Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:OGHACMB:2026:153

Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba

Datum uitspraak
9 juni 2026
Publicatiedatum
15 juni 2026
Zaaknummer
AUA 205H00207
Instantie
Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep loonvordering na overgang onderneming met matiging wegens anders werk

De werknemer is in hoger beroep gekomen tegen een beschikking van het Gerecht in eerste aanleg Aruba waarin haar loonvordering na overgang van onderneming was gematigd met een aftrek van Afl. 2.000 per maand vanaf april 2024. De werknemer stelde dat zij pas vanaf 16 april 2025 elders inkomsten genoot, omdat zij daarvoor geen verblijfsvergunning had en geen legale arbeid kon verrichten.

De werkgever voerde aan dat de werknemer direct na ontslag elders werkte en Afl. 2.000 per maand verdiende, onder meer gezien haar aanwezigheid bij een sportschool. De werknemer verklaarde echter dat zij pas vanaf februari 2025 een vast inkomen van Afl. 2.000 per maand had, daarvoor slechts wisselende inkomsten uit ad hoc werkzaamheden, zoals het bereiden en bezorgen van maaltijden.

Het Hof oordeelde dat er geen gerechtelijke erkenning was dat de werknemer al vanaf ontslag elders werkte en dat haar nieuwe toelichting in hoger beroep toelaatbaar was. De wisselende inkomsten uit ad hoc werk vormden geen reden voor verdere matiging. Het Hof vernietigde daarom het deel van de beschikking dat matiging toepaste vanaf april 2024 en matigde de loonvordering vanaf februari 2025, het moment waarop de werknemer een vast inkomen had. De werkgever werd veroordeeld tot betaling van het nettoloon vanaf 26 april 2024 tot 25 juni 2025, met aftrek van het loon uit het nieuwe dienstverband vanaf februari 2025, en tot betaling van de proceskosten.

Uitkomst: De loonvordering wordt gematigd vanaf februari 2025, met betaling van nettoloon vanaf 26 april 2024 tot 25 juni 2025 en aftrek van loon uit ander dienstverband.

Uitspraak

Burgerlijke zaken over 2026
Registratienummers: AUA202404285–AUA2025H00207
Uitspraak: 9 juni 2026
GEMEENSCHAPPELIJK HOF VAN JUSTITIE
van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en
van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
B E S C H I K K I N G
in de zaak van:
[DE WERKNEMER],
wonend in Aruba,
in eerste aanleg verzoekster, thans appellante,
gemachtigde: mr. M.B. Boyce,
tegen
de vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
LA PARCERA BAR & RESTAURANT VBA,
gevestigd in Aruba,
in eerste aanleg verweerster, thans geïntimeerde,
gemachtigde: mr. A.E.A. Hernandez.
Partijen worden hierna de werknemer en de werkgever genoemd.

1.Het verloop van de procedure

1.1
Bij op 8 augustus 2025 ingekomen beroepschrift (aangeduid als memorie van grieven), met producties, is de werknemer in hoger beroep gekomen van de tussen partijen gegeven en op 1 juli 2025 uitgesproken beschikking van het Gerecht in eerste aanleg van Aruba (hierna: het Gerecht). Haar conclusie strekt ertoe dat het Hof de beschikking deels zal vernietigen en haar verzoeken alsnog (voor een groter deel) zal toewijzen met veroordeling van de werkgever in de kosten van beide instanties.
1.2
De mondelinge behandeling van het hoger beroep heeft plaatsgehad in het Gerechtsgebouw in Aruba op 31 maart 2026. Partijen zijn verschenen (de werknemer in persoon en namens de werkgever [PERSOONSNAAM 1] de bestuurder), vergezeld van hun gemachtigden die hebben gepleit en daarbij gebruik hebben gemaakt van pleitaantekeningen. Verder zijn vragen van het Hof beantwoord.
1.3
Beschikking is bepaald op vandaag.

2.De beoordeling

2.1
Gelet op het overgelegde bewijs van onvermogen zal het Hof de werknemer toestemming verlenen om in hoger beroep kosteloos te procederen.
Beslissing in eerste aanleg en omvang van het hoger beroep
2.2
Bij de bestreden beschikking heeft het Gerecht geoordeeld (4.13) - samengevat -dat de werknemer op goede grond en tijdig de vernietigbaarheid van het (door de voorganger van de werkgever gegeven) ontslag heeft ingeroepen, dat sprake is van overgang van onderneming en dat op grond daarvan de werkgever gehouden is tot loondoorbetaling van de werknemer vanaf 26 april 2024. Daartegen hebben de werknemer noch de werkgever in het hoger beroep bezwaren gericht. De in hoger beroep opgeworpen grief van de werknemer richt zich uitsluitend tegen de door het Gerecht toegepaste matiging van de loonvordering: namelijk voor zover daarin een aftrek van Afl. 2.000 per maand is toegepast over de periode april 2024 tot en met 15 april 2025. Volgens de werknemer is die matiging gebaseerd op een onjuist uitgangspunt, omdat zij niet al vanaf april 2024 elders inkomsten uit werk genoot, maar pas vanaf 16 april 2025.
Standpunt werknemer
2.3
De gemachtigde van de werknemer heeft in hoger beroep gesteld dat zij tijdens de zitting in eerste aanleg heeft verklaard dat zij vanaf 16 april 2025 elders is begonnen met werken. Zij had vóór die datum geen verblijfsvergunning en kon dus geen legale arbeid verrichten. Zij heeft een schriftelijke arbeidsovereenkomst van haar nieuwe werkgever overgelegd die op 1 april 2025 is ingegaan. Tijdens de zitting in hoger beroep heeft zij toegelicht dat zij bij haar nieuwe werkgever al is begonnen met werken op 1 februari 2025 en dat zij daarmee een bedrag van Afl. 2.000 verdiende dat aanvankelijk (totdat zij op 15 april 2025 een werkvergunning kreeg) geheel en daarna deels ’zwart’ werd betaald.
Standpunt werkgever
2.4
De werkgever heeft aangevoerd dat de werknemer meteen na het ontslag elders aan het werk is gezien. Zo zou zij zijn gesignaleerd bij de receptie van een gym (sportschool). De werknemer heeft desgevraagd tijdens de zitting bij het Gerecht concreet, ondubbelzinnig en zonder voorbehoud verklaard dat zij onmiddellijk na het ontslag elders aan het werk is gegaan en daarmee Afl. 2.000 per maand verdiende. De in hoger beroep overgelegde schriftelijke arbeidsovereenkomst kan daaraan niet afdoen. De stellingen van de werknemer zijn tegenstrijdig en daarmee ongeloofwaardig. Bovendien zijn deze nieuwe feiten te laat ingebracht en niet verenigbaar met haar eerdere proceshouding, aldus nog steeds de werkgever.
Geen gerechtelijke erkenning, nadere verklaring: pas vaste inkomsten vanaf 1 februari 2025
2.5
Het Hof stelt voorop dat het hoger beroep elke partij de mogelijkheid biedt om eigen fouten uit de eerste aanleg recht te zetten. Dat wil zeggen dat een partij ook mag terugkomen van een verklaring of deze nader mag toelichten of verduidelijken, tenzij sprake is van een gerechtelijke erkenning. Van dat laatste is in deze zaak geen sprake. Dat volgt niet uit de aantekeningen van de griffier van de zitting bij het Gerecht, die zich bij de stukken bevinden en die de gemachtigde van de werknemer ter griffie heeft ingezien (het Hof gaat ervan uit dat de gemachtigde van de werkgever die aantekeningen desverzocht ook had mogen inzien). Integendeel. Daaruit valt af te leiden dat de rechter op enig moment opmerkt dat de werkgever onbetwist heeft gesteld dat de werknemer na haar ontslag meteen elders is gaan werken. Direct daarop echter verklaart de gemachtigde van de werknemer dat zij pas ‘
dit jaar [is] begonnen 26 februari 2025 Afl. 2.000,- contantgeld’.Van een gerechtelijke erkenning van de werknemer dat zij al sinds haar ontslag elders werk had, is dan ook geen sprake. Van ongeloofwaardigheid van enige stelling of verklaring van haar evenmin. En voor zover haar verklaring bij het Gerecht wellicht minder duidelijk was, is in hoger beroep voldoende duidelijk geworden wat de werknemer sinds haar ontslag heeft gedaan om rond te komen nadat haar vaste inkomen was weggevallen. Zij heeft verklaard dat zij maaltijden heeft bereid voor derden, die zij onder andere bij een gym bezorgde. Dat zij daar is gezien is dus niet vreemd. De werknemer heeft verder verklaard dat zij niet dagelijks maaltijden bereidde maar drie à vier keer per week en dat dat (dus) geen vast inkomen opleverde. Pas vanaf februari 2025 heeft de werknemer opnieuw een vast inkomen van Afl. 2.000 per maand. Dat alles heeft de werkgever onvoldoende gemotiveerd betwist. De - wisselende - inkomsten uit ad hoc werkzaamheden die de werknemer aldus heeft gehad om rond te kunnen komen na het ontslag, zijn voor het Hof geen reden om tot verdere matiging over te gaan.
Slotsom
2.6
De conclusie is dat de grief grotendeels slaagt. De loonvordering zal worden gematigd vanaf 1 februari 2025 omdat pas vanaf dat moment de werknemer een vast maandelijks inkomen heeft uit een ander dienstverband.
2.7
De bestreden beschikking zal deels worden vernietigd en het verzoek zal worden toegewezen met inachtneming van al het voorgaande en van het eindigen van de arbeidsovereenkomst op 25 juni 2025 (zoals tijdens de zitting in hoger beroep is gebleken). De werkgever zal als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van de procedure in hoger beroep.
B E S L I S S I N G
Het Hof:
verleent de werknemer toestemming om kosteloos te procederen;
vernietigt de bestreden beschikking voor zover het betreft de veroordeling in 5.1 en doet in zoverre opnieuw recht;
veroordeelt de werkgever tot (door)betaling van het nettoloon van de werknemer vanaf 26 april 2024 tot 25 juni 2025, achterstallig loon te vermeerderen met (1) de gematigd vastgestelde wettelijke verhoging van telkens maximaal 15% en (2) met wettelijke rente telkens gerekend vanaf de dag na het opeisbaar worden van dat loon tot de dag van algehele voldoening, dit alles met dien verstande dat het door de werknemer vanaf de maand
februari 2025elders ontvangen loon van
Afl. 2.000 per maand telkens in mindering strekt op het aan haar te betalen achterstallig loon;
bevestigt de bestreden beschikking voor het overige;
veroordeelt de werkgever in de kosten van het hoger beroep, aan de zijde van de werknemer gevallen en tot op heden begroot op Afl. 900 voor griffierecht en op
Afl. 6.000 aan salaris voor de gemachtigde;
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;
wijst af het in hoger beroep meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mrs. C.J.H.G. Bronzwaer, E.M. van der Bunt en G.C.C. Lewin, leden van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie en ter openbare terechtzitting van het Hof in Aruba uitgesproken op 9 juni 2026 in tegenwoordigheid van de griffier.