ECLI:NL:OGHACMB:2026:172

Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba

Datum uitspraak
30 juni 2026
Publicatiedatum
2 juli 2026
Zaaknummer
CUR2025H00028
Instantie
Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7A:1614y BWArtikel 4 lid 8 CAOArtikel 12 CAO
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging vonnis over schorsing werknemer met en zonder behoud van loon

Deze zaak betreft een kort geding over twee disciplinaire schorsingen van een werknemer bij Curaçao Port Services B.V. (CPS). De eerste schorsing, met behoud van loon, werd door het Gerecht als terecht beoordeeld. De tweede schorsing, zonder behoud van loon, werd door het Gerecht onterecht geoordeeld omdat deze geen redelijk doel meer diende. Het Hof bevestigt dit oordeel.

De werknemer weigerde op 9 december 2024 overwerk te verrichten vanwege een fysiotherapieafspraak. CPS stelde dat de werkweigering niet met verifieerbare informatie was onderbouwd en dat de werknemer opdrachten om zich te melden bij de Arbo-arts negeerde. De eerste schorsing volgde op 10 december 2024 met behoud van loon, de tweede schorsing zonder loon werd opgelegd op 9 januari 2025.

Het Hof oordeelt dat de eerste schorsing als ordemaatregel gerechtvaardigd was om onderzoek te verrichten en advies in te winnen. De tweede schorsing zonder loon was echter onevenredig zwaar, gezien het lange dienstverband en het ontbreken van eerdere disciplinaire maatregelen. CPS had een lichtere sanctie moeten toepassen. De vordering tot doorbetaling van loon over de tweede schorsingsperiode wordt daarom toegewezen.

Verder oordeelt het Hof dat de werknemer geen recht heeft op vergoeding voor cementwerk, omdat onvoldoende aannemelijk is dat hij die werkzaamheden zou hebben verricht. De wedertewerkstelling per 10 februari 2025 stond niet ter discussie. De proceskosten zijn gecompenseerd, waarbij CPS in het principaal hoger beroep en de werknemer in het incidenteel hoger beroep in de kosten worden veroordeeld.

Het Hof bevestigt het vonnis van het Gerecht en wijst de grieven van CPS en de werknemer af.

Uitkomst: Het Hof bevestigt dat de eerste schorsing terecht was en veroordeelt CPS tot doorbetaling van loon over de tweede schorsingsperiode.

Uitspraak

Burgerlijke zaken over 2026
Registratienummers: CUR202500152 en CUR202500028
Uitspraak: 30 juni 2026
GEMEENSCHAPPELIJK HOF VAN JUSTITIE
van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en
van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
V O N N I S
in kort geding in de zaak van:
de besloten vennootschap
CURAÇAO PORT SERVICES B.V.,
gevestigd in Curaçao,
in eerste aanleg gedaagde,
thans appellante in het principaal hoger beroep,
geïntimeerde in het incidenteel hoger beroep,
gemachtigde: mr. M.F. Bonapart,
tegen
[DE WERKNEMER],
wonende in Curacao,
in eerste aanleg eiser,
thans geïntimeerde in het principaal hoger beroep,
appellant in het incidenteel hoger beroep,
gemachtigden: mrs. E. Bokkes en N.A.A. Montroos.
Partijen worden hierna aangeduid als CPS en [de werknemer].

1.De zaak in het kort

Dit kort geding gaat over een tweetal schorsingen van een werknemer. Het Gerecht in eerste aanleg van Curaçao (verder: het Gerecht) heeft geoordeeld dat de eerste schorsing (met behoud van loon) terecht was. De tweede schorsing (zonder behoud van loon) diende echter geen redelijk doel meer. De werkgever is daarom veroordeeld tot doorbetaling van loon over die tweede schorsingsperiode.
Het Hof bevestigt het vonnis van het Gerecht.

2.Het verloop van de procedure

2.1
Bij op 19 februari 2025 ingekomen akte is CPS in hoger beroep gekomen van het tussen partijen gewezen en op 18 februari 2025 uitgesproken vonnis van het Gerecht.
2.2
Bij op 7 maart 2025 ingekomen memorie van grieven (met producties) heeft CPS negen grieven aangevoerd tegen het vonnis van het Gerecht. Haar conclusie strekt ertoe dat het Hof het vonnis waarvan beroep vernietigt en alsnog, uitvoerbaar bij voorraad, de diverse vorderingen van [de werknemer] afwijst met veroordeling van [de werknemer] in de kosten van beide instanties.
2.3 [
de werknemer] heeft op 9 mei 2025 een memorie van antwoord in het principaal hoger beroep tevens memorie van grieven in het incidenteel hoger beroep ingediend. Zijn conclusie strekt ertoe dat het Hof het vonnis van het Gerecht vernietigt ten aanzien van de afgewezen vordering voor cementwerk en de proceskostenveroordeling, de vordering voor cementwerk alsnog toewijst en het vonnis voor het overige bevestigt met veroordeling van CPS, uitvoerbaar bij voorraad, in de proceskosten van beide instanties vermeerderd met nakosten, en de wettelijke rente daarover.
2.4
CPS heeft op 5 juni 2025 een memorie van antwoord in het incidenteel hoger beroep ingediend. Haar conclusie strekt tot afwijzing van het incidenteel hoger beroep met veroordeling van [de werknemer] in de proceskosten.
2.5
Op de daarvoor bepaalde dag hebben de advocaten van CPS en [de werknemer] pleitnotities ingediend.
2.6
Vonnis is gevraagd en nader bepaald op vandaag.

3.De beoordeling

Feiten
3.2.1 Het Hof gaat uit van de volgende feiten.
3.2.2 [de werknemer] is op 18 juli 2001 in dienst getreden bij CPS in de functie van checker, tegen een brutoloon van NAf 4.485,37 per maand. De reguliere diensten van [de werknemer] zijn van 07.00 uur - 16.00 uur.
3.2.3 De toepasselijke CAO bevat onder andere de volgende bepalingen:
Artikel 4 lid Pro 8:
a. De werknemer is verplicht naar aanwijzing van de Werkgever overwerk en arbeid op een, al dan niet verplichte, vrije dag, een rustdag en/of feestdag te verrichten indien de Werkgever dit in het belang van de onderneming noodzakelijk acht, rekening houdende met de persoonlijke belangen van de werknemer.
b. De werkgever zal zorgdragen dat overwerk bij soortgelijk werk zoveel mogelijk per toerbeurt te laten verrichten.
c. De werkgever zal er naar streven, informatie per schip ten aanzien van te verrichten overwerk (...) steeds zo spoedig mogelijk en zo volledig mogelijk te geven. Voor overwerk op werkdagen geldt dat de informatie, zo mogelijk, tussen 11.00 en 12.00 uur wordt gegeven (...).
(…)
Artikel 12
DISCIPLINAIRE MAATREGELEN
1. Aan de werknemer die inbreuk maakt op de bepalingen van deze CAO dan wel een aan
hem rechtmatig gegeven opdracht niet of niet op de juiste wijze uitvoert of in strijd met zijn
plichten handelt, kunnen een van de navolgende disciplinaire maatregelen worden
opgelegd:
a. een mondelinge waarschuwing;
b. Een schriftelijke waarschuwing;
c. Schorsing van ten hoogste een maand, gedurende welke tijd de aanspraak op loon en/of
andere faciliteiten vervalt.
(…)
3.2.4 Op 9 december 2024 is aan [de werknemer] gevraagd om op die dag vanaf 16:00 uur overwerk te verrichten. [de werknemer] heeft te kennen gegeven niet aan dat verzoek te zullen voldoen vanwege een afspraak bij de fysiotherapeut om 16.30 uur.
Er waren geen andere checkers beschikbaar. Vervolgens is aan [de werknemer] voorgesteld dat hij het overwerk na de fysiotherapeut zou oppakken. [de werknemer] heeft te kennen gegeven dat hij daartoe niet in staat was na behandeling.
3.2.5 CPS heeft [de werknemer] naar aanleiding daarvan verzocht zich te melden bij de ARBO arts. [de werknemer] heeft zich op 10 december 2024 bij de ARBO arts gemeld en daar aangegeven dat hij niet ziek is en zich daarom niet ziek heeft gemeld en dat er geen aanleiding is voor medisch onderzoek. Dit heeft de ARBO arts teruggekoppeld aan CPS.
3.2.6 Bij brief van 10 december 2024 van de afdeling HR van CPS is [de werknemer] op non-actief gesteld met behoud van loon. In de brief staat onder meer dat [de werknemer] op non-actief wordt gesteld in afwachting van de uitkomst van een onderzoek, advies van de ARBO arts en juridisch advies. In dat verband wordt [de werknemer] dringend verzocht de door ARBO gevraagde informatie te verstrekken.
3.2.7 Door de gemachtigde van [de werknemer] is bij brief van 17 december 2024 bezwaar gemaakt tegen de non-actiefstelling. Daarop is gereageerd door CPS bij brief van 18 december 2024. Daarna zijn op 20 december 2024 en 23 december 2024 over en weer reacties gestuurd.
3.2.8 Bij brieven van 31 december 2024 en 2 januari 2025 heeft CPS [de werknemer]
nogmaals verzocht zich te melden bij de ARBO dienst. Verder is op 7 januari 2025
door CPS nog een brief gestuurd met een verzoek om een reactie. Daarop heeft de
gemachtigde van [de werknemer] bij brief van 8 januari 2025 gereageerd, waarin (opnieuw) om wedertewerkstelling is verzocht.
3.2.9 Bij brief van 9 januari 2025 is namens CPS aan [de werknemer] te kennen gegeven dat hij wordt geschorst tot 10 februari 2025, zonder behoud van loon. In de brief staat onder meer:
(…)
CPS meent dat u redelijke en vooral verantwoordbare instructies naast u neer blijft leggen:
- De werkweigering van 9 december 2024 is naar het CPS oordeel niet, althans niet inzichtelijk met verifieerbare informatie onderbouwd. (...) Het is CPS ook onduidelijk of de patiëntenkaart u toebehoort. (...)
(…)
- Het door u consequent negeren van de opdracht ter melding voor onderzoek bij de ARBO (met de door ARBO gewenste bescheiden) levert ook weer een toerekenbaar verwijt op. U houdt zich ook hierbij niet aan de regels van goed werknemerschap en de uit de CAO voortvloeiende ARBO regeling. De voornoemde instructie werd u laatstelijk expliciet versterkt met de aanzegging van disciplinaire maatregelen indien u het melden (...) bij de
ARBO blijft nalaten.
(…)
CPS komt tot geen ander oordeel dan dat u zich in meerdere opzichten (...) zeker niet als een goed werknemer heeft gedragen. (...)
CPS concludeert dat er en zeker ook vanwege de aan u toe te rekenen (…) en aan u verwijtbare feiten, omstandigheden, nalaten en gedragingen zich redenen voordoen die ieder op zich zelf en zeker ook tezamen tot het besluit leiden om u op grond van het vorengaande de disciplinaire maatregel van een maand schorsing zonder loon op te leggen. (...)
De schorsing vangt per dagtekening van deze brief aan en geldt tot en met 10 februari 2025.
Bij het vorengaande is door CPS zeker in overweging genomen dat u bij brief van 30 december 2024 erop bent gewezen dat er voor u, op 2 januari 2025, een afspraak met de Arbo was gemaakt terwijl u zonder enig bericht niet op die afspraak bent verschenen.
3.2.10 Per 25 februari 2025 is het dienstverband met CPS op verzoek van [de werknemer] geëindigd.
De vorderingen van [de werknemer] en de beslissingen van het Gerecht
3.3.1 Het hoger beroep van CPS en het incidenteel hoger beroep van [de werknemer] hebben betrekking op de vorderingen van [de werknemer] ten aanzien van de volgende thema’s:
a. de eerste schorsing (grief 1 [de werknemer]);
b. de tweede schorsing (grieven 1 tot en met 6 en 9 CPS);
c. cementwerk (grief 2 [de werknemer])
d. wedertewerkstelling (grief 8 CPS)
e. proceskosten (grief 7 CPS en grief 3 [de werknemer]).
3.3.2 Het Gerecht heeft de eerste schorsing terecht geoordeeld, de tweede niet. Op basis daarvan is CPS veroordeeld tot betaling van het basissalaris over de periode van de tweede schorsing. Ook heeft het Gerecht verstaan dat [de werknemer] vanaf 10 februari 2025 weer op de gebruikelijke wijze tewerkgesteld wordt. De proceskosten zijn gecompenseerd.
De eerste schorsing (thema a)
3.4.1 Op 10 december 2024 is [de werknemer] door CPS op non-actief gesteld (in dit vonnis ook wel de eerste schorsing genoemd). [de werknemer] behield recht op zijn loon, maar werd niet meer tot het werk toegelaten. Hij vordert in dit kort geding weer toegelaten te worden tot het werk.
3.4.2 In dit kort geding is niet van belang of de eerste schorsing terecht was. [de werknemer] is gedurende de eerste schorsing doorbetaald geweest. Tegen de afwijzing om de eerste schorsing uit het personeelsbestand te verwijderen is [de werknemer] in hoger beroep niet opgekomen. De vraag of de eerste schorsing terecht was of niet, is ook niet van belang voor de beoordeling van de vraag of het Gerecht op goede gronden heeft verstaan dat [de werknemer] vanaf 10 februari 2025 weer op de gebruikelijke wijze wordt tewerkgesteld, noch voor de beoordeling van de vraag of hij thans moet worden toegelaten tot het werk. Een verklaring voor recht over de gerechtvaardigdheid van de eerste schorsing is niet gevorderd en dat kan in kort geding ook niet. Ten overvloede overweegt het Hof als volgt.
3.4.3 Als het gaat om de vraag of een werknemer de overeengekomen werkzaamheden mag hervatten, geldt enerzijds dat een werknemer tegenover zijn werkgever geen absoluut recht heeft om de bedongen werkzaamheden te kunnen verrichten en anderzijds dat een werkgever als een goed werkgever in de zin van artikel 7A:1614y BW zijn werknemer alleen van het verrichten van zijn werk mag afhouden als hij daarvoor een redelijke de grond heeft die ten opzichte van het belang van de werknemer, voldoende zwaar weegt. Het belang van de werknemer bij het verrichten van zijn werk is in beginsel groot omdat het verrichten van de bedongen arbeid een werknemer de mogelijkheid biedt van zelfontplooiing, sociale contacten, de ontwikkeling van een eigen identiteit en een vorm is van maatschappelijke participatie.
3.4.4 Het voorgaande betekent dat het (in een bodemprocedure) aan CPS zal zijn om aan te tonen dat haar beslissing om [de werknemer] te schorsen, berust op gronden die die beslissing kunnen dragen. De door [de werknemer] gevorderde voorziening in de vorm van een wedertewerkstelling is daarmee in beginsel toewijsbaar, tenzij in dit kort geding met een voldoende mate van zekerheid kan worden aangenomen dat in een bodemprocedure die schorsing stand zal houden.
3.4.5 CPS noemt de schorsing van 10 december 2024 een ordemaatregel. Volgens haar was die noodzakelijk om onderzoek te verrichten, advies van de Arbo-dienst te ontvangen en juridisch advies in te winnen.
3.4.6 In artikel 4 lid 8 van Pro de toepasselijke cao is bepaald dat de werknemer, indien de werkgever dit in het belang van de onderneming noodzakelijk acht, verplicht is overwerk te verrichten. De werkgever moet bij het geven van een opdracht tot overwerk wel rekening houden met de persoonlijke belangen van de werknemer.
3.4.7 Het Gerecht heeft over deze eerste schorsing in rov 4.3. overwogen:
(…)
[de werknemer] heeft dit overwerk vervolgens geweigerd vanwege een al eerder gemaakte afspraak bij de fysiotherapeut. Nadat afdeling meldpunt andere collega's had benaderd, die ook
niet konden, dan wel afwezig waren, kwam het meldpunt weer terug bij [de werknemer]. Onder die gegeven omstandigheden lag het naar het oordeel van het gerecht op de weg van [de werknemer] om als goed werknemer zijn afspraak bij de fysiotherapeut te verzetten naar een ander moment en het overwerk te verrichten. Dat zou slechts anders zijn indien hij zodanige (rug)klachten had, dat hij zijn werk zonder die behandeling niet naar behoren zou kunnen verrichten. Kennelijk was [de werknemer] die mening toegedaan, want hij was ook niet bereid om na de afspraak bij de fysiotherapeut aisnog te komen. Als dat (inderdaad) het geval was, heeft CPS zich terecht op het standpunt gesteld dat het van belang was de ARBO dienst te laten beoordelen of [de werknemer] in staat was om zijn werk te verrichten. Als daar geen sprake van was, dan heeft [de werknemer] ten onrechte werk geweigerd en is het om die reden terecht dat CPS daar consequenties aan heeft verbonden. [de werknemer] kan niet volhouden dat hij 'niet ziek' is, als de reden voor het weigeren van werk naar eigen zeggen is gelegen in zijn fysieke gesteldheid en de onmogelijkheid om af te zien van een afspraak bij de fysiotherapeut.
3.4.8 [de werknemer] stelt in zijn incidentele grief 1 dat deze overweging van het Gerecht niet juist is. Volgens hem was er geen reden om uit te zoeken of sprake was van relevante beperkingen in het uitoefenen van zijn werk omdat hij al 23 jaar bij CPS werkte, hij niet meer dan gemiddeld verzuimde en het overnemen van overwerk door collega’s normaal was.
3.4.9 Het enkele feit dat [de werknemer] al 23 jaar bij CPS werkte en niet meer dan gemiddeld verzuimde sluit niet uit dat in december 2024 wel degelijk voldoende aanwijzingen bestonden, zoals door het Gerecht gemotiveerd, dat [de werknemer] wegens fysieke belemmeringen weigerde overwerk te verrichten. Met zijn persoonlijke omstandigheden is daarbij rekening gehouden doordat CPS gedaan heeft wat volgens [de werknemer] de bedrijfscultuur was: eerst proberen een andere checker bereid te vinden het overwerk te doen. Voor het overige deelt het Hof de overwegingen van het Gerecht. Grief 1 van [de werknemer] slaagt niet.
De tweede schorsing (thema b)
3.5.1 Ingevolge artikel 12 van Pro de toepasselijke cao kan aan een werknemer schorsing als diciplinaire maatregel worden opgelegd als die werknemer inbreuk maakt op de bepalingen van de cao dan wel een aan hem rechtmatig gegeven opdracht niet of niet op de juiste wijze uitvoert of in strijd met zijn plichten handelt. Hierbij moeten de beginselen van subsidiariteit en proportionaliteit in acht worden genomen.
3.5.2 CPS heeft op 9 januari 2025 aan [de werknemer] de disciplinaire maatregel opgelegd van schorsing (tot 10 februari 2025) zonder behoud van loon. De daarvoor opgegeven redenen waren dat de (gestelde) werkweigering van 9 december 2024 nog steeds niet met verifieerbare bescheiden was onderbouwd en dat [de werknemer] volgens CPS consequent opdrachten zich te melden bij de Arbo-dienst negeerde.
3.5.3 CPS heeft, tijdens de eerste schorsing, willen achterhalen of voor de werkweigering op 9 december 2024 een goede reden bestond. Het bezoek aan de fysiotherapeut zou voor [de werknemer] een goede reden kunnen zijn om het overwerk niet te verrichten, indien zijn fysieke toestand dat bezoek op die dag noodzakelijk maakte en hem verhinderde te werken. Ondanks herhaalde opdracht van CPS aan [de werknemer] om de Arbo-arts te informeren had [de werknemer] dat nagelaten. Op 9 januari 2025 kon dus worden vastgesteld dat [de werknemer] de weigering om het overwerk te verrichten niet naar behoren had onderbouwd en dat hij, consequent, opdrachten zich te melden bij de Arbo-arts negeerde. Wat dat laatste betreft heeft [de werknemer] aangevoerd dat er geen reden was voor bezoek aan de Arbo-arts omdat hij niet ziek was. Met dat argument miskent hij dat een werkgever, ter bescherming van de werknemer, bij voldoende aanwijzingen voor het bestaan van fysieke belemmeringen om het werk te verrichten de Arbo-arts mag inschakelen. Ook als de werknemer dat niet nodig vindt. De werknemer heeft zich in dat geval te richten naar de door de werkgever gegeven opdracht.
3.5.4 Op 9 januari 2025 kon dan ook worden vastgesteld dat [de werknemer] redelijke opdrachten (onderbouwen werkweigering, bezoeken Arbo-arts) niet was nagekomen. De gestelde grondslag voor een disciplinaire maatregel was dus feitelijk aanwezig.
3.5.5 Het onmiskenbare doel van de schorsing van 9 januari 2025 was, zoals blijkt uit de brief van die datum van CPS, dat de normovertreding werd gesanctioneerd: redelijke opdrachten moeten worden uitgevoerd. Dat is een belang dat CPS voldoende zwaarwegend mocht oordelen om tot het opleggen van een disciplinaire maatregel over te gaan. Juist omdat [de werknemer] de gegeven opdrachten, ondanks de eerste schorsing, bleef negeren, diende de tweede schorsing nog steeds het redelijke doel van sanctionering van de normovertreding.
3.5.6 Doordat de schorsing zonder behoud van loon was, werd [de werknemer] het inkomen onthouden dat hij nodig heeft om van te kunnen leven. Daarbij komt dat gesteld noch gebleken is dat aan [de werknemer] gedurende de 23 jaar van zijn dienstverband met CPS eerder een disciplinaire maatregel is opgelegd, dat hij zich voorafgaand aan 9 december 2024 aan werkweigering heeft schuldig gemaakt of dat zijn functioneren in die 23 jaar anderszins niet was zoals van een goed werknemer verwacht mag worden. Gelet op deze feiten en omstandigheden was het onthouden van loon onevenredig zwaar in relatie tot de ernst van het nalaten van [de werknemer]. CPS had met een lichtere sanctie (mondelinge of schriftelijke waarschuwing) kunnen en moeten volstaan.
3.5.7 Uit het voorgaande volgt dat het Hof de beslissing van het Gerecht de vordering van [de werknemer] tot doorbetaling van loon gedurende de tweede schorsing juist acht. Gelet op de aard van loon had [de werknemer] ook voldoende spoedeisend belang bij toewijzing in kort geding, ook al betreft het een geldvordering, en leidt een belangenafweging niet alsnog tot afwijzing. De grieven 1 tot en met 6 en 9 van CPS slagen niet.
Cementwerk (thema c)
3.6.1 Het Gerecht heeft CPS veroordeeld tot betaling van het basissalaris over de periode van de tweede schorsing omdat die schorsing onterecht werd geoordeeld. De vordering van [de werknemer] tot betaling van een gemiddeld bedrag voor overwerk en cementwerk over die periode is afgewezen. Tegen de afwijzing van de overwerkvergoeding is geen grief geformuleerd door [de werknemer], wel tegen de afwijzing van die tot betaling van cementwerk (Cg 636,37).
3.6.2 Onvoldoende aannemelijk is dat de bodemrechter het gevorderde bedrag zal toewijzen. Gesteld noch gebleken is namelijk dat [de werknemer], als hij per 9 januari 2025 weer tot het werk zou zijn toegelaten, de opdracht zou hebben gekregen om cementwerk te doen. Redengevend daarvoor is dat CPS, als gevolg van de nalatigheid van [de werknemer] om zich bij de Arbo-arts te melden, niet met voldoende zekerheid kon bepalen of [de werknemer] wel belast kon worden met dat (extra of extra zware) werk. Grief 2 van [de werknemer] slaagt niet.
Wedertewerkstelling (thema d)
3.7.1 Volgens CPS stond helemaal niet ter discussie dat [de werknemer] per 10 februari 2025 weer tot het werk zou worden toegelaten. Dat was tijdens de mondelinge behandeling van 4 februari 2025 uitdrukkelijk meegedeeld door CPS. Er was dus geen reden voor het Gerecht over die wedertewerkstelling per 10 februari 2025 te beslissen.
3.7.2 Het Gerecht heeft met de gebruikte formulering niet meer gedaan dan vastleggen wat CPS had meegedeeld. Daarmee is CPS in geen enkel belang getroffen. Haar grief 8 slaagt niet.
Proceskosten (thema e)
3.8.1 Het Gerecht heeft de proceskosten gecompenseerd op basis van de overweging dat partijen over en weer in het ongelijk zijn gesteld. Volgens CPS had de tweede schorsing juist geoordeeld moeten worden en hadden, in het verlengde daarvan, de vorderingen van [de werknemer] moeten worden afgewezen. CPS had dus als de volledig in het ongelijk gestelde partij moeten worden beschouwd en had in de proceskosten veroordeeld moeten worden. Uit het voorgaande volgt dat CPS hierin door het Hof niet wordt gevolgd. Haar grief 9 slaagt niet.
3.8.2 Volgens [de werknemer] was de kostencompensatie onjuist omdat het kort geding nodig was om per 10 februari 2025 tot het werk te worden toegelaten en omdat CPS veel kapitaalkrachtiger is dan [de werknemer].Deze argumenten doen er niet aan af dat [de werknemer] gedeeltelijk in het ongelijk is gesteld. Op die wettelijke grond zijn de proceskosten terecht gecompenseerd.
Slotsom
3.9.1 De grieven in het principaal hoger beroep slagen niet, die in het incidenteel hoger beroep evenmin. Het vonnis van het Gerecht wordt bevestigd.
3.9.2 In het principaal hoger beroep is CPS de in het ongelijk gestelde partij. Zij wordt daarom veroordeeld in de proceskosten van [de werknemer]. Deze bedragen:
- verschotten Cg 375,93 (betekening memorie van antwoord tevens memorie van grieven incidenteel hoger beroep)
- salaris gemachtigde Cg 5.000 (2,5 punt à Cg 2.000 per punt, tarief 5).
3.9.3 In het incidenteel hoger beroep is [de werknemer] de in het ongelijk gestelde partij. Hij wordt daarom veroordeeld in de proceskosten van CPS. Deze bedragen:
- verschotten Cg 375,93 (betekening memorie van antwoord incidenteel hoger beroep)
- salaris gemachtigde Cg 2.500 [2,5 punt à (0,5 x Cg 2.000) per punt, tarief 5].
B E S L I S S I N G
Het Hof in kort geding:
bevestigt het vonnis van het Gerecht van 18 februari 2025;
veroordeelt CPS, uitvoerbaar bij voorraad, in de kosten van de procedure aan de zijde van [de werknemer] gevallen in het principaal hoger beroep en begroot deze op
Cg 375,93 aan verschotten en Cg 5.000 aan salaris gemachtigde, vermeerderd met de wettelijke rente daarover met ingang van de vijftiende dag na dit vonnis en het nasalaris volgens liquidatietarief;
veroordeelt [de werknemer] in de kosten van de procedure aan de zijde van CPS gevallen in het incidenteel hoger beroep en begroot deze op Cg 375,93 aan verschotten en
Cg 2.500 aan salaris gemachtigde;
wijst af het meer of anders gevorderde.
Dit vonnis is gewezen door mrs. G.C.C. Lewin, W.P.M. ter Berg en E.P. van Unen, leden van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba en ter openbare terechtzitting van het Hof in Curaçao uitgesproken op 30 juni 2026 in tegenwoordigheid van de griffier.