Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:OGHACMB:2026:163

Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba

Datum uitspraak
11 mei 2026
Publicatiedatum
22 juni 2026
Zaaknummer
AUA2026H00070
Instantie
Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 272 RvArt. 112 lid 1 Procesreglement 2023
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing schorsing tenuitvoerlegging vonnis bouwproject erfpachtgrond Aruba

Het Land Aruba is in hoger beroep gekomen tegen een vonnis van de rechtbank Aruba dat het veroordeelde om mee te werken aan de uitgifte van erfpachtgrond aan Bohama Bouw- en Handelmaatschappij Aruba N.V. voor de bouw van een douanekantoor. De bouw was vertraagd doordat het Land buitenwettelijke brandveiligheidseisen stelde, waardoor de opleverdatum van 23 april 2026 niet werd gehaald.

Het Hof overweegt dat het vonnis uitvoerbaar bij voorraad is verklaard en dat het Land geen nieuwe feiten heeft aangevoerd die een schorsing rechtvaardigen. De belangenafweging wijst uit dat de belangen van Bohama, die reeds financiering heeft verkregen en kosten heeft gemaakt voor het project Horses Bay Residence, zwaarder wegen dan de belangen van het Land.

Daarom wijst het Hof het verzoek tot schorsing af en veroordeelt het Land in de proceskosten, begroot op 2.000 Antilliaanse gulden. Het vonnis is gewezen door drie leden van het Gemeenschappelijk Hof en op 11 mei 2026 in Aruba uitgesproken.

Uitkomst: Het Hof wijst het verzoek tot schorsing af en veroordeelt het Land Aruba in de proceskosten.

Uitspraak

Burgerlijke zaken over 2026
Zaaknummers: AUA202600768 – AUA2026H00070
Uitspraak: 11 mei 2026
GEMEENSCHAPPELIJK HOF VAN JUSTITIE
van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en
van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
V O N N I S
op de vordering tot schorsing op de voet van art. 272 Rv Pro van:
de openbare rechtspersoon
HET LAND ARUBA,
gevestigd in Aruba,
in eerste aanleg gedaagde, thans appellante,
eiser tot schorsing,
gemachtigde: mr. Z.T.M. Arendsz-Marchena,
tegen
de naamloze vennootschap
BOHAMA BOUW- EN HANDELMAATSCHAPPIJ ARUBA N.V.,
gevestigd in Auba,
in eerste aanleg eiseres, thans geïntimeerde,
verweerster tegen de vordering tot schorsing,
gemachtigden: mrs. D.W. Ormel en M. Franken.
Partijen worden hierna het Land en Bohama genoemd.

1.Het verloop van de procedure

1.1
Bij op 24 april 2026 ingekomen akte van appel is het Land in hoger beroep gekomen van het in kort geding tussen partijen gewezen en op 22 april 2026 uitgesproken vonnis van het Gerecht in eerste aanleg van Aruba.
1.2
Bij op 24 april 2026 ingekomen verzoekschrift (aangeduid als akte), met producties, heeft het Land gevorderd, samengevat weergegeven, dat het Hof de tenuitvoerlegging van het vonnis zal schorsen en Bohama zal verbieden het vonnis verder ten uitvoer te leggen, kosten rechtens.
1.3
Op 24 april 2026 heeft het Land ook verzocht om bij wijze van ordemaatregel Bohama te verbieden hangende de schorsingsprocedure executiemaatregelen te treffen. Bij e-mail van dezelfde datum heeft Bohama zich bereid verklaard om hangende de schorsingsprocedure van executiemaatregelen af te zien, zodat op dit verzoek niet meer behoeft te worden beslist.
1.4
Bij op 29 april 2026 ingekomen verweerschrift, met producties, heeft Bohama geconcludeerd tot afwijzing van de vorderingen van het Land, met veroordeling van het Land in de werkelijke proceskosten, althans de proceskosten zoals begroot volgens het liquidatietarief.
1.5
Bij e-mails van respectievelijk 5 mei 2026 en 6 mei 2026 hebben partijen zich nader uitgelaten.
1.6
Vonnis is bepaald op vandaag.

2.De beoordeling

De gedingstukken
2.1
Bij e-mail van 24 april 2026 heeft de griffie aan partijen bericht (dat het verweerschrift uiterlijk op 1 mei 2026 moest worden ingediend en) dat partijen in de gelegenheid werden gesteld zich uiterlijk op 8 mei 2026 uit te laten, met de uitdrukkelijke instructie dat die uitlating uitsluitend in een e-mail en dus niet in een processtuk mocht gebeuren (en dat het Hof daarna zou beslissen zonder nader partijdebat).
2.2
Deze instructies komen overeen met het bepaalde in art. 112 lid 1 Procesreglement Pro 2023. De ratio van deze bepaling uit het procesreglement is de volgende. De eisen van een goede procesorde brengen in verband met de aard van de schorsingsprocedure mee dat er na één schriftelijke ronde nog maar beperkt ruimte is voor nader partijdebat. De uitlatingen van partijen na het verweerschrift dienen beknopt te zijn (zie de Arubaanse zaak: GHvJ 24 oktober 2025, ECLI:NL:OGHACMB:2025:266, 2.2).
2.3
Gelet op het voorgaande laat het Hof de e-mails van 5 en 6 mei 2026 buiten beschouwing, omdat die niet beknopt genoeg zijn.
Het bestreden vonnis
2.4
Onder 2.1-2.13 heeft het Gerecht de feiten geformuleerd waarvan het in dit kort geding is uitgegaan. Samengevat komen die op het volgende neer.
2.4.1
Partijen zijn bij intentieverklaring van 20 oktober 2021 en bij nadere overeenkomsten van 5 december 2024 overeengekomen dat Bohama een douanekantoor zal bouwen op grond van het Land te Barcadera en dat het Land de aanneemsom in natura zal voldoen door grond in Oranjestad in erfpacht uit te geven aan Bohama. In een daartoe gesloten projectovereenkomst staat dat:
- de overeenkomst zal eindigen op 23 april 2026,
- Bohama het douanekantoor op die datum zal opleveren, en
- het Land de grond in Oranjestad aan Bohama in erfpacht zal uitgeven na voltooiing van 80% van de bouwwerkzaamheden, tenzij partijen anders overeenkomen.
2.4.2
Volgens een rapport van de Dienst Openbare Werken van 24 maart 2026 was op die datum 50,34% van de bouwwerkzaamheden voltooid.
2.5
In het bestreden vonnis heeft het Gerecht, samengevat weergegeven:
- het Land veroordeeld om binnen door het Gerecht genoemde termijnen mee te werken aan de uitgifte in erfpacht van de grond in Oranjestad aan Bohama,
- bepaald dat het vonnis in de plaats treedt van de medewerking van het Land, en
- het vonnis uitvoerbaar bij voorraad verklaard.
2.6
De overwegingen die het Gerecht aan die beslissingen ten grondslag heeft gelegd, komen samengevat op het volgende neer. De afgifte van de bouwvergunning is vertraagd doordat het Land buitenwettelijke brandveiligheidseisen heeft gesteld waarmee Bohama bij de aanvraag van de bouwvergunning geen rekening heeft kunnen houden. De vertraging in de bouw is daarom in sterk overwegende mate toe te rekenen aan het Land (4.10). Voldoende aannemelijk is dat de bodemrechter zal oordelen dat de aanvullende werking van de redelijkheid en billijkheid meebrengt dat de einddatum 23 april 2026 buiten beschouwing moet worden gelaten en dat het Land vanaf die datum gehouden is de grond in Oranjestad onverwijld in erfpacht uit te geven aan Bohama (4.11.1). Het Gerecht ziet geen belangen van het Land bij afwijzing die zwaarder wegen dan de belangen van Bohama bij toewijzing (4.12).
Beoordeling
2.7
Bij de beoordeling van de vorderingen gelden de maatstaven als vermeld in HR 20 december 2019, ECLI:NL:HR:2019:2026 (Strandhotel).
2.8
Het Land heeft aangevoerd dat het bestreden vonnis diverse juridische en feitelijke misslagen bevat. Naar het oordeel van het Hof bevat het vonnis echter geen overwegingen en beslissingen die als kennelijke misslagen als bedoeld in het Strandhotel-arrest kunnen worden aangemerkt. De bezwaren van het Land tegen het bestreden vonnis kunnen in het hoger beroep aan de orde komen. In deze schorsingsprocedure kan het Hof niet daar niet op vooruitlopen.
2.9
In het Strandhotel-arrest staat (onder 5.5.3) dat indien de uitvoerbaarverklaring bij voorraad is gemotiveerd, de verzoeker (afgezien van het geval dat de beslissing berust op een kennelijke misslag) aan zijn vordering tot schorsing ‘nieuwe’ feiten en omstandigheden ten grondslag zal moeten leggen, dat wil zeggen: feiten en omstandigheden die bij de door de vorige rechter gegeven beslissing niet in aanmerking konden worden genomen doordat zij zich eerst na de uitspraak van de vorige rechter hebben voorgedaan, en die kunnen rechtvaardigen dat van die eerdere beslissing wordt afgeweken. In dit geval heeft het Gerecht weliswaar de uitvoerbaarverklaring bij voorraad niet uitdrukkelijk afzonderlijk gemotiveerd, maar het Gerecht heeft wel een uitdrukkelijke belangenafweging gemaakt bij de beoordeling van de vraag of de gevorderde voorziening in kort geding moet worden toegewezen (onder 4.12 van het bestreden vonnis). Dat moet worden gelijkgesteld met de motivering van een uitvoerbaarverklaring bij voorraad (vergelijk de reeds genoemde Arubaanse zaak: GHvJ 24 oktober 2025, ECLI:NL:OGHACMB:2025:266, 2.12). Het Land heeft geen nieuwe feiten of omstandigheden aan zijn vordering ten grondslag gelegd. Op die grond moet de vordering worden afgewezen.
2.1
Ten overvloede overweegt het Hof als volgt. Indien een belangenafweging wordt gemaakt, betreft dat de volgende aangevoerde belangen, samengevat weergegeven:
- aan de zijde van het Land: het ‘terugdraaien’ van uitgifte in erfpacht van grond is in de praktijk complex;
- aan de zijde van Bohama:
a. uitgifte in erfpacht van de grond in Oranjestad zal later wellicht niet meer mogelijk zijn;
b. Bohama wil op de grond in Oranjestad het project
Horses Bay Residence realiseren. Daarvoor heeft zij reeds financiering verkregen en kosten gemaakt. Vertraging zal tot schade leiden.
Bij afweging van deze belangen wegen die van Bohama zwaarder. Hierbij neemt het Hof in aanmerking dat Bohama haar belangen heeft geconcretiseerd, terwijl het Land niet heeft gesteld dat het (concrete) plannen met de grond in Oranjestad heeft die door uitgifte aan Bohama zouden worden doorkruist.
2.11
De vordering wordt afgewezen. Het Land zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van deze schorsingsprocedure. Een plicht om de in werkelijkheid gemaakte proceskosten volledig te vergoeden is slechts denkbaar in buitengewone omstandigheden, waarbij dient te worden gedacht aan misbruik van procesrecht en onrechtmatige daad. Niet kan worden aangenomen dat dergelijke buitengewone omstandigheden zich in dit geval voordoen. De proceskosten zullen daarom worden begroot volgens het liquidatietarief.
B E S L I S S I N G
Het Hof:
wijst de vorderingen af;
veroordeelt het Land in de kosten van deze schorsingsprocedure, aan de zijde van Bohama gevallen en tot op heden begroot op Afl. 2.000,- aan salaris voor de gemachtigde.
Dit vonnis is gewezen door mrs. G.C.C. Lewin, C.G. ter Veer en E.P. van Unen, leden van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba en ter openbare terechtzitting van het Hof in Aruba uitgesproken op 11 mei 2026 in tegenwoordigheid van de griffier.