ECLI:NL:OGHACMB:2026:14

Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba

Datum uitspraak
27 januari 2026
Publicatiedatum
3 februari 2026
Zaaknummer
CUR2025H00018
Instantie
Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 475 lid 1 RvArt. 475h lid 1 RvArt. 504a lid 2 RvArt. 6:43 BWArt. 6:44 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling executoriale kracht en schorsing tenuitvoerlegging notariële akten in executie-kort geding

Partijen, betrokken bij de exploitatie van een laboratorium, sloten diverse overeenkomsten en notariële akten in het kader van de beëindiging van hun samenwerking. De schuldeiser legde executoriale beslagen op grond van deze akten. In twee kort gedingen vorderde de schuldenaar schorsing van de tenuitvoerlegging en opheffing van de beslagen, welke door het Gerecht in eerste aanleg werden afgewezen.

In hoger beroep beoordeelde het Hof de executoriale kracht van de notariële akten en de geldigheid van de beslagen. Het Hof oordeelde dat de akte van geldlening executoriale kracht heeft voor de hoofdsom en rente, maar niet voor kosten en wettelijke rente. De akte van aandelenoverdracht voldoet aan de eisen voor executoriale titel met betrekking tot de ontvlechtingsvordering. Het kwijtscheldingsbeding uit de onderhandse akte is naar het oordeel van het Hof vervallen bij het passeren van de notariële akten.

Het Hof constateerde dat de beslagen geldig zijn en dat de ontvlechtingsvordering nog niet is vereffend, waardoor executoriale verkoop van de woning aan de [adres 4] wordt verboden totdat vereffening heeft plaatsgevonden. De overige vorderingen tot schorsing en opheffing van beslagen werden afgewezen. Het Hof hanteerde de Ritzen/Hoekstra-maatstaf voor schorsing van tenuitvoerlegging van notariële akten en oordeelde dat geen sprake is van misbruik van bevoegdheid door de schuldeiser. De proceskosten in hoger beroep werden gecompenseerd.

Uitkomst: Executoriale verkoop van de woning aan de [adres 4] wordt verboden zolang de ontvlechtingsvordering niet is vereffend; overige vorderingen tot schorsing en opheffing van beslagen worden afgewezen.

Uitspraak

Burgerlijke zaken over 2026
Zaaknummers: CUR202404173 – CUR2025H00018 en
CUR202500254 – CUR2025H00044
Uitspraak: 27 januari 2026
GEMEENSCHAPPELIJK HOF VAN JUSTITIE
van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en
van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
V O N N I S
in de kort gedingen van:
de besloten vennootschap naar het recht van Europees Nederland
HOCREA BEHEER B.V.,
gevestigd te Dalfsen, Nederland,
in eerste aanleg eiseres, thans appellante,
gemachtigden: mrs. W. Princée en G. van der Spek,
tegen
[GEÏNTIMEERDE],
wonende te De Wijk, Nederland,
in eerste aanleg gedaagde, thans geïntimeerde,
gemachtigden: mrs. A.M. van Spaandonk, E.A. Brat en N.M. Prins.
Partijen worden hierna Hocrea en [geïntimeerde] genoemd.

1.De zaak in het kort

Partijen hebben samengewerkt in verband met de exploitatie van een laboratorium.
In het kader van de beëindiging van hun samenwerking hebben zij een onderhandse akte ondertekend en zijn twee notariële akten gepasseerd. Uit kracht van die notariële akten heeft de schuldeiser executoriale beslagen laten leggen.
In deze twee executie-kort gedingen vordert de schuldenaar schorsing van de tenuitvoerlegging van de notariële akten en opheffing van de beslagen. In beide kort gedingen heeft het Gerecht de vorderingen afgewezen.
In dit hoger beroep beoordeelt het Hof de vorderingen zoals zij thans luiden (naar de stand van zaken ten tijde van de uitspraak in hoger beroep). Het Hof verbiedt voorlopig de executoriale verkoop van een woning, maar wijst de vorderingen voor het overige af.

2.Het verloop van de procedure

in de zaak met zaaknummers CUR202404173 – CUR2025H00018
2.1
Bij op 17 januari 2025 ingekomen akte van appel is Hocrea in hoger beroep gekomen van het in kort geding tussen partijen gewezen en op 30 december 2024 uitgesproken vonnis van het Gerecht in eerste aanleg van Curaçao.
2.2
Bij op 7 februari 2025 ingekomen memorie van grieven, met producties, heeft Hocrea acht grieven tegen het vonnis aangevoerd en toegelicht. Haar conclusie strekt ertoe dat het Hof het vonnis zal vernietigen en, uitvoerbaar bij voorraad, haar verminderde vorderingen alsnog zal toewijzen, met veroordeling van [geïntimeerde], in de kosten van het geding, met nakosten en rente.
2.3
Bij op 17 maart 2025 ingekomen memorie van antwoord, met producties, heeft [geïntimeerde] de grieven bestreden. Zijn conclusie strekt ertoe dat het Hof het bestreden vonnis zal bevestigen, met veroordeling van Hocrea, uitvoerbaar bij voorraad, in de proceskosten in hoger beroep, met nakosten en rente.
in de zaak met zaaknummers CUR202500254 – CUR2025H00044
2.4
Bij op 6 maart 2025 ingekomen akte van appel is Hocrea in hoger beroep gekomen van het in kort geding tussen partijen gewezen en op 24 februari 2025 uitgesproken vonnis van het Gerecht in eerste aanleg van Curaçao.
2.5
Bij eveneens op 6 maart 2025 ingekomen memorie van grieven, met producties, heeft Hocrea acht grieven tegen het vonnis aangevoerd en toegelicht. Haar conclusie strekt ertoe dat het Hof het vonnis zal vernietigen en, uitvoerbaar bij voorraad, haar verminderde vorderingen alsnog zal toewijzen, met veroordeling van [geïntimeerde], in de kosten van het geding, met nakosten en rente.
2.6
Bij op 11 april 2025 ingekomen memorie van antwoord, met producties, heeft [geïntimeerde] de grieven bestreden. Zijn conclusie strekt ertoe dat het Hof het bestreden vonnis zal bevestigen, met veroordeling van Hocrea, uitvoerbaar bij voorraad, in de proceskosten in hoger beroep, met nakosten en rente.
in beide zaken
2.7
Bij op 12 december 2025 ingekomen akte heeft Hocrea haar eis gewijzigd en producties toegezonden. [geïntimeerde] heeft op 11 december 2025 en op 15 december 2025 producties toegezonden. Op 16 december 2025 hebben de Curaçaose gemachtigden de beide zaken ten overstaan van het Hof bepleit aan de hand van pleitnotities, waarvan zij exemplaren hebben overgelegd. De advocaten uit Nederland waren aanwezig via een videoverbinding. [bestuurder Hocrea] en [geïntimeerde] zijn verschenen en hebben het woord gevoerd. Vragen van het Hof zijn beantwoord. Een tweede spreektermijn is gegeven en benut.
2.8
Vonnis is bepaald op vandaag.

3.De beoordeling

Feitelijke uitgangspunten
3.1
Het Hof gaat uit van het volgende.
3.1.1 [
[geïntimeerde] is klinisch chemicus. Hij heeft samengewerkt met [bestuurder Hocrea] (hierna: [bestuurder Hocrea]) in verband met de exploitatie van een laboratorium. [bestuurder Hocrea] en zijn echtgenote zijn de bestuurders van Hocrea. [bestuurder Hocrea] is enig aandeelhouder van Hocrea.
3.1.2
Tot 2019 was [geïntimeerde] (al dan niet rechtstreeks) enig aandeelhouder van [Beheer] B.V. (hierna: [Beheer]). In 2019, 2020 en 2021 heeft [geïntimeerde] in tranches 50% van de aandelen in [Beheer] geleverd aan Hocrea; Hocrea heeft daar in die jaren in totaal € 1.350.001 voor betaald. [Beheer] heeft (deels via een stichting administratiekantoor) een aandelenbelang van 74,9% in Human Diagnostics Group B.V. (hierna: HDG). HDG houdt alle aandelen in drie besloten vennootschappen, te weten U-Diagnostics B.V., HealthCheckCenters B.V. en [vennootschap 3] B.V.
3.1.3
In 2020 heeft het laboratorium veel omzet en winst gemaakt in verband met de Covid-19-pandemie.
3.1.4
In 2021 heeft [Beheer] in totaal € 6.450.000 aan dividend uitgekeerd aan Hocrea en een gelijk bedrag aan [geïntimeerde]. In dat jaar heeft [geïntimeerde] te kennen gegeven met pensioen te willen gaan.
3.1.5
Hocrea heeft beleggingspanden in eigendom aan de [adres 1], [adres 2] en [adres 3], alle in Curaçao. Daarnaast heeft Hocrea een woning aan de [adres 4] in Curaçao in eigendom. [bestuurder Hocrea] en zijn echtgenote gebruiken de woning aan de [adres 4] als zij in Curaçao verblijven.
Stichting Particulier Fonds [SPF] (hierna: de SPF) heeft een pand in eigendom aan de [adres 5] in Curaçao.
3.1.6
Bij e-mail van 20 februari 2023 heeft [bestuurder Hocrea], met cc aan [geïntimeerde], laten weten dat de (toen nog op te richten) SPF een kredietfaciliteit van USD 1.500.000 wenst te accepteren met als zekerheid onder meer een eerste hypotheek op [adres 5], [adres 1], [adres 2] en [adres 3]. Vervolgens is deze hypotheek gevestigd en is deze kredietfaciliteit verstrekt.
3.1.7 [
[geïntimeerde] en [bestuurder Hocrea] hebben op 22 juli 2023 een onderhandse akte ondertekend (hierna: de onderhandse akte). Hierin staat (het Hof heeft in vierkante haken artikelnummers toegevoegd om verwijzing te vergemakkelijken):
Overeenkomst Hocrea Beheer BV - [geïntimeerde]
1. Inzake de overname door Hocrea Beheer BV van de door [geïntimeerde] gehouden aandelen [Beheer] BV
 [1] Hocrea Beheer BV neemt alle nog door [geïntimeerde] gehouden aandelen [Beheer] BV over tegen de koopsom van € 80.000
 [2] De koopsom a € 80k wordt opgeteld bij de nog openstaande schuld uit eerder verkregen aandelen a € 420k ten gevolge waarvan de schuld van Hocrea Beheer BV aan [geïntimeerde] uit hoofde van door Hocrea van [geïntimeerde] overgenomen aandelen [Beheer] BV in totaal € 500k bedraagt. De lening zal de volgende voorwaarden bevatten;
o [2.1] Looptijd 7 jaar - Rente 3% per jaar - Annuïteiten
o [2.2] Extra aflossingen a 33,33% uit door [Beheer] BV/Hocrea Beheer BV van HDG BV te ontvangen dividend
o [2.3] Kwijtschelding schuld bij faillissement HDG BV
o [2.4] Kwijtschelding schuld bij zodanige financiële reorganisatie van HDG BV dat de waarde van de door [Beheer] BV gehouden aandelen HDG BV onder de op dat moment openstaande restschuld van Hocrea Beheer BV aan [geïntimeerde] is gedaald.
 [3] De deelnemingen Keten4Care BV en Noorder Laboratoriumcentrum BV van [Beheer] BV worden in eigendom overgedragen aan [geïntimeerde]
 [4] Hocrea Beheer BV neemt de verplichting op zich HDG BV tot een bedrag groot € 1,5 mio te financieren, beschikbaar te stellen in 3 tranches a € 500k, te weten Juli 2023 - Oktober 2023 en Q1 2024 (indien nodig).
o [4.1] Mocht om wat voor reden dan ook deze door Hocrea aan HDG BV te verstrekken financieringen onvoldoende blijken de continuïteit van HDG BV te waarborgen is Hocrea er niet aan te houden de opvolgende tranches beschikbaar te stellen.
 [5] Mocht uit de aangiftes VpB/BTW over de jaren 2021, 2022 en 2023 van zowel [Beheer] BV als de Human Diagnostics Group BV een belastingschuld blijken zijn zowel Hocrea Beheer BV als [geïntimeerde] er toe gehouden dat zij, indien nodig, ieder voor de helft zorg zullen dragen voor de financiering daarvan.
2. Inzake de ontvlechting van de overige vorderingen van [geïntimeerde] op [Beheer] BV
 [6] Hocrea Beheer BV en/of [geïntimeerde] hebben financiële verhoudingen met [Beheer] BV. [geïntimeerde] wenst ten gevolge van hetgeen bepaald onder 1. tot een algehele ontvlechting van zijn financiële verhoudingen met [Beheer] BV te komen.
 [7] Aan accountants [accountant 1] en [accountant 2] wordt opdracht gegeven de financiële verhoudingen in kaart te brengen. Een aan [geïntimeerde] toekomend saldo zal door Hocrea Beheer BV worden geborgd.
o [7.1] Voor de goede orde wordt hier opgemerkt dat het aan [geïntimeerde] toekomende saldo door partijen [geïntimeerde]/ Hocrea op ca. € 700k per 22 juli 2023 is/wordt begroot.
 [8] De afkoop van het aan [geïntimeerde] toekomende saldo uit [Beheer] BV kan ineens voldaan worden door volledige overdracht van de (indirecte) eigendom van het huis gelegen aan de [adres 5];
o [8.1] De eigendom van [adres 5] berust bij [SPF]
o [8.2] [SPF] is gefinancierd door [Beheer] BV én Hocrea Beheer BV.
o [8.3] [adres 5] is langere termijn verhuurd tegen een huursom van Naf 6.250 per maand.
o [8.4] Rechthebbenden op de resultaten van SPF [Beheer] zijn [geïntimeerde] en [bestuurder Hocrea] in privé.
o [8.5] Orcobank houdt een eerste recht van hypotheek ten belope van ca. US $ 317.500
 [9] Na voormelde transactie zullen er géén verdere verplichtingen vanuit [Beheer] BV jegens [geïntimeerde] en/of zijn bloedverwanten of ex-vrouw meer bestaan.
Aldus overeengekomen en ondertekend te Willemstad, Curaçao op Zaterdag 22 juli 2023
Hocrea Beheer BV [geïntimeerde]
[bestuurder Hocrea] - directeur
Art. 2.4 van de onderhandse akte wordt hierna ook genoemd: het kwijtscheldingsbeding.
Art. 5 van Pro de onderhandse akte wordt hierna ook genoemd:
het belastingbeding.
Art. 7.1 van de onderhandse akte wordt hierna ook genoemd:
het begrotingsbeding.
Art. 8 van Pro de onderhandse akte wordt hierna ook genoemd:
het afkoopbeding.
3.1.8
Een in dit verband gepasseerde notariële akte van geldlening van 9 november 2023 (hierna: de akte van geldlening) vermeldt onder meer:
Preambule
Schuldenaar is op heden wegens ter leen ontvangen gelden schuldig aan schuldeiser een bedrag groot vierhonderdtwintigduizend euro (€ 420.000,00). Blijkens een akte houdende de levering van aandelen in het geplaatste kapitaal van [Beheer] B.V. […], mede op heden voor mij, notaris, verleden heeft schuldeiser wegens ter leen verstrekte gelden een aanvullende vordering op schuldenaar groot tachtigduizend euro (€ 80.000,00). Partijen zijn overeengekomen om de beide hiervoor gemelde bedragen in hun onderlinge verhouding als één (1) lening te kwalificeren en de daarop betrekking hebbende leencondities in onderhavige akte vast te leggen. Daarmee zijn alle eerder (alzo vóór heden) overeengekomen leenafspraken komen te vervallen (zodat daaruit dientengevolge voor partijen geen rechten en verplichtingen meer kunnen ontstaan) en zijn tussen partijen van toepassing de leenafspraken zoals in onderhavige akte geconstateerd. Uitvoering gevend aan het vorenstaande verklaarden partijen als volgt:
(…)
Rente
Schuldenaar is over de geldlening of over het restant daarvan jaarlijks een rente verschuldigd van drie procent (3%). Dit rentepercentage zal gedurende de looptijd van de geldlening niet worden gewijzigd.
(…)
Aflossing en betaling van de rente
Aflossing van de geldlening en betaling van de rente zal op annuïteitsbasis (maandelijks bij betaling achteraf) plaats vinden, hetgeen resulteert in een maandbedrag groot zesduizend zeshonderdzes euro en zesenzestig cent (€ 6.606,66). De eerste termijn dient te worden voldaan op dertig november tweeduizend drieëntwintig, de tweede termijn op eenendertig december tweeduizend drieëntwintig en zo vervolgens.
(…)
Opeisbaarheid
De geldlening of het restant daarvan kan, onverminderd de directe opeisbaarheid na het verstrijken van de hiervoor genoemde termijnen, te allen tijde en terstond zonder enige waarschuwing, sommatie of ingebrekestelling worden opgeëist, met de rente tot de dag der betaling in de volgende gevallen:
- (…)
- ingeval van 'ingebreke zijn' van de schuldenaar als hierna bepaald.
(…)
Ingebreke zijn
De schuldenaar is in gebreke door het enkel verloop van de hiervoor genoemde termijnen of het enkele feit van niet of niet behoorlijke nakoming of overtreding van het in deze akte bepaalde, zonder dat daartoe een bevel of soortgelijke akte nodig is.
(…)
Kosten
Alle kosten waartoe de geldlening aanleiding geeft of in de toekomst aanleiding geven zal, daaronder begrepen die, welke schuldeiser nodig zal oordelen te maken tot behoud en ter uitvoering van haar rechten ter zake van onderhavige overeenkomst, komen ten laste van de schuldenaar.
3.1.9
Een in dit verband gepasseerde notariële akte van verkoop en levering van aandelen in het kapitaal van [Beheer] van 9 november 2023 (hierna: de akte van aandelenoverdracht) vermeldt onder meer:
Partijen verklaarden:
Verkoop en levering.
Verkoper heeft verkocht en levert hierbij aan koper die heeft gekocht en hierbij aanvaardt:
twintig (20) gewone aandelen, elk nominaal groot eenduizend gulden (NLG 1.000,00), genummerd 1 tot en met 20, in het geplaatste kapitaal van de Vennootschap, hierna te noemen:
de Aandelen,
zulks blijkens een koopovereenkomst de dato tweeëntwintig juli tweeduizend drieëntwintig, waarvan een kopie aan onderhavige akte zal worden gehecht.
De in onderhavige akte geconstateerde levering van aandelen vindt plaats onder de bepalingen en bedingen als opgenomen in de koopovereenkomst, voor zover daarvan bij onderhavige akte niet wordt afgeweken, en welke bepalingen en bedingen worden geacht woordelijk deel uit te maken van onderhavige akte.
(…)
Wijze betaling koopprijs/schuldbekentenis.
(…)
b. koper erkent bij dezen wegens op heden ter leen ontvangen gelden schuldig aan verkoper een bedrag gelijk aan de koopprijs, welke schuldigerkenning bij dezen door verkoper wordt aangenomen. De van toepassing zijnde leencondities worden geconstateerd in een daartoe strekkende notariële akte (hierna: de geldlening), welke akte eveneens op heden voor mij, notaris, zal worden verleden. (…)
(…)
Overige verbintenissen/afstand ontbindingsrechten.
Voorzover daarvan bij deze akte niet is afgeweken blijft tussen partijen gelden hetgeen overigens bij de verkoop van de Aandelen tussen hen is overeengekomen.
Partijen doen afstand van elk recht om deze overeenkomst of de daaraan ten grondslag liggende obligatoire overeenkomst(en) te ontbinden of ontbinding daarvan te vorderen.
(…)
Afwikkeling financiële relaties
Verkoper en de Vennootschap verklaarden dat alle mogelijke vorderingen, financiële dwarsverbanden en hoofdelijke aansprakelijkheden tussen de vennootschap en aan haar gelieerde vennootschappen enerzijds en de verkoper danwel aan verkoper gelieerde (rechts)personen anderzijds uiterlijk per eenendertig december tweeduizend drieëntwintig geheel zullen worden afgewikkeld. In de koopovereenkomst is daarover nog opgenomen:
 dat aan de accountants [accountant 1] en [accountant 2] de opdracht is gegeven bedoelde financiële verhoudingen in kaart te brengen; en
 dat koper zich bij deze jegens verkoper borg stelt voor de nakoming van de betalingsverplichting voor de Vennootschap van een aan verkoper toekomend saldo.
3.1.10
Op 9 november 2023 is [geïntimeerde] afgetreden als statutair bestuurder van [Beheer]. Sindsdien is Hocrea enig bestuurder van [Beheer].
3.1.11
Op 22 juli 2024 heeft de algemene vergadering van aandeelhouders van HDG de jaarrekeningen van 2021 en 2022 vastgesteld. De jaarrekening van 2022 vermeldt:
- een negatief eigen vermogen van € 4.060.338 op 31 december 2022 (op p. 6),
- een toelichting waarin staat dat meer dan het gehele uitkeerbare vermogen in 2021 is uitgekeerd en dat gerede twijfel zou kunnen bestaan over de continuïteit van het geheel van de werkzaamheden van de vennootschap (op p. 9),
- een in 2022 getroffen reorganisatievoorziening van € 3.167.686 (op p. 21) en
- een oordeelonthouding van de onafhankelijke accountant (na p. 49).
3.1.12
Bij e-mail van 23 juli 2024 heeft [bestuurder Hocrea] met een beroep op het kwijtscheldingsbeding aan [geïntimeerde] bericht dat Hocrea met onmiddellijke ingang geen rente en aflossing meer zal betalen. Hocrea heeft de overeengekomen maandtermijn van juli 2024 ad € 6.606,66 niet op of vóór 31 juli 2024 betaald.
3.1.13
Bij e-mail van 30 juli 2024 heeft [accountant 2] een overzicht naar [accountant 1] gestuurd van de wijze waarop de ontvlechting in zijn optiek zou kunnen plaatsvinden, met een aantal bespreekpunten, waaronder het voorstel om de situatie via de SPF voort te zetten. In dit overzicht staat:
1. [bestuurder Hocrea] meer dividend [Beheer] 522.500
2. Hocrea meer financiering HDG -50.000
3. de SPF-investeringen -59.348
4. expl [adres 5] bij [bestuurder Hocrea] gekomen 23.022
rente en aflossing door [bestuurder Hocrea] betaald PM
5. diversen
-5.438
[geïntimeerde] tegoed subtotaal 430.736
[adres 5]
Waarde volgens taxatie 710.525
Overname hypotheek
-289.201
421.324
Door [Hocrea] te betalen 9.412
Dit bedrag beschouwen we als vergoeding voor het risico dat aan
continuering van de hypotheek hangt.
Per saldo is de verrekening dus
3.1.14
Op 13 augustus 2024 heeft [geïntimeerde] uit kracht van zowel de akte van geldlening als de akte van aandelenoverdracht (hierna gezamenlijk: de notariële akten) ten laste van Hocrea executoriaal beslag doen leggen op [adres 4], [adres 1], [adres 2] en [adres 3].
Op 15 augustus 2024 heeft [geïntimeerde] uit kracht van de notariële akten ten laste van Hocrea executoriaal derdenbeslag doen leggen onder diverse personen, onder wie [beslagene 1] en [beslagene 2] (hierna: [beslagene 1] en [beslagene 2]). [beslagene 1] en [beslagene 2] hebben een schuld aan Hocrea uit een op 16 maart 2022 door Hocrea aan hen verstrekte hypothecaire geldlening van € 250.000. Sinds de beslaglegging betalen zij maandelijks aan [geïntimeerde] in plaats van aan Hocrea. Executoriaal derdenbeslag is ook gelegd onder de huurder van [adres 2], die sindsdien de maandelijkse huur aan [geïntimeerde] betaalt in plaats van aan Hocrea.
De vordering uit hoofde van de geldlening beloopt volgens de beslagexploten € 500.000,00 en die uit hoofde van de aandelenverkoop € 701.879,82.
Laatstgenoemd bedrag is als volgt berekend:
lening [adres 2] en [adres 3] 522.500,00
lening [adres 5] 211.796,00
verhuuropbrengst [adres 5] 23.021,80
schuld U-Diagnostics 10.000,00
Totaal 767.317,80
AF: verschil teruggestort dividend 60.000,00
AF: verrekening diverse kleine bedragen 5.437,98
Saldo 701.879,82
3.1.15 [
[geïntimeerde] heeft ook derdenbeslag doen leggen onder [beslagene 3] en [beslagene 4] te [woonplaats], Nederland. Dezen hebben op 26 augustus 2024 verklaard € 100.000 aan Hocrea verschuldigd te zijn uit hoofde van een op 22 juli 2021 gesloten geldlening. Dat bedrag hebben zij in september 2024 aan [geïntimeerde] afgedragen.
3.1.16
Op 27 augustus 2024 heeft Hocrea de maandtermijn van juli 2024 alsnog betaald en heeft hij ook de maandtermijn van augustus 2024 betaald.
3.1.17
Bij e-mail van 8 oktober 2024 van mr. S.N.J. Putter aan mr. E.A. Brat is namens Hocrea aan [geïntimeerde] voorgesteld dat [geïntimeerde] de beslagen opheft, met uitzondering van het onder [beslagene 2] en [beslagene 1] gelegde derdenbeslag. De door Hocrea aan deze personen verstrekte lening vertegenwoordigt volgens deze e-mail een waarde van ongeveer € 230.000.
3.1.18
In november 2024 heeft Hocrea de beslagen beleggingspanden laten taxeren door Landmark Real Estate. De onderhandse verkoopwaarden zijn getaxeerd op de volgende bedragen:
a. [adres 3] Cg 1.900.000
b. [adres 2] Cg 1.230.000
c. [adres 1] Cg 1.180.000
3.1.19
Op 13 januari 2025 (nadat het bestreden vonnis in het eerste kort geding was uitgesproken) heeft [geïntimeerde] aan Hocrea laten aanzeggen dat mr. A. Palm is aangewezen als notaris, belast met de executoriale verkoop van de onroerende zaak aan de [adres 4]. De onroerende zaak aan de [adres 4] is niet bezwaard met een hypotheek. De notaris heeft aanvankelijk een openbare verkoop op 28 maart 2025 gepland. Later heeft de notaris besloten de openbare verkoop op die datum niet te laten doorgaan.
3.1.20
Op of omstreeks 20 januari 2025 heeft Hocrea aangeboden dat zij haar vordering uit de hypothecaire geldlening aan [beslagene 2] en [beslagene 1] overdraagt aan [geïntimeerde], € 80.069,35 betaalt en redelijke executiekosten vergoedt. Het genoemde bedrag van € 80.069,35 heeft zij overgemaakt naar de derdengeldenrekening van notaris R.P. Mollema. [geïntimeerde] heeft dit aanbod niet aanvaard. Op 24 januari 2025 heeft hij derdenbeslag onder de notaris laten leggen op laatstgenoemd bedrag. Op dezelfde dag heeft [geïntimeerde] ten laste van Hocrea derdenbeslag onder Rabobank laten leggen.
3.1.21
Bij brief van 29 januari 2025 heeft [accountant 1] aan [accountant 2] bericht dat [accountant 1] en [accountant 2] naar zijn mening niets meer hoeven af te stemmen en dat het hem lijkt dat [geïntimeerde] en Hocrea moeten overleggen hoe zij de betaling willen vormgeven. Volgens deze brief zijn [accountant 1] en [accountant 2] het eens over de bedragen die [accountant 2] in zijn e-mail van 30 juli 2024 onder 1, 2, 4 en 5 noemt, maar moet punt 3 worden gecorrigeerd in € 211.796, omdat [geïntimeerde] uit de SPF stapt. De door [accountant 2] voorgestelde alternatieven waren volgens deze brief voor [geïntimeerde] niet acceptabel omdat daarin wordt voortgeborduurd op het aanblijven van [geïntimeerde] in de SPF.
3.1.22
Op 10 februari 2025 heeft Hocrea € 220.000 overgemaakt op de derdengeldenrekening van mr. Brat, advocaat van [geïntimeerde].
3.1.23
In een verklaring d.d. 10 februari 2025 heeft Rabobank vermeld dat het op 24 januari 2025 onder haar gelegde derdenbeslag een tegoed van € 37.440,10 heeft getroffen. Rabobank heeft dit bedrag betaald aan de deurwaarder, onder aftrek van kosten, die het heeft doorbetaald aan de advocaat van [geïntimeerde]. Deze laatste heeft het op 25 februari 2025 ontvangen op zijn derdengeldenrekening.
3.1.24
Bij e-mail van 11 februari 2025 heeft [accountant 2] aan [accountant 1] bericht van mening te zijn:
a. dat [accountant 2] en [accountant 1] geen overeenstemming hebben bereikt over de hoogte van de ontvlechtingsafrekening. [accountant 2] is het niet eens met het door [geïntimeerde] geclaimde bedrag van € 522.500, omdat er geen schuld van die omvang is opgenomen in de boekhouding van [Beheer]; en
b. dat overeenstemming over de titel voor een eventuele betaling deel uitmaakt van de aan [accountant 2] en [accountant 1] verstrekte opdracht.
3.1.25
Op 26 februari 2025 (nadat het bestreden vonnis in het tweede kort geding was uitgesproken) heeft [Beheer] ten laste van [geïntimeerde] conservatoir derdenbeslag onder Hocrea doen leggen ter verzekering van verhaal van een vordering van € 6.901.700 (wegens onverschuldigd betaald dividend, met rente en kosten).
3.1.26
Bij vonnis van 3 maart 2025 heeft de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, U-Diagnostics B.V. in staat van faillissement verklaard.
3.1.27
Op 11 maart 2025 is in opdracht van [geïntimeerde] een taxatierapport uitgebracht over [adres 4]. De onderhandse verkoopwaarde is getaxeerd op Cg 1.150.000.
3.1.28
Bij dagvaarding van 25 maart 2025 heeft [Beheer] onder meer [geïntimeerde] gedagvaard voor de rechtbank Noord-Nederland, locatie Assen, waarbij zij primair betaling van € 6.200.000 vordert als onverschuldigd betaald dividend.
3.1.29
Bij koopovereenkomst van 7 en 8 juni 2025 heeft Hocrea [adres 1] aan derden verkocht voor een prijs van Cg 1.250.000.
3.1.30
Bij dagvaarding van 2 september 2025 hebben Hocrea, [Beheer] en HDG [geïntimeerde] gedagvaard voor de rechtbank Noord-Nederland, locatie Assen, waarbij zij onder meer betaling van € 542.793,16 vorderen en verklaringen voor recht van de strekking dat [geïntimeerde] niets (meer) te vorderen heeft uit hoofde van de geldlening en de aandelenoverdracht. In die zaak heeft [geïntimeerde] op 19 november 2025 een vordering in reconventie ingesteld, onder meer tot betaling van € 508.128,75 uit hoofde van de geldlening, € 549.765,65 uit hoofde van de ontvlechting en € 21.627,98 aan incassokosten.
3.1.31
Een akte van 17 september 2025 strekt ertoe dat een op art. 5 van Pro de onderhandse akte (het belastingbeding) gebaseerde vordering van Hocrea aan [geïntimeerde] wordt overgedragen aan HDG.
3.1.32
Bij e-mail van 25 september 2025 is Orco Bank akkoord gegaan met een voorstel tot wijziging van de kredietfaciliteit aan de SPF waarbij het hypotheekrecht op [adres 5] wordt vrijgegeven.
3.1.33
Op 1 oktober 2025 heeft HDG de akte van 17 september 2025 aan [geïntimeerde] doen betekenen en bevel gedaan tot betaling van € 1.462.780,80. Vervolgens heeft HDG de deurwaarder opgedragen beslag te leggen uit kracht van de akte van aandelenoverdracht. Op 13 oktober 2025 heeft de deurwaarder een deurwaardersrenvooi aanhangig gemaakt bij de voorzieningenrechter in de rechtbank Amsterdam.
3.1.34
Volgens een overzicht van [accountant 1] van 14 november 2025 is de stand van de vorderingen van [geïntimeerde] op Hocrea per 12 november 2025 als volgt, verkort weergegeven:
Lening Ontvlechting
Oorspronkelijk bedrag 500.000 701.879
Aflossingen -43.230
Geïnd -349.906 -152.113
Kosten 2024 65.595 21.879
Rente 2024 20.183 32.384
Kosten 2025 272.431 10.748
Rente 2025 35.244 61.577
Rente over kosten
7.811 489
Totaal
508.128 676.845
3.1.35
Bij vonnis van 11 december 2025 heeft de voorzieningenrechter in het deurwaardersrenvooi beslist dat de akte van aandelenoverdracht geen executoriale titel oplevert voor de door HDG gepretendeerde vordering.
3.1.36
Bij brief van 11 december 2025 heeft Hocrea voorgesteld ten behoeve van [geïntimeerde] een hypotheekrecht van € 700.000 + 30% (rente en kosten) op
[adres 4] te vestigen in ruil voor opheffing van alle beslagen.
Vorderingen in eerste aanleg en beslissingen van het Gerecht
3.2
In het kort geding met zaaknummer CUR202404173 (het eerste kort geding) heeft Hocrea gevorderd, verkort weergegeven:
a. verbod om de notariële akten ten uitvoer te doen leggen;
b. opheffing van de beslagen;
c. bevel om de van derden-beslagenen geïnde bedragen aan Hocrea te betalen; en
d. betaling van de reeds geïnde bedragen van € 111.470,98;
althans
e. schorsing van de tenuitvoerlegging van de notariële akte; en
f. betaling van de reeds geïnde bedragen van € 111.470,98.
3.3
Bij het bestreden vonnis van 30 december 2024 heeft het Gerecht de vorderingen afgewezen.
3.4
In het kort geding met zaaknummer CUR202500254 (het tweede kort geding) heeft Hocrea gevorderd, na eiswijziging in eerste aanleg, verkort weergegeven:
g. verbod om de onroerende zaak aan [adres 4] executoriaal te verkopen;
h. opheffing van alle gelegde beslagen;
i. bevel om te doen wat nodig is om de beslagen door te halen en de derden over de opheffing te informeren.
3.5
Bij het bestreden vonnis van 24 februari 2025 heeft het Gerecht de vorderingen afgewezen.
Vorderingen in hoger beroep
3.6
Na vermindering en wijziging van eis in hoger beroep vordert Hocrea uiteindelijk, verkort weergegeven, het volgende:
j. opheffing van alle beslagen, althans van de beslagen op [adres 2] en [adres 3], althans van alle derdenbeslagen;
k. bevel om te doen wat nodig is om de beslagen door te halen en de derden over de opheffing te informeren, versterkt met dwangsommen;
l. verbod om de notariële akten, althans de akte aandelenoverdracht ten uitvoer te doen leggen, versterkt met dwangsommen;
althans
m. schorsing van de tenuitvoerlegging van de notariële akten, althans de akte aandelenoverdracht.
Beoordeling door het Hof
Executoriale kracht van de grossen van de onderhavige notariële akten
3.7
De vraag rijst of de grossen van de onderhavige notariële akten executoriale kracht hebben.
3.8
Gelet op het verstrekkende en ingrijpende karakter van de bevoegdheden die de deurwaarder bij de tenuitvoerlegging van een executoriale titel heeft, valt het bestaan daarvan alleen te aanvaarden indien de vordering waarvoor deze is verleend met voldoende bepaaldheid in de titel is omschreven. Daarom geldt de eis dat een notariële akte alleen dan een executoriale titel oplevert indien deze betrekking heeft op vorderingen die op het tijdstip van het verlijden van de akte reeds bestaan en in de akte zijn omschreven, of op toekomstige vorderingen die hun onmiddellijke grondslag vinden in een op het tijdstip van het verlijden van de akte reeds bestaande en in de akte omschreven rechtsverhouding. In geval de akte wel betrekking heeft op vorderingen die aan de hiervoor bedoelde vereisten voldoen, maar niet de grootte van het verschuldigde bedrag vermeldt, is de grosse van de akte niettemin voor tenuitvoerlegging vatbaar. Maar dat alleen wanneer de akte de weg aangeeft langs welke op voor de schuldenaar bindende wijze de grootte van het verschuldigde bedrag kan worden vastgesteld, behoudens de mogelijkheid van tegenbewijs door de schuldenaar.
3.9
De akte van geldlening voldoet aan voorgaande eisen wat betreft de hoofdsom van € 500.000. Dat geldt ook voor de ‘rente tot de dag der betaling’ van 3% als bedoeld onder de kopjes ‘rente’ en ‘opeisbaarheid’ in de akte, maar niet voor de wettelijke rente of de wettelijke handelsrente, aangezien die vormen van rente niet in de akte worden genoemd en de akte dus niet (voldoende duidelijk) betrekking heeft op die toekomstige vorderingen en die toekomstige vorderingen ook hun onmiddellijke grondslag niet (met voldoende zekerheid) vinden in de rechtsverhouding die in de akte wordt omschreven. Het geldt ook niet voor de kosten. De akte van geldlening vermeldt niet de grootte van het verschuldigde bedrag aan kosten. Het in de akte opgenomen beding dat alle kosten die de schuldeiser ‘nodig zal oordelen te maken tot behoud en ter uitvoering van haar rechten ter zake van onderhavige overeenkomst’ voldoet niet aan de eis dat de weg wordt aangegeven langs welke de grootte van het verschuldigde bedrag kan worden vastgesteld. De vraag welke kosten de schuldeiser ‘nodig zal oordelen’ in voormelde zin, is afhankelijk van de onzekere, toekomstige gebeurtenis van wat de schuldeiser zal beslissen over wat naar zijn mening nodig is. De akte van geldlening is daarom geen executoriale titel voor alle bedragen die in het overzicht van [accountant 1] van 14 november 2025 worden genoemd. Het is mogelijk dat Hocrea die bedragen wel geheel of gedeeltelijk aan [geïntimeerde] verschuldigd is, maar dat [geïntimeerde] geen executoriale titel heeft voor het innen van al die bedragen.
3.1
De akte van aandelenoverdracht voldoet wat betreft de ontvlechtingsvordering aan voorgaande eisen. Door de verwijzing naar de opdracht aan [accountant 1] en [accountant 2] geeft de akte voldoende duidelijk de weg aan langs welke de grootte van het verschuldigde bedrag kan worden vastgesteld. Overigens is dat niet de enige weg. De grootte van het verschuldigde bedrag kan ook in rechte of door middel van een (zonder medewerking van [accountant 1] en [accountant 2] tot stand gekomen) vaststellingsovereenkomst worden vastgesteld.
Het kwijtscheldingsbeding
3.11
De akte van aandelenoverdracht vermeldt, verkort weergegeven (zowel onder het kopje ‘verkoop en levering’ als onder het kopje ‘overige verbintenissen’) dat de bedingen uit de onderhandse akte waarvan bij de akte van aandelenoverdracht niet wordt afgeweken, blijven gelden. Onder het kopje ‘schuldbekentenis’ (onder b) verwijst de akte van aandelenoverdracht naar de akte van geldlening. De akte van geldlening vermeldt daarentegen (onder het kopje ‘preambule’), verkort weergegeven, dat eerdere leenafspraken zijn komen te vervallen. Het kwijtscheldingsbeding is naar zijn aard een leenafspraak en wordt in de onderhandse akte ook gerubriceerd onder de leningsvoorwaarden. Anderzijds is het kwijtscheldingsbeding ook overeengekomen bij de verkoop van de aandelen. Bij het afwegen van deze omstandigheden is het Hof voorshands van oordeel dat het kwijtscheldingsbeding bij het passeren van de notariële akten is vervallen, zodat aan Hocrea Beheer geen beroep op dat beding toekwam. Bij dit oordeel weegt mee dat onbetwist is dat Hocrea haar investeringen in [Beheer] reeds had terugverdiend en dat het daarom niet voor de hand lag om bij de geldlening een kwijtscheldingsbeding als het onderhavige overeen te komen. Het Hof kan in dit kort geding niet vaststellen of het kwijtscheldingsbeding bij de totstandkoming van de notariële akten besproken is geweest met de notaris. De mailwisseling die [bestuurder Hocrea] later met de notaris hierover heeft gehad (productie 19 Hocrea bij het eerste kort geding) heeft daarop geen betrekking. Daarom legt die mailwisseling nauwelijks gewicht in de schaal.
Geldigheid van de gelegde beslagen
3.12
De beslagexploten bevatten een opgave van hetgeen de geëxecuteerde krachtens de titel (naar de mening van de executant) aan de executant verschuldigd is en voldoen daarmee aan de vereisten van art. 475 lid Pro 1, aanhef en sub c, Rv. Hieraan doet niet af dat de geëxecuteerde de juistheid van de opgaven betwist. De beslagen zijn ook tijdig en op de juiste wijze overbetekend. De beslagen zijn dus geldig.
3.13
De omstandigheid dat Hocrea niet hoofdschuldenaar, maar borg voor de ontvlechtingsvordering is, brengt niet mee dat de ontvlechtingsvordering niet opeisbaar is jegens Hocrea. De akte van aandelenoverdracht bepaalt immers dat de ontvlechting uiterlijk per 31 december 2023 zal worden afgewikkeld. [Beheer] heeft als hoofdschuldenaar de ontvlechtingsvordering op die datum niet voldaan. Nu [bestuurder Hocrea] zowel bestuurder van [Beheer] als bestuurder van Hocrea is, is het niet nodig dat [geïntimeerde] eerst [Beheer] aanspreekt, voordat hij Hocrea aanspreekt.
Blokkerende werking van het door [Beheer] gelegde beslag
3.14
Ingevolge art. 475h lid 1 Rv kan een vervreemding van een door het beslag getroffen vordering, tot stand gekomen nadat het beslag is gelegd, niet tegen de beslaglegger worden ingeroepen.
3.15
Het in opdracht van [Beheer] onder Hocrea ten laste van [geïntimeerde] gelegde derdenbeslag leidt er niet toe dat Hocrea niet langer bevoegd is aan [geïntimeerde] te betalen of dat [geïntimeerde] niet langer bevoegd is betaling van Hocrea te verlangen, maar het leidt er slechts toe dat Hocrea het risico loopt dat haar betalingen aan [geïntimeerde] van onwaarde worden verklaard in die zin dat zij Hocrea niet bevrijden van de verplichting (ook) aan [Beheer] te betalen. Dit derdenbeslag is daarom geen reden om enige door [geïntimeerde] gelegde executoriale beslagen op te heffen of om de tenuitvoerlegging van de notariële akten te schorsen.
Het afkoopbeding
3.16
Het Hof is voorshands van oordeel dat art. 8 van Pro de onderhandse akte (het afkoopbeding) (volgens de Haviltex-maatstaf) zo moet worden uitgelegd dat de ontvlechtingsvordering naar keuze van [Beheer] voldaan kan worden in geld of door middel van overdracht van [adres 5]. Het woord “kan” dient niet te worden uitgelegd als een vrijblijvende mogelijkheid om deze wijze van voldoening nader overeen te komen, maar als een keuzebevoegdheid voor [Beheer].
3.17
Naar voorshands oordeel van het Hof doet hieraan niet af dat art. 8.5 van de onderhandse akte een hypotheek ten belope van ongeveer USD 317.500 vermeldt, terwijl de hypotheek in werkelijkheid verband houdt met een kredietfaciliteit van USD 1.500.000. Voorshands is aannemelijk dat [geïntimeerde] op de hoogte was of redelijkerwijs had behoren te zijn van deze door Orco Bank verstrekte kredietfaciliteit, de hoogte ervan en de in dat verband gevestigde hypotheek. Voorshands is aannemelijk dat het in de onderhandse akte genoemde bedrag van USD 317.500 is afgeleid van het als kredietfaciliteit ter beschikking gestelde bedrag van USD 1.500.000, rekening houdend met de omstandigheid dat de hypotheek niet alleen was gevestigd op [adres 5], maar op nog drie panden. Mogelijk is het bedrag van USD 317.500 een rekenfout of een verschrijving en is USD 375.000 bedoeld (USD 1.500.000 gedeeld door vier) of mogelijk is rekening ermee gehouden dat de verschillende panden een verschillende waarde hebben.
Vereffening
3.18
Ingevolge art. 504a lid 2 Rv kan niet tot executoriale verkoop worden overgegaan, zolang de vordering niet is vereffend. Een vordering is vereffend, indien het verschuldigde bedrag op voor de schuldenaar bindende wijze is vastgesteld. Zoals hiervoor is overwogen, kan dit voor de ontvlechtingsvordering gebeuren (a) doordat [accountant 1] en [accountant 2] het eens worden over het verschuldigde bedrag, (b) doordat de rechter erover beslist en (c) doordat [geïntimeerde] en [Beheer] het bedrag vaststellen in een vaststellingsovereenkomst.
3.19
Het begrotingsbeding (art. 7.1 van de onderhandse akte) maakt niet dat de ontvlechtingsvordering als vereffend heeft te gelden. Het in het begrotingsbeding genoemde bedrag van ca. € 700k diende volgens de onderhandse akte immers aan [accountant 1] en [accountant 2] te worden voorgelegd om te zien of deze begroting juist was.
3.2
Anders dan [geïntimeerde] heeft betoogd, kan voorshands niet worden aangenomen dat [accountant 1] en [accountant 2] het eens zijn geworden over het uit hoofde van de ontvlechtingsvordering verschuldigde bedrag. Weliswaar verenigt het Hof zich voorshands met het betoog van [geïntimeerde] dat [accountant 1] en [accountant 2] het niet eens hoeven te worden over de vraag of het verschuldigde bedrag in geld moet worden betaald of dat de vordering ook op andere wijze kan worden voldaan (dus over de vraag of [geïntimeerde] gebonden is aan het afkoopbeding, art. 8 van Pro de onderhandse akte, en over het voorstel dat [geïntimeerde] bij de SPF betrokken blijft), maar uit de e-mailwisseling tussen [accountant 1] en [accountant 2] blijkt dat zij het ook niet eens zijn over post 1, de schuld van € 522.500. De ontvlechtingsvordering is ook niet op andere wijze vereffend. Er kan dus niet tot executoriale verkoop worden overgegaan tot verhaal van de ontvlechtingsvordering. Het Hof zal dat daarom verbieden.
Beoordelingsmaatstaf voor schorsing
3.21
Ingevolge art. 438 lid 3 Rv Pro kan de rechter in een executiegeschil de tenuitvoerlegging schorsen. De vraag rijst welke beoordelingsmaatstaf de rechter moet hanteren indien het executiegeschil betrekking heeft op de tenuitvoerlegging van een notariële akte. De Hoge Raad heeft deze rechtsvraag (nog) niet beantwoord. De feitenrechters hebben hierover in verschillende zin geoordeeld.
3.22
In HR 20 december 2019, ECLI:NL:HR:2019:2026 heeft de Hoge Raad maatstaven ontwikkeld voor schorsing van tenuitvoerlegging van rechterlijke uitspraken in gevallen waarin een rechtsmiddel is ingesteld of nog openstaat (zie rov. 5.4.1-5.6.4 van die uitspraak, hierna: de Strandhotel-maatstaven). Daarbij heeft de Hoge Raad overwogen dat strengere maatstaven blijven gelden voor gevallen waarin geen rechtsmiddel meer openstaat (zie rov. 5.7.1-5.7.2 van die uitspraak, hierna: de Ritzen/Hoekstra-maatstaven).
3.23
Dit Hof is voorshands van oordeel dat bij de tenuitvoerlegging van notariële akten als de onderhavige de Ritzen/Hoekstra-maatstaven dienen te worden toegepast, gelet op het volgende. In geval van een notariële (partij)akte heeft de schuldenaar het bestaan van de vordering uitdrukkelijk erkend ten overstaan van een notaris. Daarbij heeft de schuldenaar ermee ingestemd dat met betrekking tot de vordering een executoriale titel aan de schuldeiser wordt verstrekt. Hiermee heeft hij aanvaard dat de vordering zonder rechterlijke tussenkomst ten uitvoer kan worden gelegd. Daarbij past een maatstaf op grond waarvan de rechter de tenuitvoerlegging niet te gemakkelijk kan schorsen.
3.24
Steun voor dit oordeel vindt het Hof in het volgende. Het is mogelijk om een rechtszaak te beginnen om het bestaan van de vordering te betwisten die in de notariële akte staat omschreven, maar een dergelijke rechtszaak schorst de tenuitvoerlegging van de notariële akte niet; daarvoor is een beslissing van de rechter nodig. Een gewoon rechtsmiddel tegen een rechterlijke uitspraak heeft in beginsel juist wel schorsende werking. Weliswaar is dat anders indien de rechterlijke uitspraak uitvoerbaar bij voorraad is verklaard, maar de Strandhotel-maatstaven strekken ertoe daarover een nieuw rechterlijk oordeel te geven, met name indien daarover eerder geen partijdebat is gevoerd. Dit is een belangrijk verschil tussen notariële akten en rechterlijke uitspraken.
3.25
Het Hof verenigt zich dus met de visie van de auteur in Asser Procesrecht/Boonekamp 6 2024/176a-177.
Misbruik van bevoegdheid
3.26
Ten tijde van de beslagleggingen van augustus 2024 had Hocrea slechts één maandtermijn onbetaald gelaten. Deze omstandigheid is echter op zichzelf onvoldoende om te concluderen dat [geïntimeerde] misbruik maakt van zijn bevoegdheid tot tenuitvoerlegging van de notariële akten. Hocrea had immers aangekondigd ook de verdere maandtermijnen niet te zullen betalen. Later in augustus 2024 heeft Hocrea twee maandtermijnen betaald. Ook deze omstandigheid leidt er niet toe dat misbruik van bevoegdheid moet worden aangenomen. [geïntimeerde] mocht die betalingen onvoldoende achten om op grond daarvan af te zien van zijn executiebevoegdheid.
3.27 [
[geïntimeerde] is redelijkerwijs niet gehouden om in plaats van betaling in geld, overdracht van een vordering uit een geldlening zoals die van [beslagene 1] en [beslagene 2] te accepteren, ook niet als hij eerder wel daartoe bereid was (vergelijk art. 6:45 BW Pro).
3.28
De omstandigheid dat [bestuurder Hocrea] en zijn echtgenote de woning aan de [adres 4] gebruiken als zij in Curaçao verblijven, legt weinig gewicht in de schaal. Aannemelijk is dat zij (een deel van het jaar) in Nederland wonen en, als zij in Curaçao verblijven, ook elders onderdak kunnen vinden. Onbetwist staat vast dat executoriale verkoop van [adres 4] ten opzichte van executoriale verkoop van de andere beslagen panden het voordeel heeft dat [adres 4] niet met een hypotheek is bezwaard.
3.29 [
[geïntimeerde] is redelijkerwijs niet gehouden om [accountant 1] opdracht te geven om samen met [accountant 2] tot een vaststelling van de ontvlechtingsvordering te komen. [accountant 1] is immers van mening dat hij reeds aan die opdracht heeft voldaan. [geïntimeerde] is ook niet gehouden om een derde accountant in te schakelen. Hocrea kan, indien [geïntimeerde] niet meewerkt aan de totstandkoming van een vaststellingsovereenkomst, immers ook trachten in rechte tot vaststelling van de ontvlechtingsvordering te komen. Dat heeft zij inmiddels ook gedaan door een bodemzaak te beginnen bij de rechtbank Noord-Nederland, locatie Assen.
3.3
Zoals hiervoor is overwogen, is het Hof voorshands van oordeel dat [geïntimeerde] wel gehouden is om mee te werken aan betaling van de ontvlechtingsvordering door middel van overdracht van [adres 5]. Dit moet dan in beginsel op zodanige wijze gebeuren dat [adres 5] niet belast is met een hypotheek tot zekerheid van een hogere schuld dan het in het afkoopbeding (art. 8 van Pro de onderhandse akte) genoemde bedrag van USD 317.500. Het schikkingsvoorstel van Hocrea van 11 december 2025 voldoet daar niet aan. [geïntimeerde] verkeert naar voorshands oordeel van het Hof daarom niet in schuldeisersverzuim.
3.31
Betalingen en verhaal van bedragen dienen in beginsel te worden toegerekend volgens de voorschriften van art. 6:43 en Pro 6:44 BW. Waar het kosten en rente betreft, zijn dat in beginsel slechts de kosten en rente waarvoor de notariële akten een executoriale titel opleveren. Het Hof kan dat voorshands niet berekenen.
3.32
Volgens het overzicht van Hocrea onder 3.1 in haar pleitnota in eerste aanleg in het tweede kort geding, was toen in totaal betaald, naar het Hof begrijpt:
a. In de annuïteiten tot en met augustus 2024 € 43.230
b. Geïncasseerd tot januari 2025 152.430
c. Betaald aan de notaris in januari 2025 80.070
d. Betaling op 10 februari 2025 220.000
e. Ontvangen van Rabobank in februari 2025
37.44
Totaal € 533.170
Volgens het overzicht van [accountant 1] is per 12 november 2025 betaald:
a. In de annuïteiten tot en met augustus 2024 € 43.230
b. Geïnde bedragen
349.906
152.113
502.019
Totaal € 545.249
3.33
Dit betekent dat er in totaal meer is betaald of verhaald dan de hoofdsom van de leningsovereenkomst (€ 500.000). Verder heeft [bestuurder Hocrea] een voorstel gedaan om de hoofdsom van de ontvlechtingsvordering te voldoen door middel van overdracht van [adres 5]. [geïntimeerde] is weliswaar niet verplicht dat voorstel te aanvaarden, maar het weegt wel mee bij de beoordeling van de vraag of hij misbruik van bevoegdheid maakt.
3.34
Het is aannemelijk dat Hocrea en [bestuurder Hocrea] veel financiële hinder ondervinden van de in opdracht van [geïntimeerde] gelegde beslagen, maar voorshands is onvoldoende aannemelijk dat handhaving van de beslagen daadwerkelijk een noodtoestand bij hen doet ontstaan.
3.35
Voorshands is ook onvoldoende aannemelijk dat [geïntimeerde] de beslagen handhaaft met het enkele doel Hocrea (en [bestuurder Hocrea]) te schaden. Voorshands is aannemelijk dat hij dat mede doet met het doel om zijn vorderingen zo snel en efficiënt mogelijk geïnd te krijgen.
3.36
Naar het oordeel van het Hof is thans nog geen sprake van een zodanige onevenredigheid van belangen dat dit tot opheffing van de beslagen dient te leiden. Dit kan anders worden als de financiële nood bij Hocrea verder oploopt en als de opstelling van [geïntimeerde] bij het verder onderhandelen over de afwikkeling van de vorderingen daar aanleiding voor geeft.
3.37
Partijen moeten een kans krijgen om in onderling overleg tot een vergelijk te komen. De bij de rechtbank Noord-Nederland, locatie Assen geplande mondelinge behandeling kan daar een goede mogelijkheid toe bieden. Het Hof wil die mogelijkheid niet belasten door nu meer in te grijpen dan nodig is. Het Hof tracht de kans op succes te bevorderen door zo veel mogelijk voorshands oordelen te geven, zoals hiervoor is gebeurd.
Slotsom
3.38
Slotsom van het bovenstaande is dat het Hof een verbod zal uitspreken om tot executoriale verkoop van [adres 4] over te gaan, zolang de ontvlechtingsvordering niet is vereffend. Hieraan zal geen dwangsom worden verbonden, omdat aannemelijk is dat geen notaris zal meewerken aan een door de rechter verboden executoriale verkoop. Het Hof zal de executie van de notariële akten voor het overige niet schorsen en zal geen bevel geven om enig beslag op te heffen.
3.39
In het eerste kort geding was executoriale verkoop van [adres 4] nog niet aan de orde. Alle vorderingen zijn toen terecht afgewezen. Dat vonnis dient in stand te blijven, inclusief de proceskostenveroordeling. In het tweede kort geding was een verbod tot verkoop van [adres 4] wel aan de orde. Mogelijk was de hoofdsom van de geldlening toen nog niet geheel voldaan, maar wel voor een zeer groot gedeelte. Gelet daarop had in het tweede kort geding ook al een verbod moeten worden opgelegd om tot executoriale verkoop van [adres 4] over te gaan. Dat vonnis zal daarom worden vernietigd. De proceskosten van het tweede kort geding in eerste aanleg dienen te worden gecompenseerd. In hoger beroep worden alle kosten gecompenseerd.
B E S L I S S I N G
Het Hof:
bevestigt het bestreden vonnis van 30 december 2024;
vernietigt het bestreden vonnis van 24 februari 2025;
en opnieuw rechtdoende:
verbiedt [geïntimeerde] om tot executoriale verkoop van [adres 4] over te gaan, zolang de ontvlechtingsvordering niet is vereffend;
verstaat dat cassatieberoep tegen dit vonnis de gebondenheid van [geïntimeerde] aan dit verbod niet schorst;
compenseert de proceskosten in het tweede kort geding in eerste aanleg en alle proceskosten in hoger beroep zo dat iedere partij de eigen kosten draagt;
wijst af het meer of anders gevorderde.
Dit vonnis is gewezen door mrs. G.C.C. Lewin, C.J.H.G. Bronzwaer en E.W.A. Vonk, leden van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba en ter openbare terechtzitting van het Hof in Curaçao uitgesproken op 27 januari 2026 in tegenwoordigheid van de griffier.