ECLI:NL:OGHACMB:2026:179

Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba

Datum uitspraak
30 juni 2026
Publicatiedatum
8 juli 2026
Zaaknummer
AUA2025H00080
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 51 Rv Aruba
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging afwijzing verbod en vergoeding voor muziekuitzending zonder wettelijke grondslag

In deze zaak vordert de stichting Dutch Caribbean Performing Rights Organisation (Ducapro) een verbod op het uitzenden van muziek door Q-Waves N.V. zonder vergoeding, en subsidiair een gespecificeerde vergoeding totdat een bodemprocedure hierover beslist. Het Gerecht in eerste aanleg wees deze vorderingen af, waarna Ducapro hoger beroep instelde.

Het Hof overweegt dat het vonnis in kort geding moet worden afgestemd op het oordeel van de bodemrechter, de zogenaamde afstemmingsregel. In de bodemprocedure oordeelde het Gerecht dat Ducapro onvoldoende wettelijke grondslag heeft voor haar vorderingen, omdat de Arubaanse wetgeving ontbreekt die een structuur biedt voor het berekenen, incasseren en vergoeden van auteursrechten met toezicht op geldstromen.

Het Hof bevestigt dat zonder deze wettelijke structuur de contractuele basis van Ducapro ontoereikend is en dat er onvoldoende zekerheid is voor Q-Waves om een redelijke vergoeding te betalen. Er is geen reden om van de afstemmingsregel af te wijken. Het verzoek om een herhaald pleidooi wordt afgewezen en Ducapro wordt veroordeeld in de proceskosten.

Uitkomst: Het Hof bevestigt de afwijzing van het verbod en de vergoeding wegens het ontbreken van een wettelijke structuur voor auteursrechten in Aruba.

Uitspraak

Burgerlijke zaken over 2026
Zaaknummers: AUA2024000327 – AUA2025H00080
Uitspraak: 30 juni 2026 (in Curaçao)
GEMEENSCHAPPELIJK HOF VAN JUSTITIE
van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en
van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
V O N N I S
in kort geding in de zaak van:
de stichting
DUTCH CARRIBEAN PERFORMING RIGHTS ORGANISATION (DUCAPRO),
gevestigd in Curaçao,
in eerste aanleg eiseres, thans appellante,
gemachtigde: de advocaat mr. D.G. Kock,
tegen
de naamloze vennootschap
Q-WAVES N.V.,
gevestigd in Aruba,
in eerste aanleg gedaagde, thans geïntimeerde,
gemachtigde: de advocaat mr. G.M. Sjiem Fat.
Partijen worden hierna Ducapro en QW genoemd.

1.De zaak in het kort

In dit kort geding vordert Ducapro primair een verbod tot het uitzenden van muziek van auteurs en rechthebbenden die zij vertegenwoordigt door middel van uitzending door het door QW geëxploiteerde radiostation en subsidiair (voor het geval zodanig gebruik wordt toegestaan) een gespecificeerde vergoeding voor dat gebruik totdat in een bodemprocedure over een definitieve vergoeding is beslist.
Het Gerecht in eerste aanleg van Aruba (verder: het Gerecht) heeft in het bestreden vonnis van 2 april 2025 deze vorderingen afgewezen, met veroordeling van Ducapro in de proceskosten (ECLI:NL:OGEAA:2025:82).
Inmiddels is tussen partijen in een bodemzaak vonnis gewezen over dezelfde geschilpunten als in dit kort geding aan de orde zijn. Het Hof bevestigt het vonnis waarvan beroep op grond van de zogenaamde ‘afstemmingsregel’.
Verder wijst het Hof het verzoek om een herhaald pleidooi af.

2.Het verloop van de procedure

2.1
Ducapro heeft met een op 4 april 2025 ingediende akte hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van het Gerecht. Zij heeft op 23 april 2025 een memorie van grieven (met producties) ingediend waarin zij twee grieven heeft aangevoerd en heeft geconcludeerd dat het Hof haar beroep ontvankelijk zal verklaren, het vonnis waarvan beroep zal vernietigen, en haar vordering alsnog zal toewijzen, met veroordeling van QW in de kosten van beide instanties.
2.2
QW heeft op 12 juni 2025 een memorie van antwoord (met producties) ingediend en daarin geconcludeerd dat het Hof de vorderingen van Ducapro zal afwijzen en haar zal veroordelen in de proceskosten in hoger beroep.
2.3
Op 9 december 2025 hebben beide partijen pleitnotities overgelegd.
2.4
Bij e-mail van 20 mei 2026 heeft het Hof partijen verzocht zich uit te laten over de vraag of nog belang bestaat bij dit kort geding. Hierover hebben beide partijen zich uitgelaten bij akten van 22 mei 2026.
2.5
Bij akte van 15 juni 2026 heeft Ducapro op de voet van art. 51 Rv Pro gevorderd dat de zaak andermaal wordt bepleit, ditmaal mondeling op een pleitzitting.
2.6
Het vonnis is nader bepaald op heden.

3.De beoordeling

3.1
In dit kort geding heeft het Gerecht de vorderingen van Ducapro afgewezen. Primair vordert Ducapro een verbod van het gebruik van muziek van auteurs en rechthebbenden die Ducapro vertegenwoordigt door middel van uitzending door het door QW geëxploiteerde radiostation (op straffe van een dwangsom). Subsidiair vordert zij – voor het geval zodanig gebruik wordt toegestaan – betaling van een gespecificeerde vergoeding totdat in een bodemprocedure een definitieve vergoeding is vastgesteld.
Ducapro heeft aan haar vorderingen ten grondslag gelegd dat QW commercieel gebruik maakt van de rechten van de, door Ducapro vertegenwoordigde, auteurs en rechthebbenden op muziek door die muziek uit te zenden door haar radiostation, zonder dat zij daarvoor een vergoeding betaalt terwijl zij daartoe wel is gehouden.
3.2
De rechter die in kort geding beslist op een vordering tot het geven van een voorlopige voorziening nadat de civiele bodemrechter een vonnis in de hoofdzaak heeft gewezen, dient in beginsel zijn vonnis af te stemmen op het oordeel van die bodemrechter. Dat wordt de afstemmingsregel genoemd.
3.3
In een bodemzaak tussen partijen heeft, zo is het Hof ambtshalve bekend, het Gerecht op 10 juni 2026 (AUA202500984) uitspraak gedaan. In die bodemzaak heeft Ducapro gevorderd:
(1) voor recht te verklaren dat QW door het zonder toestemming van en/of zonder overeengekomen compensatie aan de door Ducapro – via BUMA/STEMRA – vertegenwoordigde auteurs of rechthebbenden op hun muzikale werken gebruik te maken van deze muzikale werken jegens deze auteurs en rechthebbenden onrechtmatig handelt;
(2) QW te verbieden gedurende de uitzendingen van het door haar geëxploiteerde radiostation gebruik te maken van de door Ducapro - via BUMA/STEMRA - vertegenwoordigde auteurs en overige rechthebbenden, op straffe van een dwangsom van Afl. 75 voor iedere dag of gedeelte van een dag dat dit gebod wordt overtreden;
(3) QW te bevelen ter zake van het voormeld onrechtmatig handelen jegens de door Ducapro - via BUMA/STEMRA - vertegenwoordigde auteurs en rechthebbenden op hun muzikale werken een schadevergoeding te betalen, op te maken bij staat;
(4) veroordeling van QW in de proceskosten;
(5) uitvoerbaarverklaring bij voorraad van de beslissingen op de vorderingen onder (1) tot en met (4).
3.4
Het Gerecht heeft deze vorderingen afgewezen en daartoe – kort samengevat – het volgende overwogen. Ducapro heeft zich gepresenteerd als een collectieve beheersorganisatie die gerechtigd is op te komen voor de belangen van auteurs van muzikale werken en andere rechthebbenden. Zij heeft dat gebaseerd op de zogenoemde mandaatovereenkomst die zij heeft gesloten met BUMA/STEMRA uit Nederland, maar ziet daarbij over het hoofd dat de wetgeving op grond waarvan BUMA/STEMRA voor de belangen van die auteurs en rechthebbenden kan en mag opkomen, in Aruba niet geldt. Er is in Aruba geen dan wel onvoldoende wettelijke structuur waarbinnen vergoedingen voor gebruik van auteursrechten kunnen worden berekend, geïncasseerd en vergoed aan de uiteindelijk rechthebbenden met een toezichtsysteem op deze geldstromen (er is geen governance structuur). Het is aan de wetgever om hierin verandering te brengen. De contractuele basis waarop Ducapro zich beroept is dus onvoldoende. Daardoor ontbreekt voor QW de zekerheid dat zij een redelijke vergoeding betaalt en niet teveel of zelfs dubbel betaalt. Bij gebreke van een wettelijke regeling – waarin eventueel de tarifering kan worden aangepast aan de Arubaanse economische context – ontbreekt een grondslag voor de vorderingen van Ducapro.
3.5
Afstemming van dit kort geding op dit oordeel van de bodemrechter impliceert dat de gevorderde voorlopige voorziening in het bestreden kort geding vonnis terecht is geweigerd. Bij gebreke van een wettelijke structuur voor de berekening, incasso en vergoeding aan de uiteindelijk rechthebbenden, met een toezichtsysteem op deze geldstromen, bestaat onvoldoende grondslag voor toewijzing van het primair gevorderde verbod en de subsidiair gevorderde vergoeding. De contractuele grondslag waarop Ducapro zich beroept is daartoe onvoldoende. Van een misslag in het vonnis van de bodemrechter, gewijzigde omstandigheden of een andere reden om van het in de afstemmingsregel neergelegde uitgangspunt af te wijken, is niet gebleken.
3.6
Gelet op de werking van de afstemmingsregel in deze zaak, staan de eisen van een goede procesorde eraan in de weg dat Ducapro wordt toegestaan andermaal te pleiten in deze zaak.
3.7
Als in het ongelijk gestelde partij wordt Ducapro veroordeeld in de kosten van de procedure. Die kosten bedragen Afl. 207,00 (exploot van betekening memorie van antwoord) en Afl. 5.000 salaris advocaat (2,5 punten tarief 5 à Afl. 2.000 per punt).
B E S L I S S I N G
Het Hof in kort geding:
bevestigt het vonnis van het Gerecht van 2 april 2025;
veroordeelt Ducapro in de kosten van de procedure in hoger beroep en begroot die kosten op Afl. 207,00 aan verschotten en Afl. 5.000 aan salaris advocaat;
wijst af wat meer of anders is gevorderd.
Dit vonnis is gewezen door mrs. G.C.C. Lewin, W.P.M. ter Berg en M.A. Loth, leden van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba, en ter openbare terechtzitting van het Hof in Curaçao uitgesproken op 30 juni 2026 in tegenwoordigheid van de griffier.