ECLI:NL:OGHACMB:2026:108
Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Onbevoegdheid Curaçaose rechter inzake gezagswijziging minderjarige kinderen
Deze zaak betreft een geschil over het gezag over twee minderjarige kinderen tussen hun ouders. De moeder verzocht het Gerecht Curaçao om haar naast de vader te belasten met het gezamenlijk gezag en een omgangsregeling vast te stellen. Het Gerecht kende gezamenlijk gezag toe, maar verklaarde zich onbevoegd ten aanzien van de omgangsregeling.
De vader kwam in hoger beroep en stelde dat het Gerecht zich ten onrechte bevoegd had verklaard omdat de kinderen inmiddels hun gewone verblijfplaats in het buitenland hadden. Het Hof oordeelde dat het perpetuatio fori-beginsel in dit geval buiten toepassing moest blijven vanwege het belang van de minderjarigen en het feit dat het Haags Kinderbeschermingsverdrag 1996 voorziet in bevoegdheid van de rechter van de nieuwe verblijfplaats.
De kinderen waren in oktober 2024 met de vader naar het buitenland verhuisd en woonden daar met nauwe maatschappelijke bindingen. De Voogdijraad adviseerde eveneens dat de buitenlandse rechter bevoegd is. Het Hof vernietigde daarom de beschikking voor zover het gezag betreft en verklaarde de Curaçaose rechter onbevoegd. De rest van de beschikking bleef in stand. Van proceskostenveroordeling werd afgezien vanwege het familierechtelijke karakter.
Uitkomst: Het Hof verklaart de Curaçaose rechter onbevoegd en vernietigt de beschikking voor zover het gezag betreft.