De grootmoeder verzocht ontheffing van het ouderlijk gezag van de moeder over twee minderjarigen die langere tijd bij haar woonden op Aruba. De moeder was verhuisd naar het buitenland en liet de kinderen bij de grootmoeder achter. Het Gerecht wees het verzoek af omdat de moeder niet ongeschikt bleek. Na de uitspraak nam de moeder de kinderen mee naar het buitenland, waar zij inmiddels bijna een jaar verblijven.
Het Hof moest beoordelen of het internationaal bevoegd was om over de ontheffing te oordelen. Hoewel de Haags Kinderbeschermingsverdragen 1961 en 1996 niet van toepassing zijn vanwege de betrokken landen, sluit het Hof aan bij de daarin gehanteerde bevoegdheidsgrond dat de rechter bevoegd is waar het kind zijn gewone verblijfplaats heeft. Dit leidt tot een uitzondering op het perpetuatio fori-beginsel, dat normaal bepaalt dat de rechter bevoegd is op het moment van het verzoek.
De feiten tonen aan dat de minderjarigen sinds juli 2025 in het buitenland wonen, naar school gaan en deelnemen aan activiteiten. Het Hof concludeert dat de gewone verblijfplaats van de kinderen in het buitenland is en verklaart zich daarom voorlopig onbevoegd. Partijen krijgen gelegenheid zich hierover uit te laten, waarna het Hof een definitief oordeel zal geven.