant mocht afwijzen onder verwijzing naar de oorspronkelijke beschikking. Het Gerecht heeft verder geoordeeld dat de bestreden beschikking niet evident onredelijk is. De kern van het betoog is dat de toepasselijke bepaling uit het Rijksbesluit buiten toepassing moet blijven omdat deze zou leiden tot strijd met het gelijkheidsbeginsel en het discriminatieverbod. De vraag of dit betoog tot de conclusie leidt dat het oorspronkelijk besluit onjuist is vergt een (diepgaande) inhoudelijke beoordeling. Hieruit volgt al dat het oorspronkelijk besluit niet
onmiskenbaaronjuist is. Ook het betoog van appellant over het grote inkomensverschil tussen een AOV-pensioen met en zonder korting geeft geen aanleiding om de bestreden beschikking evident onredelijk te achten, alleen al omdat appellant niet heeft toegelicht wat dit verschil betekent voor zijn persoonlijke omstandigheden. Het Gerecht heeft het beroep ongegrond verklaard.
4.
Het hoger beroep
4. Appellant voert allereerst aan dat het Gerecht ten onrechte de verhoging van de AOV op Bonaire per 2024 niet heeft aangemerkt als een veranderde omstandigheid. Toepassing van het Rijksbesluit leidt voor appellant reeds tot een onevenredig nadelige uitkomst, omdat het AOV-pensioen op Bonaire hoger is dan op Curaçao. De verhoging van de AOV op Bonaire per 2024 is een veranderde omstandigheid die het financieel nadeel voor appellant nog groter maakt. Appellant voert verder aan dat het Gerecht ten onrechte heeft geoordeeld dat de oorspronkelijke beschikking niet onmiskenbaar onjuist is. Appellant meent dat het zeer evident is dat artikel 3, tweede lid, van het Rijksbesluit buiten toepassing had moeten blijven, omdat deze leidt tot strijd met het gelijkheidsbeginsel, het discriminatieverbod en het evenredigheidsbeginsel. Volgens appellant wordt er een ongerechtvaardigd onderscheid gemaakt tussen pensioengerechtigden op Bonaire die vóór 10 oktober 2010 pensioen ontvingen en degenen die na die datum pensioengerechtigd werden. De toepassing van het Rijksbesluit leidt voor appellant tot een onevenredig financieel nadeel.
Beoordeling
5. Het Hof volgt het betoog van appellant niet en overweegt daartoe het volgende.

Is sprake van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden?

5.1.
Niet in geschil is dat het verzoek van appellant erop is gericht dat de minister terugkomt van zijn oorspronkelijke beschikking, die in rechte vaststaat. De vraag die partijen verdeeld houdt is of sprake is van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden.
5.2.
Het Hof sluit aan bij vaste rechtspraak van het Hof (bijvoorbeeld de uitspraak van 7 oktober 2020, ECLI:NL:OGHACMB:2020:232). Een bestuursorgaan is in het algemeen bevoegd om, ambtshalve dan wel op verzoek, terug te komen van een in rechte onaantastbaar geworden besluit en dat besluit in te trekken of te wijzigen, ook als de bevoegdheid daartoe niet uitdrukkelijk in een wettelijk voorschrift is neergelegd. Als aan een verzoek om terug te komen van een in rechte onaantastbaar geworden besluit geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden ten grondslag zijn gelegd, kan het bestuursorgaan het verzoek op die grond afwijzen. Hij hoeft dan bij de afwijzing van het verzoek in beginsel alleen te verwijzen naar dat eerdere besluit. Als de bestuursrechter bij de toetsing van zo’n afwijzing tot het oordeel komt dat het bestuursorgaan zich terecht, zorgvuldig voorbereid en deugdelijk gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat er geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn, dan kan dat die afwijzing in beginsel dragen, tenzij de bestuursrechter tot het oordeel komt dat de afwijzing evident onredelijk is.
5.3.
Onder nieuw gebleken feiten en veranderde omstandigheden worden verstaan feiten of omstandigheden die ná het eerdere besluit zijn voorgevallen, dan wel feiten of omstandigheden die weliswaar vóór het eerdere besluit zijn voorgevallen, maar die niet vóór dat besluit konden worden aangevoerd. De nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden moeten van zodanige aard zijn, dat zij tot een ander besluit hadden kunnen leiden.
5.4.
Het Hof is van oordeel dat de verhoging van de AOV op Bonaire per 2024 weliswaar een omstandigheid is die zich na de eerdere beschikking heeft voorgedaan, maar dat deze omstandigheid, indien bekend, niet tot een andere beslissing van de minister had kunnen leiden. Een algemene verhoging van het AOV-recht in één van de landen van de voormalige Nederlandse Antillen is immers geen omstandigheid die van invloed is op de wettelijke voorwaarden voor toekenning van het AOV-recht aan appellant.
5.5.
Daarbij betrekt het Hof het doel dat de Rijksregelgever blijkens de Nota van Toelichting van het Rijksbesluit voor ogen heeft gestaan (NvT, Stb 2010-361, pagina 7 en pagina 10 en verder). Bij het opstellen van het Rijksbesluit heeft het belang van een zo eenvoudig en logisch mogelijke opvolging voorop gestaan, waarbij zowel gekeken is naar de positie van de burger en derden, als naar het aspect van uitvoerbaarheid. In dat licht heeft de Rijksregelgever bewust gekozen voor de systematiek die eerder is gehanteerd in de regeling voor verzekerden en uitkeringsgerechtigden van de SVB toen Aruba op 1 januari 1986 de status aparte verkreeg. Voor AOV-verzekerden, die op 10 oktober 2010 nog niet de pensioengerechtigde leeftijd hadden bereikt, geldt de historische opbouw van AOV-rechten binnen het gebied van de Nederlandse Antillen als criterium voor de toedeling van tot aan de transitiedatum opgebouwde AOV-rechten. Dit criterium is in lijn met de opbouw vanaf de transitiedatum. De opbouw van AOV-rechten na de transitiedatum volgt eveneens de woonplaats waar deze zijn opgebouwd, waarbij de drie landen Curaçao, Sint Maarten en Nederland (BES) worden onderscheiden. De Rijksregelgever onderkent nadrukkelijk dat bij de AOV de situatie kan ontstaan dat een AOV-verzekerde, die in meerdere eilandgebieden van de Nederlandse Antillen heeft gewoond, in de toekomst in meerdere landen AOV-rechten krijgt. Ook wordt onderkend dat de opgebouwde rechten, zoals uitkeringshoogte en ingangsdatum pensioen, inhoudelijk per land kunnen verschillen.
5.6.
Het Hof is daarom met het Gerecht van oordeel dat de minister zich terecht, zorgvuldig voorbereid en deugdelijk gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat de wettelijke verhoging van de AOV op Bonaire per 2024 geen nieuwe omstandigheid is, die tot een andere beslissing over het recht van appellant op ouderdomspensioen, inclusief de toegepaste korting, had kunnen leiden. Dat betekent dat de minister het herzieningsverzoek van appellant mocht afwijzen met verwijzing naar de oorspronkelijke beschikking van 24 februari 2021.

Is de bestreden beschikking evident onredelijk?

5.7.
Vervolgens ligt de vraag voor of aan de hand van wat appellant heeft aangevoerd kan worden geoordeeld dat de bestreden beschikking evident onredelijk is. Om te beoordelen of de weigering om een oorspronkelijk besluit te herzien evident onredelijk is, moet de bestuursrechter kijken naar de feiten en omstandigheden van het geval. De omstandigheid dat een oorspronkelijk besluit onmiskenbaar onjuist is, kan de bestuursrechter betrekken bij die beoordeling.
5.8.
Zoals toegelicht in de NvT van het Rijksbesluit leidt de gekozen systematiek van toedeling van AOV-rechten tot diverse verschillen. Verschillen tussen AOV-verzekerden die vóór en na de transitiedatum pensioengerechtigd worden c.q. zijn geworden. Verschillen tussen AOV-verzekerden die binnen meerdere eilandgebieden van de Nederlandse Antillen hebben gewoond en zij die in één eilandgebied zijn blijven wonen. Verschillen in AOV-wetgeving van de onderscheiden landen binnen het Koninkrijk die zien op de pensioengerechtigde leeftijd en de hoogte van de pensioenuitkering. En ook combinaties van deze verschillen komen voor.
5.9.
Appellant vindt dat sprake is van een ongelijke behandeling omdat er op Bonaire een verschil bestaat tussen een pensioengerechtigde die al vóór de transitiedatum een pensioenuitkering ontving en sindsdien ten volle profiteert van de hogere AOV-uitkering van Bonaire en degene die net als appellant na de transitiedatum de pensioengerechtigde leeftijd bereikte en gekort wordt voor het aantal jaren dat is verbleven in een ander eilandgebied. Volgens appellant moet zijn historische opbouw van AOV-rechten binnen de Nederlandse Antillen tot de transitiedatum, net als voor de andere groep, gelijk worden gesteld met de rechten opgebouwd op Bonaire vanaf de transitiedatum.
5.10.
Het verschil in uitkeringsrechten dat appellant benoemt is het gevolg van de systematiek van het Rijksbesluit. In het Rijksbesluit is, in navolging van de regeling die per 1 januari 1986 voor Aruba gold, in de artikelen 2 en 3 bewust een onderscheid gemaakt tussen lopende en toekomstige pensioenuitkeringen. Dat dit per land kan leiden tot verschillen in uitkeringshoogte, is door de regelgever onderkend.
5.11.
Gelet hierop is volgens het Hof de beslissing van de minister niet onmiskenbaar onjuist. Die beslissing is evenmin evident onredelijk. Daarbij betrekt het Hof dat de uitkering voor ouderdomspensioen op Bonaire aanzienlijk hoger is dan op Curaçao en dat ook appellant profiteert van de verhoging van de pensioenen op Bonaire per 2024, alleen 30% minder dan Bonairiaanse pensioengerechtigden op wiens pensioen geen korting wegens verblijf in een ander eilandgebied wordt toegepast. De positie van appellant verschilt ook niet van anderen die na de transitiedatum Bonairiaans pensioengerechtigd zijn geworden en voorheen ook in een ander eilandgebied hebben gewoond.
5.12.
Het voorgaande leidt tot de slotsom dat het Gerecht terecht tot het oordeel is gekomen dat de minister het verzoek om herziening van appellant mocht afwijzen. Het betoog slaagt niet.
Conclusie
6. Het hoger beroep is ongegrond. De uitspraak van het Gerecht wordt bevestigd. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
Het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba:
bevestigtde aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. B.J. van Ettekoven, voorzitter, en
mr. E.J. Daalder en mr. G.T.J.M. Jurgens, leden,
in tegenwoordigheid van mr. C. Anselma-Bernsen, griffier.
w.g. Van Ettekoven
voorzitter
w.g. Anselma-Bernsen
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 20 mei 2026.