ECLI:NL:OGHACMB:2026:167

Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba

Datum uitspraak
16 juni 2026
Publicatiedatum
29 juni 2026
Zaaknummer
SXM2023H00068
Instantie
Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:265 lid 1 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ontbinding geldleningsovereenkomst afgewezen ondanks betalingsachterstand

Partijen waren voormalige partners waarbij de man aan de vrouw een geldlening verstrekte voor de aankoop van een appartement, met hypotheekrecht als zekerheid. De vrouw stopte vanaf augustus 2023 met betalingen, waarop het Hof aanvankelijk ontbinding van de overeenkomst overwoog.

Later bleek dat de vrouw vanaf november 2021 tot augustus 2023 alle termijnen had betaald en dat zij vanaf oktober 2025 weer volledig aan haar betalingsverplichtingen voldeed. De man betwistte dit niet. Het Hof oordeelde dat de ontbinding niet gerechtvaardigd is vanwege de bijzondere omstandigheden en de disproportionele gevolgen voor de vrouw.

De man had ook gesteld dat de verhuur van het appartement zonder toestemming een reden voor ontbinding was, maar dit werd onvoldoende onderbouwd. De man vorderde daarnaast schadevergoeding voor executiekosten, waarvan het Hof een deel toewijst wegens onrechtmatigheid van de executie na hervatting van betalingen.

Het Hof vernietigde het vonnis van het Gerecht, wees de vorderingen tot ontbinding en vernietiging af, veroordeelde de vrouw tot betaling van Cg 15.000 aan schadevergoeding en compenseerde de proceskosten tussen partijen.

Uitkomst: Het Hof wijst de ontbinding van de geldleningsovereenkomst af en veroordeelt de vrouw tot betaling van Cg 15.000 schadevergoeding.

Uitspraak

Burgerlijke zaken over 2026
Registratienummers: SXM202200461 – SXM2023H00068
Uitspraak: 16 juni 2026
GEMEENSCHAPPELIJK HOF VAN JUSTITIE
van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en
van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
V O N N I S
in de zaak van:
[de vrouw],
wonende in [woonplaats],
appellante,
hierna: de vrouw,
gemachtigde: mr. S.R. Bommel,
tegen
[de man]
wonend in [woonplaats],
geïntimeerde,
hierna: de man,
gemachtigde: mr. J.G. Snow.

1.De zaak in het kort

Gedurende de relatie van partijen heeft de man aan de vrouw een geldlening verstrekt, waarmee zij een appartement heeft gekocht. Als zekerheid voor de betaling van rente en aflossing heeft de vrouw aan de man het recht van hypotheek op het appartement verleend. De vrouw heeft een aantal termijnen niet betaald. Het Hof beoordeelt of dit aanleiding is om de geldleningsovereenkomst te ontbinden.

2.De verdere procedure in hoger beroep

2.1
Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit de volgende stukken:
- het tussenvonnis van het Hof van 19 maart 2025, waarin de zaak naar de rol is verwezen voor uitlating aan de zijde van de man;
- een akte met producties van 14 mei 2025 van de man;
- een antwoordakte met een productie van 22 oktober 2025 van de vrouw.
2.2
Het Hof heeft een mondelinge behandeling gehouden op 16 maart 2026 in het Gerechtsgebouw in Sint Maarten.Verschenen zijn de vrouw met haar gemachtigde en de gemachtigde van de man. De man heeft via een videoverbinding aan de zitting deelgenomen. Het Hof heeft vragen gesteld en partijen hebben gesproken over een minnelijke regeling. Aan het einde van de zitting is de zaak in verband daarmee aangehouden. Daarna hebben partijen laten weten dat het niet gelukt is een regeling te treffen.
2.3
Vonnis is nader bepaald op vandaag.

3.De verdere beoordeling

internationale bevoegdheid en toepasselijk recht
3.1
Met het Gerecht acht het Hof zich bevoegd kennis te nemen van dit geschil, met toepassing van het recht van Sint Maarten(als stilzwijgende rechtskeuze van partijen).
wat ligt nu nog voor in hoger beroep
3.2
Gedurende de relatie van partijen heeft de man aan de vrouw een geldlening verstrekt (USD 285.380), waarmee zij een appartement heeft gekocht in [adres] (hierna: het appartement). Als zekerheid voor de betaling van de rente (1% per jaar) en de aflossing van deze lening (in 180 termijnen van USD 1.521,78) heeft de vrouw aan de man het recht van hypotheek op het appartement verleend. De vrouw heeft het appartement verhuurd aan derden.
3.3
De man heeft gevorderd dat de geldleningsovereenkomst moet worden vernietigd (op grond van een wilsgebrek) of moet worden ontbonden. In het tussenvonnis heeft het Hof overwogen dat de overeenkomst niet kan worden vernietigd op grond van dwaling of misbruik van omstandigheden. Het Hof heeft vervolgens onderzocht of de overeenkomst moet worden ontbonden. Het Hof heeft geconstateerd (in 4.12 tussenvonnis) dat niet in geschil is dat de vrouw vanaf augustus 2023 de termijnen van de lening niet meer heeft betaald en heeft op grond daarvan geoordeeld dat de leningsovereenkomst moet worden ontbonden. De zaak is aangehouden om partijen in de gelegenheid te stellen zich uit te laten over de gevolgen van de ontbinding.
geen ontbinding van de overeenkomst
3.4
Uit stukken in hoger beroep (overgelegd bij productie 4 bij de memorie van grieven) blijkt voldoende dat de vrouw vanaf november 2021 steeds de maandelijkse termijnen heeft betaald tot augustus 2023. De man heeft dat ook erkend (in de memorie van antwoord). In haar akte na tussenvonnis heeft de vrouw gesteld dat vanaf augustus 2023 haar betalingen tot drie keer toe werden teruggestort door de bank (volgens haar omdat de man de betalingen weigerde). Zij heeft de man vervolgens verzocht om de maandelijkse betalingen te mogen storten op een derdengeldrekening in Sint Maarten, maar daarover is geen overeenstemming bereikt.
3.5
De vrouw heeft bij haar akte na het tussenvonnis stukken overgelegd waaruit volgens haar volgt dat zij inmiddels bij is met de betaling van de maandelijkse termijnen van de lening. Bij die akte zitten formulieren van de Republic Bank in Sint Maarten waarmee de vrouw de bank verzoekt om overmaking van bepaalde bedragen aan de man en die zijn gestempeld door de bank (het Hof begrijpt: ter bevestiging dat de betalingen gedaan zijn). Het betreft de volgende betalingen: USD 36.522,72 per 28 juli 2025 (volgens de vrouw betreft dit het totaal van 24 overeengekomen maandtermijnen van USD 1.521,78 over de periode augustus 2023 tot en met juli 2025) en daarna drie keer USD 1.539,78 (per 1 augustus 2025, per 11 september 2025 en per 15 oktober 2025).
3.6
Op grond van deze stukken gaat het Hof er vanuit dat de vrouw in oktober 2025 bij was met haar betalingen op de lening en dat zij zich ook daarna steeds heeft gehouden aan haar betalingsverplichtingen op grond van de overeenkomst. Ter zitting in hoger beroep (op 16 maart 2026) heeft de man dit ook niet betwist. Partijen hebben ter zitting in het kader van het overleg over een regeling getwist over de hoogte van het openstaande bedrag, waarbij de gemachtigde van de man heeft verwezen naar een berekening (gemaakt door “iemand in Duitsland”). Die berekening heeft de man echter niet overgelegd. Het verschil van mening lijkt terug te voeren op de vraag of over het openstaande bedrag de wettelijke rente zou moeten worden betaald (dat zegt de man) of de contractuele rente (zoals de vrouw aanvoert). Maar dat de vrouw inmiddels weer bij is met de maandbetalingen heeft de man niet betwist, zodat het Hof daarvan uitgaat.
3.7
Vast staat dat de vrouw gedurende een aanzienlijke periode (24 maanden) de maandelijkse termijnen niet heeft voldaan. Ook al zou komen vast te staan dat dit niet aan haar te wijten is, dan nog kan de overeenkomst op grond van dat verzuim worden ontbonden. Dit geldt tenzij de tekortkoming, gezien haar bijzondere aard of geringe betekenis deze ontbinding met deze gevolgen niet rechtvaardigt (art.6:265 lid 1 BW Pro) en dat is naar het oordeel van het Hof hier aan de orde. Daarvoor is van belang dat moet worden aangenomen dat de gevolgen van ontbinding van de overeenkomst veel groter zijn voor de vrouw dan voor de man. De vrouw heeft aangevoerd dat zij het nu nog openstaande bedrag van de lening niet in een keer kan terugbetalen, waardoor zij niet alleen het appartement zal kwijtraken, maar ook de investeringen die zij heeft gedaan voor het opknappen daarvan en waarschijnlijk met een restschuld zal achterblijven. De man heeft die stellingen niet betwist en heeft zich helemaal niet uitgelaten over de gevolgen van de ontbinding aan zijn kant, hoewel hem dit expliciet is gevraagd in het tussenvonnis.
3.8
Dit betekent dat het Hof terugkomt op zijn (in beginsel bindende) beslissing in het tussenvonnis om de overeenkomst te ontbinden. De hiervoor genoemde bijzondere omstandigheden van dit geval maken het onaanvaardbaar dat het Hof aan die beslissing gebonden zou zijn, met name nu vaststaat (anders dan ten tijde van het tussenvonnis bekend was) dat de vrouw inmiddels weer bij is met haar termijnbetalingen. In zoverre berustte de beslissing in het tussenvonnis op een onjuiste feitelijke grondslag. Het Hof gaat er van uit dat de vrouw zich ook in de toekomst stipt zal houden aan haar betalingsverplichtingen uit de lening. Als zij dat niet doet loopt zij alsnog het risico op ontbinding van de overeenkomst.
3.9
Als grond voor ontbinding heeft de man in eerste aanleg en opnieuw in hoger beroep ook gesteld dat de vrouw anders dan overeengekomen het appartement zonder toestemming van de man heeft verhuurd. De vrouw heeft dat betwist en heeft aangevoerd dat partijen samen hebben besloten het appartement te kopen als investeringsobject, bestemd voor de verhuur aan studenten of toeristen. Op deze betwisting heeft de man niet meer gereageerd. Daarmee heeft hij zijn stelling onvoldoende onderbouwd dat hij geen toestemming heeft gegeven voor de verhuur aan derden. Ook dit vormt dus geen reden voor ontbinding.
overige schadeposten
3.1
De man heeft aangevoerd (in zijn akte na het tussenvonnis) dat hij schade heeft geleden bestaande uit (i) kosten van de deurwaarder die beslagen heeft gelegd en (ii) deurwaarderskosten voor het verkopen (iii) kosten van de notaris die een openbare veiling van het appartement heeft voorbereid en (iv) gederfde wettelijke dan wel contractuele rente over het uitstaande bedrag van de lening.
3.11
Deze kosten zijn door de man gemaakt ter executie van het vonnis in eerste aanleg (van 30 mei 2023) terwijl het hoger beroep (ingesteld op 11 juli 2023) al liep. Degene die in deze situatie kosten maakt voor beslag en executiemaatregelen doet dat volgens vaste rechtspraak voor eigen risico en kan die kosten in beginsel (als er geen bijzondere omstandigheden zijn) niet verhalen op de wederpartij als het bestreden vonnis wordt vernietigd (zoals in dit geval).
3.12
De man heeft een deel van deze kosten (met name de notariskosten) gemaakt in de periode na augustus 2023, toen de vrouw was opgehouden de maandelijkse termijnen te betalen. De man kon op dat moment in redelijkheid aannemen dat de door het Gerecht uitgesproken ontbinding van de overeenkomst in stand zou blijven. De vrouw heeft pas na 24 maanden haar betalingen hervat, terwijl niet eerder dan na het tussenvonnis van het Hof (van 19 maart 2025) duidelijk is geworden dat zij weer bij was met betaling van de maandtermijnen. In die bijzondere omstandigheden ziet het Hof aanleiding af te wijken van het uitgangspunt dat de executiekosten geheel voor risico van de man moeten blijven. De vrouw dient een deel van de gevorderde kosten voor haar rekening te nemen, omdat aan de executie (deels) het onrechtmatig karakter is komen te ontvallen. Het Hof ziet aanleiding om de schade van de man als gevolg van de executie naar redelijkheid te schatten op Cg 15.000, met afwijzing van het meer gevorderde.
3.13
Voor toewijzing van de gederfde wettelijke rente over het uitstaande bedrag van de lening bestaat geen grondslag, gelet op het feit dat de overeenkomst niet wordt ontbonden. De contractuele rente over de pas later betaalde 24 maandtermijnen heeft de man inmiddels ontvangen, zodat ook deze vordering niet zal worden toegewezen.
4.
Slotsom
4.1
Uit het voorgaande volgt dat het vonnis van het Gerecht zal worden vernietigd en dat de vorderingen van de man tot vernietiging en ontbinding van de overeenkomst zullen worden afgewezen, met toewijzing van zijn schadevordering tot een bedrag van Cg 15.000. Wettelijke rente hierover heeft de man niet gevorderd.
4.2
In het feit dat partijen voormalige partners zijn ziet het Hof aanleiding de proceskosten te compenseren, zowel voor wat betreft de kosten van de procedure bij het Gerecht als in hoger beroep.
B E S L I S S I N G
Het Hof:
vernietigt het vonnis waarvan beroep;
en opnieuw rechtdoende:
veroordeelt de vrouw tot betaling van Cg 15.000,-;
verklaart deze uitspraak uitvoerbaar bij voorraad;
compenseert de proceskosten in eerste aanleg en in hoger beroep zo dat iedere partij de eigen kosten draagt;
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mrs. C.G. ter Veer, E.M. van der Bunt en C.J.H.G. Bronzwaer, leden van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba en ter openbare terechtzitting van het Hof in Curaçao uitgesproken op 16 juni 2026 in tegenwoordigheid van de griffier.