Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:OGHACMB:2026:160

Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba

Datum uitspraak
9 juni 2026
Publicatiedatum
18 juni 2026
Zaaknummer
AUA2025H00070
Instantie
Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1 HKV 1961Art. 5 lid 1 HKV 1996Art. 429c lid 3 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling internationale bevoegdheid bij ontheffing gezag over minderjarigen met verblijf in buitenland

De grootmoeder verzocht ontheffing van het ouderlijk gezag van de moeder over twee minderjarigen die langere tijd bij haar woonden op Aruba. De moeder was verhuisd naar het buitenland en liet de kinderen bij de grootmoeder achter. Het Gerecht wees het verzoek af omdat de moeder niet ongeschikt bleek. Na de uitspraak nam de moeder de kinderen mee naar het buitenland, waar zij inmiddels bijna een jaar verblijven.

Het Hof moest beoordelen of het internationaal bevoegd was om over de ontheffing te oordelen. Hoewel de Haags Kinderbeschermingsverdragen 1961 en 1996 niet van toepassing zijn vanwege de betrokken landen, sluit het Hof aan bij de daarin gehanteerde bevoegdheidsgrond dat de rechter bevoegd is waar het kind zijn gewone verblijfplaats heeft. Dit leidt tot een uitzondering op het perpetuatio fori-beginsel, dat normaal bepaalt dat de rechter bevoegd is op het moment van het verzoek.

De feiten tonen aan dat de minderjarigen sinds juli 2025 in het buitenland wonen, naar school gaan en deelnemen aan activiteiten. Het Hof concludeert dat de gewone verblijfplaats van de kinderen in het buitenland is en verklaart zich daarom voorlopig onbevoegd. Partijen krijgen gelegenheid zich hierover uit te laten, waarna het Hof een definitief oordeel zal geven.

Uitkomst: Het Hof verklaart zich voorlopig onbevoegd omdat de minderjarigen hun gewone verblijfplaats in het buitenland hebben.

Uitspraak

Burgerlijke zaken over 2026
Registratienummers: AUA202303111- AUA2025H00070
Uitspraak: 9 juni 2026
GEMEENSCHAPPELIJK HOF VAN JUSTITIE
van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en
van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
B E S C H I K K I N G
in de zaak van:
[de grootmoeder],
wonend in [woonplaats],
hierna: de grootmoeder,
in eerste aanleg verzoekster,
thans appellante,
gemachtigden: mr. D.G. Croes en D.L. Emerencia,
tegen
[de moeder],
wonend in het [woonplaats],
hierna: de moeder,
in eerste aanleg verweerster,
thans geïntimeerde,
procederende in persoon (voorheen: gemachtigde: mr. A.K.E. Hernandez).
De zaak betreft de volgende minderjarigen:
1. minderjarige 1], geboren op [geboortedatum] 2014 in [geboorteplaats],
2. [ minderjarige 2], geboren op [geboortedatum] 2021 in [geboorteplaats],
met de volgende belanghebbenden:
[belanghebbende 1], de vader van de minderjarige sub 1,
[belanghebbende 2], de vader van de minderjarige sub 2.

1.De zaak in het kort

In deze zaak heeft de grootmoeder ontheffing van de moeder gevraagd van het gezag over de twee minderjarigen,, die ten tijde van het verzoek al langere tijd bij de grootmoeder woonden in [eiland]. De moeder is verhuisd naar [land] met achterlating van de minderjarigen bij de grootmoeder. Het Gerecht heeft het verzoek tot ontheffing afgewezen, omdat niet is gebleken dat de moeder ongeschikt of onmachtig is om haar verplichting tot verzorging en opvoeding te vervullen. Na de uitspraak van het Gerecht heeft de moeder de kinderen alsnog meegenomen naar [land], waar zij inmiddels al bijna een jaar verblijven. Het Hof acht zich vooralsnog onbevoegd, omdat beide minderjarigen inmiddels hun gewone verblijfplaats in [land] hebben. Partijen krijgen de gelegenheid zich hierover uit te laten.

2.Het verloop van de procedure in hoger beroep

2.1
Het Hof heeft de volgende stukken ontvangen:
- een beroepschrift van 11 maart 2025 met producties, waarbij de grootmoeder in hoger beroep is gekomen van de tussen partijen gewezen en op 28 januari 2025 uitgesproken beschikking van het Gerecht in eerste aanleg van Aruba (hierna: het Gerecht);
- mailberichten van de moeder van 4 december 2025 met bijlagen.
2.2
Op 8 december 2025 heeft een mondelinge behandeling plaatsgevonden. Het Hof was aanwezig in het Gerechtsgebouw in Aruba. Daar zijn verschenen de grootmoeder, bijgestaan door haar gemachtigden en [medewerker Voogdijraad] namens de Voogdijraad Aruba. De moeder heeft via een videoverbinding aan de zitting deelgenomen. Van de zitting is een verkort proces-verbaal opgemaakt, dat aan partijen is verzonden. Tijdens de zitting hebben partijen afspraken gemaakt over belcontacten tussen de grootmoeder en de minderjarigen en is de zaak aangehouden tot de zitting van 10 februari 2026.
2.3
Voorafgaand aan de zitting van 8 december 2025 heeft de voorzitter via een videoverbinding gesproken met de oudste minderjarige.
2.4
Op verzoek van de grootmoeder heeft het Hof de zitting van 10 februari 2026 aangehouden. Daarna heeft het Hof aan partijen laten weten af te zien van het bepalen van een tweede mondelinge behandeling.
2.5
Beschikking is nader bepaald op vandaag.

3.De feiten

3.1
De minderjarige [minderjarige 1] is in 2014 in [geboorteplaats] geboren uit het huwelijk tussen de moeder en [belanghebbende 1]. [Belanghebbende 1] heeft [minderjarige 1] erkend. Bij beschikking van 28 september 2015 is de echtscheiding tussen de moeder en [belanghebbende 1] uitgesproken en is bepaald dat alleen de moeder met het gezag over [minderjarige 1] zal worden belast.
3.2
In 2018 is de moeder vanuit [eiland] verhuisd naar [land] zonder [minderjarige 1], die vanaf dat moment bij de grootmoeder in [eiland] woonde.
3.3
De minderjarige [minderjarige 2] is in 2021 in [land] geboren uit de affectieve relatie tussen de moeder en [belanghebbende 2]. De moeder oefent van rechtswege alleen het gezag uit over [minderjarige 2].
3.4
In 2022 is de moeder met [minderjarige 2] naar [eiland] gereisd en daarna is zij weer zonder de minderjarigen teruggekeerd naar [land]. Vanaf maart 2022 woonde ook [minderjarige 2] bij de grootmoeder.
3.5
Op verzoek van de grootmoeder heeft het Gerecht in een kortgedingvonnis van 13 september 2023 (AUA202303112) de moeder verboden de minderjarigen mee te nemen naar [land].
3.6
Na de bestreden beschikking heeft de moeder beide minderjarigen op 7 juli 2025 meegenomen naar [land], waar zij sinds die tijd verblijven in het gezin van de moeder, haar nieuwe partner en hun beider dochter.

4.De procedure bij het Gerecht

4.1
De grootmoeder heeft verzocht de moeder te ontheffen uit haar ouderlijk gezag over de minderjarigen en haar met de voogdij te belasten, dan wel de minderjarigen voorlopig (voor de duur van de procedure) aan haar toe te vertrouwen.
4.2 [
[Belanghebbende 1] heeft verweer gevoerd tegen dit verzoek en heeft een aantal zelfstandige tegenverzoeken ingediend inzake gezag en omgang.
4.3
De Voogdijraad heeft op verzoek van het Gerecht op 11 september 2024 een rapport uitgebracht met als advies de minderjarigen te laten terugkeren naar hun moeder in [land] en hen daar te laten opgroeien.
4.4
Na mondelinge behandelingen op 17 september 2024 en 26 november 2024 heeft het Gerecht de verzoeken van de grootmoeder afgewezen en de vader niet-ontvankelijk verklaard in zijn tegenverzoeken.

5.De beoordeling

bevoegdheid Hof
5.1
Het gaat hier om ontheffing van gezag, verzocht door de grootmoeder, die in Aruba woont, terwijl de minderjarigen waar het om gaat inmiddels vanaf juli 2025 in [land] verblijven. Na de bestreden beschikking is de feitelijke situatie dus veranderd. Dit betekent dat het Hof allereerst zijn internationale bevoegdheid in deze zaak moet beoordelen. Het Hof moet dat ambtshalve doen, ook al hebben partijen daarop niet gewezen en zoekt daarvoor aansluiting bij bevoegdheidsbepalingen die gelden volgens het internationale privaatrecht en bij in Aruba geldende bepalingen van relatieve bevoegdheid.
verdragsrechtelijk kader
5.2
Het Haags Kinderbeschermingsverdrag 1961 (hierna: HKV 1961; Verdrag betreffende de bevoegdheid der autoriteiten en de toepasselijke wet inzake de bescherming van minderjarigen van 5 oktober 1961, Trb. 168, 101) is niet van toepassing, want weliswaar heeft dit Verdrag medegelding voor Aruba, maar [land] is geen partij bij dit Verdrag.
5.3
Het Haags Kinderbeschermingsverdrag 1996 (hierna: HKV 1996; Verdrag inzake de bevoegdheid, het toepasselijke recht, de erkenning, de tenuitvoerlegging en de samenwerking op het gebied van ouderlijke verantwoordelijkheid en maatregelen ter bescherming van kinderen, Trb. 1997, 299) is niet van toepassing. Weliswaar is [land] partij, maar dit Verdrag heeft geen medegelding in Aruba.
5.4
Het Hof zoekt aansluiting bij de in deze beide Verdragen gehanteerde bevoegdheidsgrond, ook al zijn deze Verdragen niet van toepassing in deze zaak. Beide Verdragen bepalen namelijk (in artikel 1 HKV Pro 1961 en in artikel 5 lid 1 HKV Pro 1996) dat de rechter bevoegd is waar het kind zijn gewone verblijfplaats heeft en dit komt ook overeen met beginselen van internationale bevoegdheid voor dit soort zaken.
5.5
Onder de werking van beide Verdragen moet in gezagzaken (buiten het geval van ongeoorloofde overbrenging) een uitzondering worden aanvaard op het perpetuatio fori-beginsel, dat wil zeggen: het uitgangspunt dat voor de bevoegdheid van de rechter het tijdstip beslissend is waarop zijn tussenkomst wordt ingeroepen (zie hierover GHvJ 24 oktober 2017, ECLI:NL:OGHACMB:2017:166, 4.4-4.7). Ook dit komt overeen met beginselen van internationale bevoegdheid.
andere aanknopingspunten
5.6
Indien er geen verdragen van toepassing zijn kan de rechter voor de beoordeling van de internationale bevoegdheid ook aansluiten bij de regeling van relatieve bevoegdheid van die rechter. Het in Aruba van toepassing zijnde artikel 429c lid 3 Rv bepaalt dat in zaken betreffende minderjarige kinderen de rechter van de woonplaats van de kinderen bevoegd is. Bij gebreke van een woonplaats ‘hier te lande’ is de rechter van het werkelijk verblijf van de minderjarige bevoegd.
gewone verblijfplaats in [land]
5.7
De minderjarigen in deze zaak wonen sinds juli 2025 bij de moeder en haar partner in [land]. De moeder heeft voorafgaand aan de zitting een mailbericht van 4 december 2025 met bijlagen aan het Hof gestuurd, waaruit blijkt dat beide minderjarigen naar school gaan en actief deelnemen aan activiteiten binnen en buiten school. Het Hof heeft daarover op de zitting ook vragen gesteld aan de moeder en daaruit blijkt dat de oudste minderjarige leerjaar 7 volgt (hij is ingeschreven op de [school] in [stad]) en dat de jongste naar een preschool gaat. De moeder volgt een leer-werkprogramma om docent op de basisschool te worden, werkt bij een school in [stad] en heeft daarnaast een online bedrijf. Haar drie minderjarige kinderen verzorgt zij samen met haar partner. Uit het gesprek dat de voorzitter met de oudste minderjarige heeft gevoerd blijkt dat hij veel vrienden heeft op school, dat hij van sport houdt en dat hij in [stad] rugby heeft leren spelen.
5.8
Uit deze feiten en omstandigheden leidt het Hof af dat beide minderjarigen thans hun gewone verblijfplaats in [land] hebben. Het Hof is daarom vooralsnog van oordeel onbevoegd te zijn en dus geen oordeel in hoger beroep over de ontheffing van het gezag te kunnen geven.
woonplaats en plaats van het werkelijk verblijf ook in [land]
5.9
Voorgaande overwegingen brengen ook mee dat de beide minderjarigen thans hun woonplaats en werkelijke verblijfplaats in [land] hebben. Ook langs de weg van overeenkomstige toepassing van artikel 429c lid 3 Rv kan naar voorlopig oordeel van het Hof geen bevoegdheid van de Arubaanse rechter worden aangenomen.
het peilmoment is niet de datum van het inleidend verzoek, maar de datum van de einduitspraak
5.1
Nu de hiervoor onder 5.5 genoemde uitzondering geldt, is naar voorlopig oordeel van het Hof niet doorslaggevend dat de minderjarigen ten tijde van het inleidend verzoek bij de grootmoeder woonden. Het Hof ziet vooralsnog ook niet in dat het belang van de minderjarigen zich verzet tegen een onbevoegdverklaring van de Arubaanse rechter.
uitlating partijen
5.11
Partijen hebben zich nog niet kunnen uitlaten over de bevoegdheid van het Hof. Zij moeten
uiterlijk op 30 juni 2026hun opinie aan het Hof laten weten (met kopie aan de wederpartij). Dat kan door het insturen van een stuk voor onderstaande rolzitting, maar mag ook per mailbericht aan de griffie van het Hof.
B E S L I S S I N G
Het Hof:
verwijst de zaak naar
de Hofrol in Curaçao van 30 juni 2026om partijen gelijktijdig de gelegenheid te geven zich uit te laten over de (internationale) bevoegdheid van het Hof (P3);
houdt de zaak voor het overige aan.
Deze beschikking is gegeven door mrs. C.G. ter Veer, E.A. Saleh en G.C.C. Lewin leden van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba en ter openbare terechtzitting van het Hof uitgesproken op 9 juni 2026 in tegenwoordigheid van de griffier.