Uitspraak
[OPDRACHTNEMER 1],
Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Deze zaak betreft een geschil over de afrekening van een bouwproject waarbij opdrachtnemers toezicht hielden en betalingen verrichtten namens opdrachtgever. Opdrachtgever vorderde betaling van een bedrag dat opdrachtnemers volgens hem niet aan de aannemer hadden doorbetaald.
In eerste aanleg werd opdrachtnemers veroordeeld tot betaling van Afl. 82.569,96 plus wettelijke rente en proceskosten. Opdrachtnemers gingen in hoger beroep en voerden vijf grieven aan, waaronder betwisting van het bedrag, de rente, hoofdelijkheid en proceskosten.
Het Hof oordeelde dat opdrachtnemers onvoldoende bewijs leverden voor hun stelling dat een dertiende betaling aan de aannemer was gedaan. Ook konden zij het hogere bedrag aan betalingen aan een andere betrokkene niet onderbouwen. De grieven faalden vanwege gebrek aan bewijs en onvoldoende onderbouwing.
Het verzoek van een opdrachtnemer om kosteloos te procederen werd gehonoreerd wegens onvermogen. Het Hof bevestigde het vonnis van het Gerecht en veroordeelde opdrachtnemers in de proceskosten, begroot op Afl. 426 aan verschotten en Afl. 3.750 aan salaris gemachtigde, vermeerderd met nakosten.
De uitspraak werd gedaan door het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba op 9 juni 2026.
Uitkomst: Het Hof bevestigt het vonnis van het Gerecht en veroordeelt opdrachtnemers tot betaling van Afl. 82.569,96 met rente en proceskosten.