Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:OGHACMB:2026:152

Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba

Datum uitspraak
9 juni 2026
Publicatiedatum
11 juni 2026
Zaaknummer
AUA2024H00202
Instantie
Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 269 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging vonnis over afrekening bouwproject en betalingsverplichtingen

Deze zaak betreft een geschil over de afrekening van een bouwproject waarbij opdrachtnemers toezicht hielden en betalingen verrichtten namens opdrachtgever. Opdrachtgever vorderde betaling van een bedrag dat opdrachtnemers volgens hem niet aan de aannemer hadden doorbetaald.

In eerste aanleg werd opdrachtnemers veroordeeld tot betaling van Afl. 82.569,96 plus wettelijke rente en proceskosten. Opdrachtnemers gingen in hoger beroep en voerden vijf grieven aan, waaronder betwisting van het bedrag, de rente, hoofdelijkheid en proceskosten.

Het Hof oordeelde dat opdrachtnemers onvoldoende bewijs leverden voor hun stelling dat een dertiende betaling aan de aannemer was gedaan. Ook konden zij het hogere bedrag aan betalingen aan een andere betrokkene niet onderbouwen. De grieven faalden vanwege gebrek aan bewijs en onvoldoende onderbouwing.

Het verzoek van een opdrachtnemer om kosteloos te procederen werd gehonoreerd wegens onvermogen. Het Hof bevestigde het vonnis van het Gerecht en veroordeelde opdrachtnemers in de proceskosten, begroot op Afl. 426 aan verschotten en Afl. 3.750 aan salaris gemachtigde, vermeerderd met nakosten.

De uitspraak werd gedaan door het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba op 9 juni 2026.

Uitkomst: Het Hof bevestigt het vonnis van het Gerecht en veroordeelt opdrachtnemers tot betaling van Afl. 82.569,96 met rente en proceskosten.

Uitspraak

Burgerlijke zaken over 2026
Zaaknummers: AUA202203073 – AUA2024H00202
Uitspraak: 9 juni 2026
GEMEENSCHAPPELIJK HOF VAN JUSTITIE
van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en
van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
V O N N I S
in de zaak van:
1.
[OPDRACHTNEMER 1],
wonende in Aruba,
2. de vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
R 4 REAL ESTATE VBA,
gevestigd in Aruba,
in eerste aanleg gedaagden,
thans appellanten,
gemachtigde: mr. D.G. Croes,
tegen
[OPDRACHTGEVER],
wonende in de Verenigde Staten van Amerika,
in eerste aanleg eiser,
thans geïntimeerde,
gemachtigde: mr. N.S. Gravenstijn.
Partijen worden hierna [opdrachtnemers] en [opdrachtgever] genoemd.

1.De zaak in het kort

Dit geding heeft betrekking op de afrekening van een bouwproject. Inzet is de vraag welk bedrag [opdrachtnemers] nog verschuldigd zijn aan [opdrachtgever].
In eerste aanleg is dat bedrag bepaald op Afl. 82.569,96 in hoofdsom. Het Hof komt tot hetzelfde oordeel.

2.Het verloop van de procedure

1.1
Bij op 17 juli 2024 ingekomen akte zijn [opdrachtnemers] in hoger beroep gekomen van het op 5 juni 2024 uitgesproken vonnis van het Gerecht in eerste aanleg van Aruba (hierna: het Gerecht).
1.2
Bij op 28 augustus 2024 ingekomen memorie van grieven hebben [opdrachtnemers] vijf grieven tegen het vonnis aangevoerd en toegelicht. Hun conclusie strekt ertoe dat het Hof, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, het vonnis zal vernietigen en de vordering van [opdrachtgever] alsnog zal afwijzen met veroordeling van [opdrachtgever] in de proceskosten in beide instanties. [opdrachtnemer 1] heeft daarnaast verzocht hem toe te staan kosteloos te procederen.
1.3
Bij op 9 december 2024 ingekomen memorie van antwoord heeft [opdrachtgever] de grieven van [opdrachtnemers] bestreden en geconcludeerd tot bevestiging van het vonnis waarvan beroep en het daaraan voorafgaande tussenvonnis, met veroordeling van [opdrachtnemers] in de proceskosten, vermeerderd met nakosten.
1.4
Op 9 december 2025 hebben beide partijen pleitnotities (met producties) ingediend. De producties zijn wederzijds vooraf aan elkaar toegezonden.
1.5
Vonnis is nader bepaald op vandaag.

3.De beoordeling

Kosteloos procederen en omvang hoger beroep
3.1.1 [
opdrachtnemer 1] heeft verzocht in hoger beroep kosteloos te mogen procederen. Blijkens het overgelegde bewijs van onvermogen is hij niet in staat de proceskosten van het hoger beroep te dragen. Het verzoek wordt daarom gehonoreerd.
3.1.2 [
opdrachtnemers] hebben hoger beroep ingesteld tegen het eindvonnis van 5 juni 2024.
Ingevolge art. 269 Rv Pro geldt dat het hoger beroep van het eindvonnis ten gevolge heeft dat de appelrechter in beginsel tevens oordeelt over de daaraan voorafgaande vonnissen. Het verlangen dat niet te doen kan een appellant in de akte van appel vermelden, maar daarvan is in dit geval geen sprake. Met het ingestelde hoger beroep is het tussenvonnis dus ook aan het oordeel van het Hof onderworpen. Het andersluidende betoog van [opdrachtgever] wordt niet gevolgd.
De feiten
3.2
Het Hof gaat uit van de volgende feiten.
3.2.1 [
opdrachtgever] is in 2019 eigenaar geworden van een perceel grond in Aruba. Op 15 maart 2021 heeft hij met een aannemer ([aannemer]) een overeenkomst gesloten voor de bouw van een woning op dat perceel. Tussen [opdrachtgever] en [opdrachtnemers] is toen een opdrachtovereenkomst tot stand gekomen. Deze hield in dat [opdrachtnemers] toezicht zouden houden op de bouw en diverse betalingen aan derden zouden verrichten, onder andere aan de aannemer. Dat moesten [opdrachtnemers] doen vanuit door [opdrachtgever] aan hen betaalde bedragen. Tussen 9 maart 2021 en 31 januari 2022 heeft [opdrachtgever] in totaal Afl. 575.321,72 via de bank overgemaakt aan [opdrachtnemers]
3.2.2
De opdrachtovereenkomst tussen partijen is geëindigd per 10 februari 2022.
3.2.3
Daarna is onenigheid ontstaan over de rekening en verantwoording van inkomsten en uitgaven door [opdrachtnemers], hetgeen ertoe heeft geleid dat [opdrachtgever] [opdrachtnemers] in maart 2022 in kort geding heeft betrokken. Op 11 april 2022 hebben partijen een minnelijke regeling getroffen welke is gehecht aan het proces-verbaal van de zitting op die dag.
De vordering van [opdrachtgever] en de beslissing van het Gerecht
3.3.1 [
opdrachtgever] heeft, zakelijk weergegeven en voor zover nog van belang, gevorderd dat [opdrachtnemers], hoofdelijk, worden veroordeeld aan hem Afl. 110.751,12 vermeerderd met wettelijke rente vanaf 11 april 2022 te betalen en dat zij worden veroordeeld in de proceskosten.
3.3.2
Het Gerecht heeft [opdrachtnemers] hoofdelijk veroordeeld tot betaling van
Afl. 82.569,96, vermeerderd met de wettelijke rente en [opdrachtnemers], hoofdelijk, veroordeeld in de proceskosten.
De grieven van [opdrachtnemers]
3.4
Met hun vijf grieven komen [opdrachtnemers] op tegen de veroordeling tot betaling van Afl. 82.569,96. Volgens hen is dat bedrag onjuist. Ook de veroordeling tot betaling van wettelijke rente, de hoofdelijkheid van de veroordelingen en de proceskostenveroordeling zijn volgens hen onjuist.
De omvang van de aan [aannemer] gedane betalingen
3.5.1
Niet in geschil is dat, voor zover van belang, door [opdrachtnemers] uit de van [opdrachtgever] ontvangen gelden 13x een bedrag van Afl. 20.000 betaald moest worden aan [aannemer]. Evenmin is in geschil dat dit bedrag in ieder geval 12x is voldaan. De vraag is of ook het dertiende bedrag is betaald. Het Gerecht heeft geoordeeld dat dit niet is komen vast te staan.
3.5.2
Volgens een door [opdrachtnemers] zelf opgesteld overzicht (productie 2 bij conclusie van dupliek) is 12 x een bedrag van Afl. 20.000 betaald aan [aannemer]. Ook volgens [aannemer] is 12x betaald. Dat blijkt uit het door [opdrachtnemers] als productie 4 bij conclusie van dupliek overgelegde overzicht van 1 februari 2022 van [aannemer]. Op verzoek van [opdrachtnemers] heeft administratiekantoor [administratiekantoor] (verder [administratiekantoor]), onder andere, onderzocht welke uitgaven door [opdrachtnemers] zijn gedaan. In het van dat onderzoek gemaakte rapport (conclusie 6 bij conclusie van dupliek) zijn 13 betalingen van Afl. 20.000 vermeld. Volgens [opdrachtgever] vermeldt [administratiekantoor] ten onrechte dat ook op 28 juli 2021 een bedrag van Afl. 20.000 is voldaan.
3.5.3
Het Gerecht (tussenvonnis van 6 december 2023) heeft [opdrachtnemers] in de gelegenheid gesteld een betalingsbewijs in het geding te brengen van die betaling van 28 juli 2021. Daarop hebben [opdrachtnemers] een bankafschrift in het geding gebracht dat gedateerd is op 21 juni 2021. Het Gerecht heeft daarvan geoordeeld dat dit niet aansluit bij de gestelde betalingsdatum van 28 juli 2021. Ook is geoordeeld dat [opdrachtnemers] niet anderszins hebben opgehelderd waarom [administratiekantoor] van dertien betalingen van Afl. 20.000 uitgaat terwijl [aannemer] uitgaat van twaalf stuks.
3.5.4
Volgens [opdrachtnemers] (grief 1) is het enkele feit dat [aannemer] het heeft over twaalf betalingen onvoldoende reden om af te wijken van het door [administratiekantoor] genoemde aantal van dertien betalingen. Bovendien had zij tot bewijslevering moeten worden toegelaten of had een deskundige moeten worden benoemd.
3.5.5
Het Hof oordeelt als volgt. [opdrachtgever] heeft in dit geding (terug)betaling gevorderd van wat te veel aan [opdrachtnemers] is betaald. Volgens [opdrachtgever] heeft hij, onder andere, een bedrag van Afl. 20.000 te veel betaald aan [opdrachtnemers] Dat bedrag hebben [opdrachtnemers] namelijk, volgens hem, niet doorbetaald aan [aannemer]. Het verweer van [opdrachtnemers] is dat dit bedrag wel degelijk is doorbetaald, namelijk op 28 juli 2021. Dat is een bevrijdend verweer. Stelplicht en bewijslast daarvan rusten op [opdrachtnemers] als degenen die uit hoofde van de opdrachtovereenkomst rekening en verantwoording moeten afleggen van wat zij hebben gedaan met de gelden die zij (onbetwist) van [opdrachtgever] hebben ontvangen.
3.5.6
Het Gerecht heeft geoordeeld dat met het overgelegde bankafschrift van 21 juni 2021 niet is aangetoond dat (ook) op 28 juli 2021 een betaling van Afl. 20.000 is verricht. De juistheid van dat oordeel is door [opdrachtnemers] niet bestreden. Het Hof verenigt zich ermee. Een ander betalingsbewijs, waaruit van de door [opdrachtnemers] gestelde betaling op 28 juli 2021 kan blijken, is door hen in hoger beroep niet overgelegd. Gesteld noch gebleken is dat [opdrachtnemers] niet meer over een dergelijk betalingsbewijs kunnen beschikken en, om die reden, redelijkerwijs niet van hen gevergd kon worden dat bewijs, alsnog, in hoger beroep te produceren.
3.5.7
Evenmin is in hoger beroep enige uitleg gegeven over de reden van het verschil tussen het van [aannemer] afkomstige overzicht (12 betalingen) en dat van [administratiekantoor] (13 betalingen). Die uitleg mocht in hoger beroep redelijkerwijs wel worden verwacht, reeds omdat het Gerecht op de afwezigheid daarvan had gewezen en en mede op basis daarvan had geoordeeld. Die eis stelt [opdrachtnemers] ook niet voor een onmogelijke taak: [administratiekantoor] had, in overleg met [aannemer] en op basis van de eigen administratie van [opdrachtnemers], naar mag worden aangenomen kunnen controleren of haar eigen rapport juist was op het punt van het aantal gedane betalingen van Afl. 20.000.
3.5.8
De conclusie op dit onderdeel is dat [opdrachtnemers] hun stelling dat sprake is van een dertiende betaling op 28 juli 2021 onvoldoende hebben onderbouwd. Aan bewijslevering wordt om die reden niet toegekomen, nog daargelaten dat van een specifiek en ter zake dienend bewijsaanbod geen sprake is. Ook voor een deskundigenbericht bestaat om dezelfde reden geen grond. [opdrachtnemers] zijn gehouden tot terugbetaling van Afl. 20.000. Dit onderdeel van grief 1 slaagt niet.
De betaling aan [betrokkene]
3.6.1 [
opdrachtgever] heeft in eerste aanleg gesteld dat aan [betrokkene] is betaald een bedrag van Afl. 41.006,17. Het verweer van [opdrachtnemers] was dat betaald is Afl. 47.613,88. Het Gerecht (tussenvonnis 6 december 2023) heeft [opdrachtnemers] in de gelegenheid gesteld betalingsbewijzen over te leggen. [opdrachtnemers] hebben daarop laten weten die bewijzen niet te kunnen overleggen omdat door [opdrachtgever] goederen zijn teruggebracht en daardoor uiteindelijk voor niet meer dan Afl. 41.006,17 is afgenomen. Het Gerecht heeft die stelling onvoldoende onderbouwd geoordeeld, mede omdat een creditnota van [betrokkene] voor de beweerdelijk teruggebrachte goederen ontbreekt.
3.6.2 [
opdrachtnemers] hebben de juistheid van dit oordeel in hoger beroep bestreden en daartoe aangevoerd dat niet zonder meer vertrouwd kan worden op de administratie van [betrokkene] (waarop [opdrachtgever] zich beroept) en dat zij hun stelling over teruggebrachte goederen wel voldoende hebben onderbouwd.
3.6.3
Weliswaar is in het rapport van [administratiekantoor] vermeld dat [opdrachtnemers] Afl. 47.613,88 hebben betaald aan [betrokkene], maar daar staat tegenover dat in de administratie van [betrokkene] (productie 19 bij conclusie van repliek) slechts een bedrag van Afl. 41.006,17 is vermeld. Bewijsstukken waaruit kan blijken dat [opdrachtnemers] daadwerkelijk het hogere bedrag hebben betaald zijn ook in hoger beroep niet overgelegd, hoewel redelijkerwijs mag worden aangenomen dat [opdrachtnemers] die bewijsstukken bezitten of kunnen verkrijgen en stelplicht en bewijslast van ook dit (bevrijdende) verweer op [opdrachtnemers] rusten. Het verweer van [opdrachtnemers] tegen de vordering van [opdrachtgever] is reeds daarom onvoldoende onderbouwd. Daarbij komt dat ook de stelling dat goederen zijn teruggebracht door [opdrachtgever] niet van enig onderliggend stuk (bijvoorbeeld: een creditnota, zoals de eerste rechter al opmerkte) is voorzien. Ook in zoverre is het verweer onvoldoende onderbouwd. Aan bewijslevering wordt om die reden niet toegekomen. Een specifiek en ter zake dienend bewijsaanbod ontbreekt bovendien. Ook dit onderdeel van grief 1 slaagt niet.
De vergoeding voor [opdrachtnemers]
3.7.1
Volgens [opdrachtgever] hebben [opdrachtnemers] voor Afl. 159,63 meer administratiekosten in rekening gebracht dan tussen partijen was overeengekomen. Het Gerecht heeft geoordeeld dat partijen een lumpsumvergoeding voor administratiekosten zijn overeengekomen, dat het bedrag waarop [opdrachtnemers] aanspraak maken die vergoeding overschrijdt en dat voor die extra betaling daarom geen grond bestaat.
3.7.2
In hoger beroep (grief 2) stellen [opdrachtnemers] dat betaling van (ook) Afl. 159,63 is overeengekomen en, subsidiair, dat de betalingsverplichting van [opdrachtgever] zijn grondslag vindt in het gebruik. Enige toelichting ontbreekt echter. Daarmee is hun grief op dit onderdeel onvoldoende onderbouwd. Aan bewijslevering wordt om die reden niet toegekomen. Een specifiek en ter zake dienend bewijsaanbod ontbreekt bovendien. [opdrachtnemers] zijn dus gehouden tot terugbetaling van Afl. 159,63. Grief 2 slaagt niet.
De wettelijke rente, de hoofdelijkheid en de proceskostenveroordeling
3.8.1
Het Gerecht heeft [opdrachtnemers] tot betaling van wettelijke rente veroordeeld (zoals in het dictum van het eindvonnis vastgelegd) en de veroordelingen hoofdelijk gemaakt op grond van de overweging dat de tussen partijen op 11 april 2022 gemaakte afspraken de basis daarvoor vormden. Omdat [opdrachtnemers] overwegend in het ongelijk gesteld zijn heeft het Gerecht hen in de proceskosten veroordeeld.
3.8.2 [
opdrachtnemers] betwisten (grief 3) de verschuldigdheid en ingangsdatum van de wettelijke rente alsmede de hoofdelijke gehoudenheid tot betaling, maar ook hier ontbreekt enige toelichting. Grief 3 slaagt niet.
3.8.3
Uit dit vonnis blijkt dat de beslissingen van het Gerecht juist waren. Terecht zijn [opdrachtnemers] daarom in de proceskosten veroordeeld. Ook grief 4 slaagt niet.
Slotsom
3.9
De grieven 1 tot en met 4 slagen niet. Grief 5 mist zelfstandige betekenis. Ambtshalve heeft het Hof geen bedenkingen tegen het gewezen eindvonnis. Dat zal daarom worden bevestigd. Als in het ongelijk gestelde partij worden [opdrachtnemers] veroordeeld in de proceskosten. Die kosten bedragen Afl. 426 aan verschotten en
Afl. 3.750 aan salaris gemachtigde (2,5 punten à Afl. 2.500 per punt, tarief 6).
B E S L I S S I N G
Het Hof:
verleent [opdrachtnemer 1] toelating om in hoger beroep kosteloos te procederen;
bevestigt het vonnis van het Gerecht in eerste aanleg van Aruba van 5 juni 2024;
veroordeelt [opdrachtnemers] in de proceskosten aan de zijde van [opdrachtgever] gevallen en begroot die kosten op Afl. 426 aan verschotten en Afl. 3.750 aan salaris gemachtigde, vermeerderd met de nakosten conform liquidatietarief;
wijst af wat meer of anders is gevorderd.
Dit vonnis is gewezen door mrs. G.C.C. Lewin, W.P.M. ter Berg en M.A. Loth, leden van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba en ter openbare terechtzitting van het Hof in Aruba uitgesproken op 9 juni 2026 in tegenwoordigheid van de griffier.