Appellant, woonachtig op Bonaire, verzocht om herziening van zijn ouderdomspensioen dat door de minister was toegekend met een korting van 30% voor de jaren dat hij in Curaçao woonde en niet verzekerd was voor de AOV BES. De minister wees het verzoek af omdat er geen sprake was van nieuwe feiten of veranderde omstandigheden en de beschikking niet evident onjuist was.
Het Gerecht in eerste aanleg verklaarde het beroep van appellant ongegrond en oordeelde dat de verhoging van de AOV op Bonaire in 2024 geen nieuwe omstandigheid vormde die tot een ander besluit had kunnen leiden. Ook was de bestreden beschikking niet evident onredelijk, ondanks het betoog van appellant over het gelijkheidsbeginsel en het discriminatieverbod.
In hoger beroep bevestigt het Hof deze beoordeling. Het Hof benadrukt dat de systematiek van het Rijksbesluit bewust is gekozen om de historische opbouw van AOV-rechten te respecteren en dat verschillen in uitkeringshoogte tussen de eilanden zijn onderkend. De verhoging van de AOV op Bonaire leidt niet tot een ander besluit over de korting.
Het Hof concludeert dat de minister het verzoek tot herziening terecht heeft afgewezen en dat de bestreden beschikking niet evident onredelijk is. Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van het Gerecht bevestigd.