Uitspraak
[GEÏNTIMEERDE 2],
[GEÏNTIMEERDE 3],
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
In deze zaak vordert een advocaat vergoeding voor haar werkzaamheden op basis van een overeenkomst met International Healthcare Holding B.V. en aanverwante partijen (IHH c.s.). Het Gerecht in eerste aanleg verklaarde de advocaat niet-ontvankelijk in haar vordering tot nakoming van de overeenkomst en veroordeelde haar in de proceskosten. De advocaat ging in hoger beroep tegen deze beslissing.
Het Hof bevestigt het oordeel van het Gerecht dat de civiele rechter niet bevoegd is om over de vergoeding van werkzaamheden van een advocaat te oordelen, omdat deze taak is toebedeeld aan de bijzondere begrotingsrechter, zoals de Raad van Toezicht en de Raad van Appel. De vordering tot nakoming van de overeenkomst is daarom niet-ontvankelijk verklaard.
Het Hof overweegt dat hoewel de civiele rechter soms kan oordelen over aspecten van een geschil over vergoeding van werkzaamheden, dit alleen aan de orde is als de bijzondere rechter niet bevoegd is over bepaalde geschilpunten. In deze zaak is dat niet het geval. De grieven van de advocaat bevatten geen relevante geschilpunten die de bevoegdheid van de bijzondere rechter te buiten gaan.
Verder wijst het Hof op de toepasselijkheid van artikel 30 van Pro de Advocatenlandsverordening 1959 als dwingend recht voor de begroting van de vergoeding, die voorrang heeft boven de contractuele bepalingen indien deze niet aan de wettelijke maatstaf voldoen. De advocaat wordt veroordeeld in de kosten van het hoger beroep. Het vonnis is gewezen door drie leden van het Gemeenschappelijk Hof en uitgesproken op 19 mei 2026.
Uitkomst: Het Hof bevestigt de niet-ontvankelijkheid van de advocaat in haar vordering tot vergoeding en veroordeelt haar in de kosten van het hoger beroep.