3.4Met hun vijf grieven komen [opdrachtnemers] op tegen de veroordeling tot betaling van Afl. 82.569,96. Volgens hen is dat bedrag onjuist. Ook de veroordeling tot betaling van wettelijke rente, de hoofdelijkheid van de veroordelingen en de proceskostenveroordeling zijn volgens hen onjuist.
De omvang van de aan [aannemer] gedane betalingen
3.5.1Niet in geschil is dat, voor zover van belang, door [opdrachtnemers] uit de van [opdrachtgever] ontvangen gelden 13x een bedrag van Afl. 20.000 betaald moest worden aan [aannemer]. Evenmin is in geschil dat dit bedrag in ieder geval 12x is voldaan. De vraag is of ook het dertiende bedrag is betaald. Het Gerecht heeft geoordeeld dat dit niet is komen vast te staan.
3.5.2Volgens een door [opdrachtnemers] zelf opgesteld overzicht (productie 2 bij conclusie van dupliek) is 12 x een bedrag van Afl. 20.000 betaald aan [aannemer]. Ook volgens [aannemer] is 12x betaald. Dat blijkt uit het door [opdrachtnemers] als productie 4 bij conclusie van dupliek overgelegde overzicht van 1 februari 2022 van [aannemer]. Op verzoek van [opdrachtnemers] heeft administratiekantoor [administratiekantoor] (verder [administratiekantoor]), onder andere, onderzocht welke uitgaven door [opdrachtnemers] zijn gedaan. In het van dat onderzoek gemaakte rapport (conclusie 6 bij conclusie van dupliek) zijn 13 betalingen van Afl. 20.000 vermeld. Volgens [opdrachtgever] vermeldt [administratiekantoor] ten onrechte dat ook op 28 juli 2021 een bedrag van Afl. 20.000 is voldaan.
3.5.3Het Gerecht (tussenvonnis van 6 december 2023) heeft [opdrachtnemers] in de gelegenheid gesteld een betalingsbewijs in het geding te brengen van die betaling van 28 juli 2021. Daarop hebben [opdrachtnemers] een bankafschrift in het geding gebracht dat gedateerd is op 21 juni 2021. Het Gerecht heeft daarvan geoordeeld dat dit niet aansluit bij de gestelde betalingsdatum van 28 juli 2021. Ook is geoordeeld dat [opdrachtnemers] niet anderszins hebben opgehelderd waarom [administratiekantoor] van dertien betalingen van Afl. 20.000 uitgaat terwijl [aannemer] uitgaat van twaalf stuks.
3.5.4Volgens [opdrachtnemers] (grief 1) is het enkele feit dat [aannemer] het heeft over twaalf betalingen onvoldoende reden om af te wijken van het door [administratiekantoor] genoemde aantal van dertien betalingen. Bovendien had zij tot bewijslevering moeten worden toegelaten of had een deskundige moeten worden benoemd.
3.5.5Het Hof oordeelt als volgt. [opdrachtgever] heeft in dit geding (terug)betaling gevorderd van wat te veel aan [opdrachtnemers] is betaald. Volgens [opdrachtgever] heeft hij, onder andere, een bedrag van Afl. 20.000 te veel betaald aan [opdrachtnemers] Dat bedrag hebben [opdrachtnemers] namelijk, volgens hem, niet doorbetaald aan [aannemer]. Het verweer van [opdrachtnemers] is dat dit bedrag wel degelijk is doorbetaald, namelijk op 28 juli 2021. Dat is een bevrijdend verweer. Stelplicht en bewijslast daarvan rusten op [opdrachtnemers] als degenen die uit hoofde van de opdrachtovereenkomst rekening en verantwoording moeten afleggen van wat zij hebben gedaan met de gelden die zij (onbetwist) van [opdrachtgever] hebben ontvangen.
3.5.6Het Gerecht heeft geoordeeld dat met het overgelegde bankafschrift van 21 juni 2021 niet is aangetoond dat (ook) op 28 juli 2021 een betaling van Afl. 20.000 is verricht. De juistheid van dat oordeel is door [opdrachtnemers] niet bestreden. Het Hof verenigt zich ermee. Een ander betalingsbewijs, waaruit van de door [opdrachtnemers] gestelde betaling op 28 juli 2021 kan blijken, is door hen in hoger beroep niet overgelegd. Gesteld noch gebleken is dat [opdrachtnemers] niet meer over een dergelijk betalingsbewijs kunnen beschikken en, om die reden, redelijkerwijs niet van hen gevergd kon worden dat bewijs, alsnog, in hoger beroep te produceren.
3.5.7Evenmin is in hoger beroep enige uitleg gegeven over de reden van het verschil tussen het van [aannemer] afkomstige overzicht (12 betalingen) en dat van [administratiekantoor] (13 betalingen). Die uitleg mocht in hoger beroep redelijkerwijs wel worden verwacht, reeds omdat het Gerecht op de afwezigheid daarvan had gewezen en en mede op basis daarvan had geoordeeld. Die eis stelt [opdrachtnemers] ook niet voor een onmogelijke taak: [administratiekantoor] had, in overleg met [aannemer] en op basis van de eigen administratie van [opdrachtnemers], naar mag worden aangenomen kunnen controleren of haar eigen rapport juist was op het punt van het aantal gedane betalingen van Afl. 20.000.
3.5.8De conclusie op dit onderdeel is dat [opdrachtnemers] hun stelling dat sprake is van een dertiende betaling op 28 juli 2021 onvoldoende hebben onderbouwd. Aan bewijslevering wordt om die reden niet toegekomen, nog daargelaten dat van een specifiek en ter zake dienend bewijsaanbod geen sprake is. Ook voor een deskundigenbericht bestaat om dezelfde reden geen grond. [opdrachtnemers] zijn gehouden tot terugbetaling van Afl. 20.000. Dit onderdeel van grief 1 slaagt niet.
De betaling aan [betrokkene]
3.6.1 [opdrachtgever] heeft in eerste aanleg gesteld dat aan [betrokkene] is betaald een bedrag van Afl. 41.006,17. Het verweer van [opdrachtnemers] was dat betaald is Afl. 47.613,88. Het Gerecht (tussenvonnis 6 december 2023) heeft [opdrachtnemers] in de gelegenheid gesteld betalingsbewijzen over te leggen. [opdrachtnemers] hebben daarop laten weten die bewijzen niet te kunnen overleggen omdat door [opdrachtgever] goederen zijn teruggebracht en daardoor uiteindelijk voor niet meer dan Afl. 41.006,17 is afgenomen. Het Gerecht heeft die stelling onvoldoende onderbouwd geoordeeld, mede omdat een creditnota van [betrokkene] voor de beweerdelijk teruggebrachte goederen ontbreekt.
3.6.2 [opdrachtnemers] hebben de juistheid van dit oordeel in hoger beroep bestreden en daartoe aangevoerd dat niet zonder meer vertrouwd kan worden op de administratie van [betrokkene] (waarop [opdrachtgever] zich beroept) en dat zij hun stelling over teruggebrachte goederen wel voldoende hebben onderbouwd.
3.6.3Weliswaar is in het rapport van [administratiekantoor] vermeld dat [opdrachtnemers] Afl. 47.613,88 hebben betaald aan [betrokkene], maar daar staat tegenover dat in de administratie van [betrokkene] (productie 19 bij conclusie van repliek) slechts een bedrag van Afl. 41.006,17 is vermeld. Bewijsstukken waaruit kan blijken dat [opdrachtnemers] daadwerkelijk het hogere bedrag hebben betaald zijn ook in hoger beroep niet overgelegd, hoewel redelijkerwijs mag worden aangenomen dat [opdrachtnemers] die bewijsstukken bezitten of kunnen verkrijgen en stelplicht en bewijslast van ook dit (bevrijdende) verweer op [opdrachtnemers] rusten. Het verweer van [opdrachtnemers] tegen de vordering van [opdrachtgever] is reeds daarom onvoldoende onderbouwd. Daarbij komt dat ook de stelling dat goederen zijn teruggebracht door [opdrachtgever] niet van enig onderliggend stuk (bijvoorbeeld: een creditnota, zoals de eerste rechter al opmerkte) is voorzien. Ook in zoverre is het verweer onvoldoende onderbouwd. Aan bewijslevering wordt om die reden niet toegekomen. Een specifiek en ter zake dienend bewijsaanbod ontbreekt bovendien. Ook dit onderdeel van grief 1 slaagt niet.
De vergoeding voor [opdrachtnemers]
3.7.1Volgens [opdrachtgever] hebben [opdrachtnemers] voor Afl. 159,63 meer administratiekosten in rekening gebracht dan tussen partijen was overeengekomen. Het Gerecht heeft geoordeeld dat partijen een lumpsumvergoeding voor administratiekosten zijn overeengekomen, dat het bedrag waarop [opdrachtnemers] aanspraak maken die vergoeding overschrijdt en dat voor die extra betaling daarom geen grond bestaat.
3.7.2In hoger beroep (grief 2) stellen [opdrachtnemers] dat betaling van (ook) Afl. 159,63 is overeengekomen en, subsidiair, dat de betalingsverplichting van [opdrachtgever] zijn grondslag vindt in het gebruik. Enige toelichting ontbreekt echter. Daarmee is hun grief op dit onderdeel onvoldoende onderbouwd. Aan bewijslevering wordt om die reden niet toegekomen. Een specifiek en ter zake dienend bewijsaanbod ontbreekt bovendien. [opdrachtnemers] zijn dus gehouden tot terugbetaling van Afl. 159,63. Grief 2 slaagt niet.
De wettelijke rente, de hoofdelijkheid en de proceskostenveroordeling
3.8.1Het Gerecht heeft [opdrachtnemers] tot betaling van wettelijke rente veroordeeld (zoals in het dictum van het eindvonnis vastgelegd) en de veroordelingen hoofdelijk gemaakt op grond van de overweging dat de tussen partijen op 11 april 2022 gemaakte afspraken de basis daarvoor vormden. Omdat [opdrachtnemers] overwegend in het ongelijk gesteld zijn heeft het Gerecht hen in de proceskosten veroordeeld.
3.8.2 [opdrachtnemers] betwisten (grief 3) de verschuldigdheid en ingangsdatum van de wettelijke rente alsmede de hoofdelijke gehoudenheid tot betaling, maar ook hier ontbreekt enige toelichting. Grief 3 slaagt niet.
3.8.3Uit dit vonnis blijkt dat de beslissingen van het Gerecht juist waren. Terecht zijn [opdrachtnemers] daarom in de proceskosten veroordeeld. Ook grief 4 slaagt niet.