ECLI:NL:OGHACMB:2026:171

Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba

Datum uitspraak
30 juni 2026
Publicatiedatum
1 juli 2026
Zaaknummer
CUR2025H00127
Instantie
Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:228 BWArt. 6:248 lid 1 BWArt. 6:248 lid 2 BWArt. 612 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging vonnis over reikwijdte vaststellingsovereenkomst en aansprakelijkheid vuistslag

Deze zaak betreft de uitleg van een vaststellingsovereenkomst tussen partijen die samen bouwprojecten ontwikkelden en de aansprakelijkheid voor een vuistslag die heeft geleid tot letsel. Het Gerecht in eerste aanleg oordeelde dat de vaststellingsovereenkomst niet de gevolgen van de vuistslag omvatte en dat er geen sprake was van uitlokking. De vordering tot schadevergoeding werd toegewezen.

In hoger beroep heeft de appellant aangevoerd dat de vaststellingsovereenkomst ook de gevolgen van de vuistslag zou regelen en dat hij uitgelokt zou zijn tot het geweld. Het Hof heeft de overeenkomst getoetst aan de Haviltex-formule en geoordeeld dat de tekst en context geen aanwijzing geven dat de gevolgen van de vuistslag onderdeel waren van de overeenkomst. De appellant is niet als partij bij de overeenkomst genoemd en de onderhandelingen richtten zich op de aandelenoverdracht en lening.

Het Hof verwierp ook het beroep op dwaling, redelijkheid en billijkheid en ongerechtvaardigde verrijking. Het verweer van uitlokking werd eveneens verworpen omdat geen sprake was van een situatie waarin de appellant redelijkerwijs geen andere keuze had dan het geweld te gebruiken. De schadevergoeding van NAf 5.000 als voorschot werd bevestigd, evenals de veroordeling van appellant in de proceskosten.

Uitkomst: Het Hof bevestigt het vonnis dat de vaststellingsovereenkomst niet ziet op de gevolgen van de vuistslag en veroordeelt appellant tot schadevergoeding en proceskosten.

Uitspraak

Burgerlijke zaken over 2026
Registratienummers: CUR202402822 en CUR2025H00127
Uitspraak: 30 juni 2026
GEMEENSCHAPPELIJK HOF VAN JUSTITIE
van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en
van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
V O N N I S
in de zaak van:
[APPELLANT],
wonend in Curaçao,
in eerste aanleg gedaagde,
thans appellant,
gemachtigde: mr. Th. Aardenburg,
tegen
[GEÏNTIMEERDE],
wonend in Curaçao,
in eerste aanleg eiser,
thans geïntimeerde,
gemachtigden: mrs. G. Hatzmann en E. Bokkes.
Partijen worden hierna aangeduid als [appellant] en [geïntimeerde].

1.De zaak in het kort

Deze zaak gaat over de reikwijdte van een vaststellingsovereenkomst en uitlokking van een geweldshandeling (vuistslag). Het Gerecht in eerste aanleg van Curaçao (verder: het Gerecht) heeft geoordeeld dat de gesloten vaststellingsovereenkomst niet (ook) ziet op de gevolgen van de geweldshandeling en dat van uitlokking daarvan geen sprake is geweest. De vordering tot schadevergoeding als gevolg van die geweldshandeling is daarom toegewezen.
Het Hof bevestigt het vonnis van het Gerecht.

2.Het verloop van de procedure

2.1
Bij op 8 mei 2025 ingekomen akte is [appellant] in hoger beroep gekomen van het tussen partijen gewezen en op 31 maart 2025 uitgesproken vonnis van het Gerecht.
2.2
Bij op 17 juni 2025 ingekomen memorie van grieven (met producties) heeft [appellant] zeven grieven aangevoerd tegen het vonnis van het Gerecht. Zijn conclusie strekt ertoe dat het Hof het vonnis waarvan beroep vernietigt en alsnog de vorderingen van [geïntimeerde] afwijst met veroordeling van [geïntimeerde] in de kosten van beide instanties.
2.3 [
geïntimeerde] heeft op 29 juli 2025 een memorie van antwoord (met een productie) ingediend. Zijn conclusie strekt ertoe dat het Hof het vonnis van het Gerecht bevestigt met veroordeling van [appellant] in de proceskosten.
2.4
Op de daarvoor bepaalde dag (30 september 2025) hebben de advocaten van partijen pleitnotities ingediend ([appellant] met twee producties).
2.5
Vonnis is gevraagd en nader bepaald op vandaag.

3.De beoordeling

Feiten
3.2.1 Het Hof gaat uit van de volgende feiten.
3.2.2 [geïntimeerde] en de ouders van [appellant] hebben op enig moment besloten samen bouwprojecten in Curaçao te ontwikkelen. In 2023 hebben zij daartoe de projectvennootschap [projectvennootschap] opgericht. Via hun vennootschappen ([geïntimeerde]: [BV geïntimeerde], verder: [BV geïntimeerde] en vader [appellant]: [BV vader appellant], verder: [BV vader appellant]) namen [geïntimeerde] en de ouders van [appellant] ieder voor 50% deel in het aandelenkapitaal van [projectvennootschap] (verder: [projectvennootschap]). [projectvennootschap] is vervolgens tot aankoop van een project te [wijk] overgegaan.
3.2.3 [BV vader appellant] heeft een lening verstrekt aan [geïntimeerde] voor de koop van een woning.
3.2.4 De inbreng van [geïntimeerde] in het project was dat hij de bouwwerkzaamheden tegen kostprijs zou verrichten. Daarbij werd [geïntimeerde] door [appellant] geholpen.
3.2.5 Op woensdagochtend 14 februari 2024 heeft [geïntimeerde] samen met de vader
van [appellant] het project te [wijk] bekeken. Kort nadat [geïntimeerde] en de vader van [appellant] op het project aankwamen arriveerde ook [appellant]. Hij heeft toen [geïntimeerde] met zijn vuist in het gezicht geslagen (verder ook: het incident). Als gevolg van de vuistslag is [geïntimeerde] bewusteloos geraakt.
3.2.6 Meteen na het incident is [geïntimeerde] via zijn huisarts naar de spoedeisende
hulp van het Curaçao Medical Center gebracht. In het ziekenhuis is geconstateerddat [geïntimeerde] zijn neus had gebroken, dat sprake was van een scheefstaande neus
met bloedneus, een hematoom bij het jukbeen, bloed slikken, misselijkheid, braken
en pijn aan het achterhoofd.
3.2.7 Na het incident hebben [geïntimeerde] en de vader van [appellant] besloten
de samenwerking te beëindigen. In dat verband hebben tussen [geïntimeerde], zijn
echtgenote en gemachtigde enerzijds en de vader van [appellant], zijn echtgenote en gemachtigde anderzijds gesprekken plaatsgevonden. Deze gesprekken hebben op 11 maart 2024 geleid tot een vaststellingsovereenkomst.
3.2.8 Als partijen bij de vaststellingsovereenkomst zijn daarin genoemd [BV vader appellant], waarvan de vader van [appellant] statutair directeur is, [BV geïntimeerde], waarvan [geïntimeerde] statutair directeur is, [projectvennootschap], de vader van [appellant] en [geïntimeerde].
3.2.9 In de vaststellingsovereenkomst is bepaald dat [geïntimeerde] zijn aandelen in
[projectvennootschap] aan [BV vader appellant] overdraagt tegen betaling van een bedrag van NAf 475.000. Ook is daarin bepaald dat [geïntimeerde] de door hem bij de ouders van [appellant] in privé afgesloten lening aan hen aflost door verrekening daarvan met de koopsom van de aandelen.
3.2.10 In de vaststellingsovereenkomst is verder bepaald:
8. Deze vaststellingsovereenkomst bevat alle afspraken welke tussen Partijen zijn gemaakt omtrent de aangelegenheden waaraan in de vaststellingsovereenkomst wordt gerefereerd en treedt in de plaats van alle andere overeenkomsten c.q afspraken die tussen Partijen omtrent die aangelegenheden (mochten) zijn gemaakt.
(…)
12. Behoudens nakoming van de verplichtingen die in deze vaststellingsovereenkomst zijn opgenomen verklaren Partijen niets meer van elkaar en hun groepsmaatschappijen, deelnemingen, rechtsopvolgers onder algemene of bijzondere titel of familieleden te vorderen te hebben en verlenen zij elkaar over en weer finale kwijting.
3.2.11 Op 10 juni 2024 heeft de gemachtigde van [geïntimeerde] [appellant] namens hem aansprakelijk gesteld voor de schade die [geïntimeerde] door de mishandeling op 14 februari 2024 heeft geleden en lijdt. Bij brief van 12 juni 2024 heeft de
gemachtigde van [appellant] alle aansprakelijkheid afgewezen.
3.2.12 In augustus 2024 heeft een operatie plaatsgevonden aan de neus van [geïntimeerde]. Tot op heden ondervindt [geïntimeerde] klachten aan zijn neus en heeft hij verminderd zicht aan een oog door loslating van het glasvochtmembraan.
De vorderingen van [geïntimeerde] en de beslissingen van het Gerecht
3.3.1 [geïntimeerde] heeft gevorderd [appellant] te veroordelen tot betaling van schadevergoeding wegens een door hem aan [geïntimeerde] gegeven vuistslag en als gevolg daarvan door [geïntimeerde] geleden schade. [appellant] heeft zich beroepen op de vaststellingsovereenkomst en op uitlokking van de door hem gegeven vuistslag door [geïntimeerde].
3.3.2 Het Gerecht heeft het beroep op de vaststellingsovereenkomst verworpen op de grond dat deze niet zo kan worden uitgelegd dat de kwijtingsclausule ook ziet op de gevolgen van de uitgedeelde vuistslag. Van de door [appellant] gestelde uitlokking van de vuistslag is geen sprake. [appellant] is daarom veroordeeld tot betaling van NAf 5.000 (als voorschot op de schadevergoeding). Voor het overige is de zaak verwezen naar de schadestaatprocedure. [appellant] is veroordeeld in de kosten van de procedure.
De vaststellingsovereenkomst
3.4.1 Met zijn grieven 1 tot en met 4 komt [appellant] op tegen het oordeel van het Gerecht dat de vaststellingsovereenkomst niet (ook) ziet op de gevolgen van de door hem uitgedeelde vuistslag. Die grieven lenen zich voor gezamenlijke behandeling.
3.4.2 Bij de beoordeling van de grieven staat voorop dat de uitleg van de vaststellingsovereenkomst moet geschieden aan de hand van de Haviltexformule.
3.4.3 In de vaststellingsovereenkomst is niet genoemd dat deze ook de gevolgen van de door [appellant] gegeven vuistslag regelt. [appellant] zelf is niet als partij bij die overeenkomst genoemd. In zoverre biedt de tekst van de vaststellingsovereenkomst geen steun aan wat [appellant] in deze procedure stelt. Dit is te meer van gewicht nu het concept voor de vaststellingsovereenkomst is opgesteld door de vader van [appellant]. Het ligt voor de hand dat deze de schadeplichtigheid voor het letsel van [geïntimeerde] bij de te regelen aangelegenheden had genoemd wanneer regeling daarvan beoogd werd.
3.4.4 Niet in geschil is dat de aanleiding voor de vaststellingsovereenkomst, mede (er waren al spanningen tussen partijen) gelegen was in het incident van 14 februari 2024. Dat incident was dus tijdens de, na die datum gestarte, onderhandelingen bekend. Gesteld noch gebleken is dat [geïntimeerde] op dat moment [appellant] al aansprakelijk had gesteld voor de gevolgen van het incident en/of dat [geïntimeerde] bekend was met de ernst van de gevolgen ervan. Uit de bekendheid met het incident volgt daarom op zichzelf niet dat de gevolgen van het incident toen mede onderwerp van de onderhandelingen en de vaststellingsovereenkomst moeten hebben gevormd.
3.4.5 Ongeveer een week na het incident vond een telefoongesprek plaats tussen de vader van [appellant] en [geïntimeerde]. In dat gesprek heeft [geïntimeerde] gezegd:
"Wij gaan een berekening maken met wat wij denken dat het waard is plus de ellende die wij ondertussen van alle shit gehad hebben want dat nemen we er wel in mee. Dan komt er iets te liggen en kan het snel gaan"
3.4.6 Tussen de ouders van [appellant] en [geïntimeerde] en zijn echtgenote ging het op dat moment over de vraag voor welk bedrag de aandelen van [BV geïntimeerde] in [projectvennootschap] zouden worden overgenomen door [BV vader appellant]. In dat verband heeft [geïntimeerde] de geciteerde opmerking gemaakt. [appellant] stelt dat die opmerking zag op de gevolgen van de vuistslag. Uit de gebruikte bewoordingen valt dat niet af te leiden. Gesteld noch gebleken is bovendien dat in het bewuste gesprek het incident en de gevolgen daarvan zijn besproken en/of dat vader [appellant] daarin kenbaar maakte dat hij de vaststellingsovereenkomst ook betrekking wilde laten hebben op de gevolgen van het incident. Vast staat bovendien dat voorafgaand aan het incident reeds sprake was van spanningen tussen partijen; vader [appellant] spreekt daarover zelf in zijn verklaring. Uit de geciteerde bewoordingen kan dus niet worden afgeleid dat deze redelijkerwijs moeten worden verstaan als inbreng in de onderhandelingen van de gevolgen van het incident. Van een door partijen bij de overeenkomst gelegd verband tussen de letselschade van [geïntimeerde] en een deswege hogere koopprijs van zijn aandelen in [BV geïntimeerde], blijkt ook niet uit de aan de vaststellingsovereenkomst voorafgaande correspondentie over de inhoud daarvan, waaronder met name die koopprijs.
3.4.7 [appellant] stelt dat de uiteindelijk door [BV vader appellant] aan [BV geïntimeerde] betaalde prijs voor de aandelen extra hoog was om daarmee ook de gevolgen van het incident af te doen. Dat blijkt hieruit, volgens [appellant], dat de intrinsieke waarde van de aandelen [projectvennootschap] negatief was, maar desondanks NAf 475.000 is betaald voor het aandelenpakket van [BV geïntimeerde] in [projectvennootschap]. Een concrete onderbouwing van de samenstellende componenten van dat bedrag van NAf 475.000 ontbreekt echter. Evenmin is gesteld of onderbouwd welk bedrag betaald zou zijn zonder incident.
3.4.8 Uit de vaststellingsovereenkomst blijkt dat de ouders van [appellant] en [geïntimeerde] en zijn echtgenote daarin meer hebben willen regelen dan alleen de overname van de aandelen van [BV geïntimeerde]. Dat meerdere is uitdrukkelijk benoemd in artikel 1 van Pro de vastellingsovereenkomst, te weten de geldlening van [BV vader appellant] aan [geïntimeerde] en zijn echtgenote. Dat duidt erop dat partijen in de vaststellingsovereenkomst uitdrukkelijk hebben willen benoemen wat daarin geregeld werd. Ook de zinsnede “omtrent de aangelegenheden waaraan in de vaststellingsovereenkomst wordt gerefereerd” in artikel 8 van Pro de vaststellingsovereenkomst vormt een aanwijzing dat partijen de reikwijdte van de vaststellingsovereenkomst hebben willen beperken tot hetgeen daarin wordt genoemd. Daarin past niet het onvermeld blijven van het incident wanneer regeling van de gevolgen daarvan niettemin ook werd beoogd.
3.4.9 In artikel 12 van Pro de vaststellingsovereenkomst is bepaald dat partijen (zoals overwogen onder 3.4.3: [appellant] is niet als partij genoemd) verklaren, behoudens nakoming van de verplichtingen die in de vaststellingsovereenkomst zijn opgenomen, niets meer van elkaar en hun groepsmaatschappijen, deelnemingen, rechtsopvolgers onder algemene of bijzondere titel of familieleden te vorderen te hebben en elkaar over en weer finale kwijting te verlenen (verder: de kwijtingsclausule).
3.4.10 [appellant] stelt dat uit het gebruik van het woord ‘familieleden’ blijkt dat bedoeld is ook voor een vordering op basis van het incident aan hem, als familielid van vader [appellant], finale kwijting te verlenen. Een dergelijke vordering is echter niet uitdrukkelijk genoemd in de vaststellingsovereenkomst. De tekst van de kwijtingsclausule past ook heel goed bij een uitleg waarbij daarmee niet meer is beoogd dan om aan de families [geïntimeerde] en [appellant] en hun bedrijven over en weer zakelijke kwijting te verlenen voor wat uitdrukkelijk in de vaststellingsovereenkomst werd geregeld, namelijk de financiële gevolgen van de ontvlechting van de samenwerking tussen die families en bedrijven.
3.4.11 Uit het voorgaande in onderling verband bezien volgt dat de vaststellingsovereenkomst aldus moet worden uitgelegd dat daarin geregeld zijn de overname van de aandelen van [BV geïntimeerde] in [projectvennootschap] en de aflossing van de door [geïntimeerde] en zijn echtgenote bij [BV vader appellant] afgesloten lening. De vaststellingsovereenkomst zag dus niet ook op de gevolgen van het incident. [appellant] heeft onvoldoende gesteld op grond waarvan hij de vaststellingsovereenkomst ondanks het voorgaande redelijkerwijs anders mocht begrijpen. Aan bewijslevering komt het Hof niet toe. De grieven 1 tot en met 4 slagen niet.
Overige verweren
3.4.12 Voor het geval ervan moet worden uitgegaan dat de vaststellingsovereenkomst geen betrekking heeft op de gevolgen van het incident, en die situatie doet zich voor, is door [appellant] gesteld dat hij gedwaald heeft bij het aangaan van de overeenkomst. Ook is gesteld dat de vordering van [geïntimeerde] moet worden afgewezen omdat deze in strijd is met de redelijkheid en billijkheid en leidt tot ongerechtvaardigde verrijking van [geïntimeerde].
3.4.13 Het Hof laat in het midden of [appellant] als partij moet worden aangemerkt bij de vaststellingsovereenkomst. Voorop wordt gesteld dat een vaststellingsovereenkomst een overeenkomst is die strekt ter beëindiging of ter voorkoming van een onzekerheid of geschil. Een dergelijke overeenkomst is gericht op het verkrijgen van zekerheid en het voorkomen van onzekerheid. Voorkomen moet worden dat er ook over die vaststellingsovereenkomst spoedig een geschil kan ontstaan. Daarom stuit een beroep op dwaling ten aanzien van een onderwerp van de overeenkomst (welke onzekerheid de overeenkomst beoogde te voorkomen of waarover de overeenkomst zekerheid beoogde te scheppen) af op de aard van de overeenkomst. In het licht van deze door de rechter te betrachten terughoudendheid en de duidelijke bewoordingen van de vaststellingsovereenkomst, zoals hiervoor gemotiveerd, oordeelt het Hof dat [appellant] zijn stelling dat zich een van de in artikel 6:228 BW Pro genoemde situaties (waarin een onder invloed van dwaling gesloten overeenkomst vernietigbaar kan zijn) heeft voorgedaan, onvoldoende heeft onderbouwd. Aan het beroep op dwaling wordt daarom voorbijgegaan.
3.4.14 Onderbouwd door [appellant] is evenmin dat en waarom de redelijkheid en billijkheid eisen (art. 6:248 lid 1 BW Pro) dat de vaststellingsovereenkomst zich ook uitstrekt tot de gevolgen van het incident. Evenmin is onderbouwd waarom het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is (artikel 6:248 lid 2 BW Pro) dat hij aansprakelijk gesteld wordt voor de gevolgen van het niet in de vaststellingsovereenkomst betrokken incident. Veeleer verlangen de redelijkheid en billijkheid dat [geïntimeerde] niet zelf opdraait voor de schade wegens het door [appellant] toegebrachte letsel.
3.4.15 Niet onderbouwd is ook waarom [geïntimeerde], ten koste van [appellant], ongerechtvaardigd wordt verrijkt indien [appellant] aansprakelijk wordt geoordeeld voor de gevolgen van het incident en [appellant] de geleden schade vergoedt. [geïntimeerde] ontvangt dan immers waarop hij recht heeft: schadevergoeding voor het als onrechtmatige daad aangemerkte optreden van [appellant], die (zoals hiervoor geoordeeld) niet in de verkoopprijs van de aandelen begrepen was.
Uitlokking
3.4.16 [appellant] stelt dat het incident werd uitgelokt door [geïntimeerde]. De door hem gegeven vuistslag was daarom niet onrechtmatig.
3.4.17 Het Gerecht heeft dit verweer in rov 4.7 van het vonnis verworpen. In hoger beroep heeft [appellant] geen nieuwe aspecten benoemd en toegelicht. Wel vindt hij dat te weinig aandacht is geschonken aan de verklaringen van hemzelf en van zijn vader. Die verklaringen bevatten echter niets waaruit kan worden opgemaakt dat van [geïntimeerde] een zodanige dreiging uitging jegens [appellant] dat deze redelijkerwijs geen andere keuze had dan het geven van een vuistslag aan [geïntimeerde] of dat het geven van die vuistslag redelijkerwijs niet aan hem kan worden toegerekend. Het Hof sluit zich aan bij wat het Gerecht heeft overwogen. Grief 5 slaagt niet.
Schade
3.4.18 [geïntimeerde] heeft gevorderd schadevergoeding op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet. Het Gerecht heeft die vordering toegewezen, maar ook al een bedrag van NAf 5.000 toegekend als voorschot op de uiteindelijk vast te stellen schadevergoeding. Volgens [appellant] is het Gerecht daardoor buiten de rechtsstrijd tussen partijen getreden. [geïntimeerde] had geen bedrag van NAf 5.000 gevorderd en het partijdebat is daarover niet gegaan.
3.4.19 Uitgangspunt is (artikel 612 Rv Pro) dat de rechter die een veroordeling tot schadevergoeding uitspreekt de schade begroot, voor zover hem dat mogelijk is. Indien dat niet mogelijk is spreekt hij een veroordeling uit tot schadevergoeding op te maken bij staat. Ook als slechts schadevergoeding op te maken bij staat is gevorderd staat het de rechter dus vrij om, indien hem dat mogelijk is, een concreet schadebedrag vast te stellen en toe te wijzen. De rechter moet er daarbij wel op toezien dat geen verrassingsbeslissing wordt genomen.
3.4.20 In hoger beroep is de situatie deze dat
- het Gerecht NAf 5.000 aan smartengeld heeft toegewezen op basis van, zo begrijpt het Hof, de in het vonnis in de overwegingen 2.5, 2.6 en 2.13 vastgestelde feiten;
- [ appellant] in zijn memorie van grieven tegen deze overwegingen geen grief heeft geformuleerd of deze overwegingen anderszins ter discussie heeft gesteld;
- [ geïntimeerde] in de memorie van antwoord erop gewezen heeft dat, als gevolg van de vuistslag, sprake is geweest van een gebroken neus en een losgeslagen netvliesmembraan;
- [ appellant] daarop bij pleidooi inhoudelijk had kunnen reageren, maar dat niet heeft gedaan.
3.4.21 Als het Hof nu inhoudelijk oordeelt over toekenning van een concreet schadebedrag kan bij deze stand van zaken niet worden gesproken van een verrassingsbeslissing: het vonnis van het Gerecht was ten volle aan het oordeel van het Hof onderworpen, [appellant] had de mogelijkheid inhoudelijk in te gaan op het oordeel van het Gerecht over de schade, de kwestie van de schade is inhoudelijk door [geïntimeerde] aan de orde gesteld en [appellant] was in de gelegenheid daarop inhoudelijk te reageren, maar heeft dat niet gedaan. Bij gebreke van inhoudelijk verweer van [appellant] en tot uitgangspunt nemend wat het Gerecht in de overwegingen 2.5, 2.6 en 2.13 heeft vastgesteld verenigt het Hof zich met de beslissing van het Gerecht tot toekenning van NAf 5.000. Grief 6 slaagt niet.
Slotsom
3.5.1 De grieven 1 tot en met 6 slagen niet. Dat betekent dat ook grief 7 (over de proceskosten) niet slaagt. Het vonnis van het Gerecht wordt bevestigd.
3.5.2 [appellant] is de in het ongelijk gestelde partij in hoger beroep. Hij wordt daarom veroordeeld in de proceskosten van [geïntimeerde]. Deze bedragen:
- verschotten Cg 491,91 (betekening memorie van antwoord)
- salaris gemachtigde Cg 5.000 (2,5 punt à Cg 2.000 per punt, tarief 5).
B E S L I S S I N G
Het Hof:
bevestigt het vonnis van het Gerecht van 31 maart 2025;
veroordeelt [appellant] in de kosten van de procedure aan de zijde van [geïntimeerde] gevallen en begroot deze op Cg 491,91 aan verschotten en Cg 5.000 aan salaris gemachtigde;
wijst af het meer of anders gevorderde.
Dit vonnis is gewezen door mrs. G.C.C. Lewin, W.P.M. ter Berg en E.P. van Unen, leden van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba en ter openbare terechtzitting van het Hof in Curaçao uitgesproken op 30 juni 2026 in tegenwoordigheid van de griffier.