ECLI:NL:OGHACMB:2026:180

Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba

Datum uitspraak
8 juli 2026
Publicatiedatum
9 juli 2026
Zaaknummer
H-53/23
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 EVRMArt. 4 lid 1 Landsbesluit taken Landsrecherche
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling voormalig statenlid Aruba voor verduistering en gebruik valse geschriften

De verdachte, voormalig statenlid van Aruba, werd door het Gerecht veroordeeld voor medeplegen van verduistering en het opzettelijk gebruik van valse geschriften. Als bestuurder van een stichting die fractiegelden ontving, onttrok hij gelden voor eigen financieel gewin. Het Hof bevestigde deze veroordeling, matigde de straf licht vanwege overschrijding van de redelijke termijn en legde een gevangenisstraf van 23 maanden op, waarvan 6 maanden voorwaardelijk, en een geldboete van Afl. 35.000.

De verdediging voerde meerdere verweren aan, waaronder niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie wegens vormverzuimen, onrechtmatig verkregen bewijs en gebrek aan redelijk vermoeden van schuld. Het Hof verwierp deze verweren, oordeelde dat de Landsrecherche in de oriënterende fase rechtmatig informatie mocht verzamelen en dat er voldoende aanwijzingen waren voor het instellen van het strafrechtelijk onderzoek.

Het bewijs bestond uit bankafschriften, facturen, verklaringen van getuigen en analyses van girale en contante geldstromen van de stichting naar de verdachte en zijn privé-rekeningen. Nieuwe stukken in hoger beroep werden niet als doorslaggevend beoordeeld. Het Hof constateerde een overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep, matigde daarom de straf met één maand en bevestigde verder het vonnis van het Gerecht.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot 23 maanden gevangenisstraf (6 maanden voorwaardelijk) en een geldboete van Afl. 35.000 wegens verduistering en gebruik van valse geschriften.

Uitspraak

Zaaknummer: H-53/23
Parketnummer: 300.09307/21
Uitspraak: 8 juli 2026 Tegenspraak
Vonnis
gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van het Gerecht in eerste aanleg van Aruba (hierna: het Gerecht) van 24 maart 2023 in de strafzaak tegen de verdachte:
[verdachte],
geboren op [1972] op [land],
wonende te [adres].
Hoger beroep
Het Gerecht heeft de verdachte bij zijn vonnis ter zake van het onder 1 primair (medeplegen van verduistering gepleegd door de beheerder van een stichting, meermalen gepleegd) en onder 2 (opzettelijk gebruik maken van een vals geschrift als ware het echt en onvervalst, meermalen gepleegd) tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden, waarvan zes maanden voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren met aftrek van voorarrest én een geldboete van Afl. 35.000,-, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 120 dagen hechtenis. Voorts heeft het Gerecht het in beslag genomen geldbedrag van Afl. 15.000,- verbeurd verklaard.
De verdachte heeft hoger beroep ingesteld.
Omvang appel
Het Gerecht heeft de verdachte onder 2 partieel vrijgesproken voor:
  • een factuur met nummer #14-674 (door het Gerecht genummerd x); en
  • negentien facturen van [bedrijf 1] (door het Gerecht genummerd z).
Het hoger beroep is door de verdachte onbeperkt ingesteld en is daarmee mede gericht tegen voormelde partiële vrijspraken. Het Hof ziet de tenlastelegging van dit feit als een impliciet cumulatieve, in die zin dat er verschillende gevallen van valsheid respectievelijk gebruikmaken van valse/vervalste geschriften in één feit (door het Gerecht genummerd van v tot en met z) ten laste zijn gelegd. Het Hof is van oordeel dat de hiervoor onder x en z genoemde vrijspraken als beschermde vrijspraken moeten worden beschouwd, waartegen de verdachte geen hoger beroep kan instellen. Het Hof zal de verdachte daarom niet-ontvankelijk verklaren, voor zover het door hem ingestelde hoger beroep daartegen is gericht.
Onderzoek van de zaak
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting.
Het Hof heeft kennisgenomen van de vordering van de procureur-generaal,
mr. B.S. van Unnik, en van wat door de verdachte en zijn raadsman,
mr. A.C. Herrera, advocaat, naar voren is gebracht.
De procureur-generaal heeft gevorderd dat het Hof het vonnis waarvan beroep onder aanvulling van de bewijslevering ten aanzien van [bedrijf 2] zal bevestigen.
De raadsman heeft bepleit dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk wordt verklaard in de strafvervolging van de verdachte vanwege de door hem geconstateerde vormverzuimen, dan wel dat de verdachte zal worden vrijgesproken van het onder 1 (primair en subsidiair) en 2 ten laste gelegde, dan wel dat de verdachte voor die feiten zal worden ontslagen van alle rechtsvervolging. Ten slotte heeft de raadsman een strafmaatverweer gevoerd.
Vonnis waarvan beroep
Het Hof verenigt zich met het vonnis waarvan beroep en met de redengeving waarop dit berust, met dien verstande dat het Hof:
  • bewijsmiddel 3.3. zal verbeteren en zal aanvullen;
  • een overweging zal wijden aan de overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep en de opgelegde straf enigszins zal matigen, reden waarom in zoverre het vonnis zal worden vernietigd.
Het Hof zal ingaan op de ter zitting van de inhoudelijke behandeling in hoger beroep gevoerde verweren.
A] Bespreking van de in hoger beroep gevoerde verweren
I “Preliminair verweer”
Standpunt van de verdediging
De raadsman van de verdachte heeft ter terechtzitting bij wijze van “preliminair verweer” bepleit dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk moet worden verklaard in de strafvervolging van de verdachte wegens na te noemen ernstige niet-herstelbare vormverzuimen. De raadsman heeft daartoe het volgende naar voren gebracht:
1. Valse start
Op grond van het Landsbesluit taken Landsrecherche staat het personeel van de Dienst Landsrecherche Aruba onder bevel van de procureur-generaal. Alleen de procureur-generaal kan, op grond van artikel 4 lid 1 van Pro het Landsbesluit, een strafrechtelijk onderzoek naar bekleders van openbare ambtenaren en opsporingsambtenaren gelasten.
Op 6 november 2020 heeft de Financial Intelligence Unit (FIU) een rapport opgemaakt, dat door tussenkomst van een officier van justitie aan de Dienst Landsrecherche Aruba (hierna: Landsrecherche) is verstrekt. In het rapport is uitdrukkelijk vermeld dat de informatie in het rapport als inlichtingen moet worden gekwalificeerd. Indien men deze informatie voor andere doeleinden wil gebruiken is daarvoor voorafgaande toestemming nodig van de bevoegde autoriteiten van het Land/jurisdictie van de FIU.
Bij brief van 11 maart 2021 heeft de procureur-generaal naar aanleiding van een proces-verbaal van verdenking van de Landsrecherche (pagina 1263 e.v.) opdracht gegeven tot het instellen van een strafrechtelijk onderzoek (pagina 489).
Opmerkelijk is dat het hoofd van de Landsrecherche al op 2 februari 2021, en dus zonder last van de procureur-generaal en daarmee onrechtmatig de voorzitter van de Staten van Aruba om de jaarrekeningen van de [Stichting] heeft gevraagd (pagina 525). Gelet hierop moet de ontvangen reactie als onrechtmatig verkregen bewijs worden aangeduid. De onrechtmatige handelingen van het hoofd Landsrecherche van 2 februari 2021 en de op grond daarvan verkregen reactie zijn daarna als bouwstenen gebruikt voor het proces-verbaal van verdenkingen van 22 maart 2021.
Dit proces-verbaal van verdenking is gebaseerd op onrechtmatig verkregen bewijs en dient daarom buiten beschouwing te worden gelaten.
Door zo te handelen werd bovendien een grove inbreuk gepleegd op het beginsel van een goede procesorde en waren die handelingen ook in strijd met artikel 6 van Pro het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM), met name het beginsel van “eerlijk proces/fair trial”.
2. “ “Kip en ei-verhaal”
Bij brief van 11 maart 2021 heeft de procureur-generaal naar aanleiding van een proces-verbaal van verdenking van de Landsrecherche, dat op 22 maart 2021 is opgemaakt en gesloten, opdracht gegeven tot het instellen van een strafrechtelijk onderzoek. Deze tijdlijn klopt niet. Dit ruikt sterk naar antidatering door de Landsrecherche of door de procureur-generaal. Hoe dan ook kan dit niet worden geaccepteerd. Te meer daar uit de tussenbeslissing van het Hof van 15 april 2025 blijkt dat het Hof bewust heeft gedwaald en dat de tussenbeslissing van het Hof ten aanzien van dit punt onjuist is en op dit punt dient te worden vernietigd. Voornoemde antidatering vormt een onherstelbaar vormverzuim dat grove inbreuken op de beginselen van een behoorlijke procesorde heeft gemaakt en hierdoor het recht van de verdachte op een eerlijk proces bewust heeft gefrustreerd, met als gevolg dat niet met een ander rechtsgevolg kan worden volstaan dan met de niet-ontvankelijkheid van de procureur-generaal.
3. Weigering inzage MOT-meldingen
Op 9 februari 2026 heeft het Hof vastgesteld dat de nieuwe advocaat van de verdachte, zo nodig tijdens de zitting, gevolgen kan verbinden aan de afwijzing van de gedane verzoeken en het onderhavige verzoek van bedoelde startinformatie (MOT-meldingen). Het proces-verbaal van verdenkingen bevat feiten en omstandigheden die de verdenking steunen en die daardoor, door de verdediging moeten kunnen worden getoetst. Niet mag worden volstaan met een verwijzing naar de in de FIU-rapportage opgenomen aantekeningen. De argumenten in het proces-verbaal van verdenking die betrekking hebben op uitgebleven MOT-meldingen dienen van de bewijsmiddelen te worden uitgesloten.
Standpunt van het openbaar ministerie
De procureur-generaal heeft zich ter terechtzitting op het standpunt gesteld dat het preliminaire verweer moet worden afgewezen omdat geen sprake is van (onherstelbare) vormverzuimen. De procureur-generaal merkt op dat in artikel 4, eerste lid, van het Landsbesluit taken Landsrecherche iets anders staat vermeld dan dat de raadsman van de verdachte stelt. De procureur-generaal merkt verder op dat de procureur-generaal op 11 maart 2021 opdracht heeft gegeven tot het starten van een strafrechtelijk onderzoek. Die beslissing is genomen op grond van informatie die daarvoor al is ontvangen en die uiteindelijk in het op 22 maart 2021 gesloten proces-verbaal is neergelegd.
Oordeel van het Hof
Als het Hof de raadsman onder 1 goed begrijpt gaat het erom dat de Landsrecherche de voorzitter van de Staten van Aruba op 2 februari 2021 heeft verzocht om de jaarrekeningen van de Stichting over de periode van 2017 tot heden, terwijl de opdracht van procureur-generaal voor een strafrechtelijk onderzoek van 11 maart 2021 dateert. Het Hof overweegt dat het de politie vrijstaat om in de periode voordat een formeel strafrechtelijk onderzoek wordt gestart al informatie te vergaren, bijvoorbeeld naar aanleiding van verkregen (start)informatie, zoals in dit geval is gebeurd naar aanleiding van het FIU-rapport. In deze oriënterende fase mag de politie bijvoorbeeld (anonieme) meldingen analyseren, openbare bronnen raadplegen en op basis van vrijwilligheid informatieverzoeken doen. Dat laatste is wat de Landsrecherche bij brief van 2 februari 2021 heeft gedaan. In het proces-verbaal van verdenking staat opgemerkt dat de jaarrekeningen van de stichtingen van politieke partijen bij de Staten van Aruba openbaar zijn. Dit is niet betwist. Zonder nadere onderbouwing, die niet is gegeven, vermag het Hof niet in te zien, waarom in dit geval sprake is van een onrechtmatige handeling en in het verlengde daarvan waarom het proces-verbaal van verdenking, nog daargelaten dat dit niet voor het bewijs is gebezigd, buiten beschouwing moet worden gelaten. Gelet daarop is evenmin sprake van een inbreuk op het beginsel van een goede procesorde en strijd met het bepaalde in artikel 6 EVRM Pro.
De raadsman heeft onder 2 bepleit dat sprake is van antidatering door de Landsrecherche of de procureur-generaal. Dit leidt hij af uit het feit dat in de brief van de procureur-generaal van 11 maart 2021 wordt verwezen naar een proces-verbaal (het Hof begrijpt het proces-verbaal van verdenking van 22 maart 2021).
Hoewel het Hof zich kan voorstellen dat de verwijzing in de brief van 11 maart 2021 naar een proces-verbaal dat op 22 maart 2021 is afgesloten en ondertekend enige bevreemding wekt, is dit niet voldoende om aan te nemen dat sprake is van antidatering. Een proces-verbaal kan gedurende een langere periode worden opgemaakt en worden aangevuld en wordt niet zelden pas op een later moment formeel gesloten. De sluitingsdatum van een proces-verbaal behoeft daarom niet samen te vallen met het moment waarop de daarin opgenomen bevindingen zijn verricht of vastgelegd. De procureur-generaal heeft ter terechtzitting verklaard dat er in die periode al overleg plaatsvond tussen het openbaar ministerie en de Landsrecherche. Het is dan ook goed mogelijk dat ten tijde van het opstellen van de brief reeds een conceptversie van het proces-verbaal beschikbaar was. Wat daarvan ook zij, uit voornoemde omstandigheid alleen kan niet worden afgeleid dat de brief van 11 maart 2021 valselijk is opgemaakt of van een onjuiste datum is voorzien. Nu ook overigens concrete aanwijzingen voor manipulatie van de stukken of bewuste antidatering ontbreken, mist het verweer feitelijke grondslag. Het verweer wordt dan ook verworpen.
Overigens merkt het Hof nog op dat het van oordeel is dat er op het moment dat de procureur-generaal de opdracht gaf tot het doen van het strafrechtelijk onderzoek
– gelet op de informatie uit het FIU-rapport in combinatie met de van de Staten verkregen informatie, beide gedateerd vóór de datum van de opdracht – sprake was van een verdenking van betrokkenheid bij strafbare feiten zoals in het later gesloten proces-verbaal van verdenking genoemd, zoals hierna bij het bespreken van overige verweren nader zal worden toegelicht.
De raadsman heeft onder 3 bepleit dat de argumenten in het proces-verbaal van verdenking die betrekking hebben op de niet verstrekte MOT-meldingen van het bewijs dienen te worden uitgesloten, omdat de verdediging deze niet heeft kunnen toetsen. Het Hof laat de juistheid van hetgeen de raadsman heeft gesteld in het midden, aangezien het Hof het proces-verbaal van verdenking dan wel de daarin opgenomen argumenten niet voor het bewijs zal bezigen. Het verweer van de raadsman behoeft daarom geen nadere bespreking. Daar komt bij dat de raadsman heeft nagelaten te onderbouwen waarom het niet verstrekken aan de verdachte van die MOT-meldingen in dit geval moet leiden tot de niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie. In zoverre verwerpt het Hof het verweer.
Het Hof verwerpt aldus de verweren.
II Overige verweren - vormverzuimen
De raadsman heeft onder 1 van zijn pleitnota opnieuw en goeddeels op dezelfde gronden als hiervoor onder 3 bij het preliminaire verweer, bepleit dat de argumenten in het proces-verbaal van verdenking die betrekking hebben op de uitgebleven MOT-meldingen van de bewijsmiddelen dienen te worden uitgesloten. Het Hof herhaalt hier hetgeen het hiervoor onder punt 3 heeft overwogen, namelijk dat het voornoemd proces-verbaal en de daarin opgenomen argumenten niet voor het bewijs zal gebruiken. Het verweer behoeft derhalve geen nadere bespreking.
Als het Hof de raadsman onder 2 van zijn pleitnota goed begrijpt, houdt zijn standpunt in dat er op het moment dat de procureur-generaal opdracht gaf tot het instellen van een strafrechtelijk onderzoek geen sprake was van een redelijk vermoeden van schuld en er sprake was van een valse verdenking. Volgens de raadsman is het proces-verbaal van verdenking inhoudelijk gelijk aan het FIU-rapport, dat slechts als startinformatie kan worden gebruikt. De raadsman heeft ter onderbouwing van zijn stelling gewezen op de Regeling Ondersteuning Fracties in de Staten van Aruba waaruit hij afleidt dat overtreding van deze Regeling op zichzelf geen strafbaar feit oplevert en op de civielrechtelijke overeenkomst die op 24 juni 2019 is gesloten tussen het Land Aruba en de Stichting.
Het Hof dient dus te beoordelen of de procureur-generaal op 11 maart 2021 op basis van de op dat moment aanwezige informatie de opdracht mocht geven tot het instellen van een strafrechtelijk onderzoek. Het Hof constateert dat op 11 maart 2021 het rapport van de FIU van 6 november 2020 beschikbaar was én de reactie van de voorzitter der Staten van Aruba van 5 februari 2021. Dat de verdenking enkel is gebaseerd op de informatie uit het FUI-rapport, is derhalve onjuist.
Uit de beschikbare informatie kan worden afgeleid dat op de privé bankrekening van de verdachte grote bedragen zijn bijgeschreven die afkomstig waren van de Stichting (die is opgericht om de fractiegelden van de politieke partij [naam] te ontvangen van het Land Aruba), dat de verdachte (een deel van) die geldbedragen heeft overgemaakt naar zijn privé spaarrekening en dat hij een contant geldbedrag heeft opgenomen van de bankrekening van de Stichting. Uit de analyse van zijn bankgegevens is niet gebleken dat hij kosten voor de Stichting heeft gemaakt. Daarnaast is gebleken dat de Stichting sinds 2018 geen jaarrekeningen heeft ingediend bij de Staten van Aruba.
Dit, gevoegd bij het feit dat die gelden, volgens de Regeling Ondersteuning Fracties in de Staten van Aruba, aan de Stichting worden verstrekt ten behoeve van het optimaal functioneren van de fractie, rechtvaardigt – naar het oordeel van het Hof – dat er ten tijde van het geven van de opdracht tot het instellen van een strafrechtelijk onderzoek ten aanzien van de verdachte een redelijk vermoeden bestond van schuld aan meerdere strafbare feiten zoals in het proces-verbaal van verdenking genoemd, waaronder verduistering, zoals later ook tenlastegelegd.
Het verweer wordt dan ook verworpen.
III Overwegingen - ten aanzien van bij inhoudelijke behandeling genoemde nieuwe stukken in hoger beroep
1) De raadsman heeft ter terechtzitting een door notaris mr. H. Linsen opgemaakte verklaring onder ede van [getuige 1] overgelegd. Deze verklaring is opgemaakt op 8 september 2023 en houdt in:

My name is [getuige 1] and I declare the following. For a short period I worked as treasurer for the political party [naam]. On September 21, 2020, I received an amount of 18.000 AWG in cash on behalf of the party [naam] from [de verdachte]. The amount of AWG 18.000 in cash comes from [Stichting] and concerns reimbursement for salary payment from [persoon 1] (former [naam] fraction worker). I would like to emphasize again that the abovementioned amount has been used specifically to pay outstanding bills of services already provided in benefit of the party and the 2021 political campaign.”
Het Hof stelt voorop dat het verbazing wekt dat een verklaring die kennelijk al in 2023 is opgemaakt pas tijdens de inhoudelijk behandeling van deze zaak in hoger beroep in 2026 door de verdediging aan het Hof wordt overgelegd. Onbekend is bovendien hoe en wanneer de verdediging in het bezit is gekomen van deze verklaring. De verdediging heeft op dit punt geen nadere toelichting gegeven.
Het Hof constateert ook dat de door de getuige getekende verklaring, anders dan in de akte is vermeld, niet aan de akte is gehecht.
Los daarvan valt op dat de verklaring erg algemeen is geformuleerd. Concrete redenen van wetenschap ontbreken, immers hoe weet de getuige dat het cash bedrag dat hij van [de verdachte] ontving van de Stichting afkomstig was, hoe weet hij dat het om een terugbetaling ging van het salaris van [persoon 1] en hoe weet hij dat het geld was gebruikt voor terugbetaling van openstaande rekeningen. Daarnaast vraagt het Hof zich af hoe de verklaring dat het geld een terugbetaling van het salaris van [persoon 1] betrof en de verklaring dat het geld was gebruikt voor de betaling van opstaande rekeningen voor diensten die reeds zijn verleend ten behoeve van de partij en de politieke campagne van 2021 zich met elkaar verhouden. Daar komt nog bij dat de stellingen van de getuige in het geheel niet nader zijn onderbouwd.
Gelet op al het voorgaande zal het Hof geen acht slaan op de door de raadsman overgelegde akte.
2) Op 6 februari 2025 is bij de rechter-commissaris als getuige gehoord [getuige 2], de broer van de verdachte. Hij heeft verklaard dat zijn vader advieswerkzaamheden verrichtte. Hij weet niet wat voor adviezen, maar wel dat het om verschillende adviezen ging. Zijn vader hielp de verdachte vanaf het moment dat hij parlementariër werd (het Hof begrijpt: in het najaar van 2017) en dat hij dit deed in de periode van 2018 tot en met 2020 (het Hof merkt op dat de vader van de getuige en de verdachte is overleden op 2 november 2019). Hij weet dat de verdachte zijn vader betaalde omdat de getuige dit geld voor zijn vader in een doos bewaarde. Het ging om Afl. 3.000 per maand. Hij heeft al het geld aan zijn vader gegeven om dingen te betalen.
Het Hof noemt in dit verband ook de brief van [getuige 3], de stiefmoeder van de verdachte, van 12 februari 2024, inhoudende dat haar man voor zijn overlijden ongeveer Afl. 3.000 per maand ontving voor zijn advieswerk voor de verdachte.
Het Hof constateert dat deze verklaringen in lijn liggen met de verklaringen die familieleden en bekenden van de verdachte en zijn vader in 2022 bij de rechter-commissaris hebben afgelegd.
Het Hof verwijst op dit punt naar hetgeen het Gerecht heeft overwogen, in het bijzonder inhoudende dat de betreffende verklaring niet wordt ondersteund door enig objectief bewijs en dat die verklaring bovendien op gespannen voet staat met hetgeen door het Gerecht (pagina 14 tot en met 16 van het vonnis van 24 maart 2023) is overwogen. Het Hof heeft geen enkele reden daar thans anders over te denken.
Ten aanzien van de verklaring van de stiefmoeder van de verdachte valt op dat zij met geen woord rept over de cashbetalingen van de verdachte aan zijn vader en de rol van schatkistbewaarder van haar andere stiefzoon.
3) Op 10 maart 2025 is [getuige 4] als getuige door de rechter-commissaris gehoord. Hij heeft bij die gelegenheid verklaard dat hij blijft bij wat hij op 16 december 2021 bij de Landsrecherche heeft verklaard, kort gezegd, inhoudende dat hij namens [bedrijf 1] veel werk voor de verdachte heeft verricht, maar dat de verdachte een slechte betaler was. Gelet daarop geeft de door [getuige 4] op 10 maart 2025 afgelegde getuigenverklaring geen reden tot aanpassing van hetgeen het Gerecht te dien aanzien in het vonnis van 24 maart 2023 heeft overwogen.
Concluderend overweegt het Hof dat aangehaalde nieuwe stukken in hoger beroep, geen nieuw licht op de zaak werpen, althans niet maken dat het Hof anders heeft te oordelen dan het Gerecht heeft gedaan.
B] Het Hof verbetert en vult bewijsmiddel 3.3 als volgt aan.
3.3. Een proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt in de wettelijke vorm op 13
april 2021 door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar (map 2, 613
e.v.). Voornoemd proces-verbaal houdt in als bevindingen van
verbalisant voornoemd:
De Stichting heeft [bankrekeningnummer]. Bestuursleden [de verdachte] en [bestuurslid 2] zijn volledig geautoriseerd op deze bankrekening en hebben elk een bankpasje. De inkomsten op deze bankrekening komen van Directie Financiën. De volledige inkomsten van de Stichting bedragen vanaf 14 september 2018 tot en met 17 maart 2021 een bedrag van Afl. 497.310.
Girale overboekingen
De Stichting heeft girale overboekingen gedaan naar de zakelijke rekening van de echtgenote van de verdachte ([bedrijf 3]) en de privé betaalrekening van de verdachte (Aruba Bank [rekeningnummer]).
(map 2, pagina 615)
Datum
Bedrag
Girale overboeking van de bankrekening van de Stichting naar
1
31-12-2018
1.5
[bedrijf 3]
Aruba Bank [rekeningnummer]
2
20-02-2019
104
[bedrijf 3]
Aruba Bank [rekeningnummer]
3
24-09-2019
50
Privérekening verdachte
Aruba Bank [rekeningnummer]
Voorschot payments [Stichting]
4
25-09-2019
50
Privérekening verdachte
Aruba Bank [rekeningnummer]
Voorschot payments [Stichting]
5
25-10-2019
15
Privérekening verdachte
Aruba Bank [rekeningnummer]
payments [Stichting]
6
05-02-2020
6.25
Privérekening verdachte
Aruba Bank [rekeningnummer]
payments [Stichting]
7
12-03-2020
4.5
Privérekening verdachte
Aruba Bank [rekeningnummer]
payments [naam] Billing Media Coverage Maart 2020
8
27-03-2020
4.5
Privérekening verdachte
Aruba Bank [rekeningnummer]
payments [naam] Billing Media Coverage April 2020
9
09-04-2020
6
Privérekening verdachte
Aruba Bank [rekeningnummer]
payments [naam] Billing Media Coverage April 2020
10
11-05-2020
4.5
Privérekening verdachte
Aruba Bank [rekeningnummer]
payments [naam] Billing Media Coverage Mei 2020
11
19-06-2020
4.5
Privérekening verdachte
Aruba Bank [rekeningnummer]
payments [naam] Billing Media Coverage Juni 2020
Nadere opmerkingen van het Hof
[bedrijf 3]
Uit bovenstaand schema blijkt dat de Stichting
Afl. 1.604rechtstreeks heeft overgemaakt naar [bedrijf 3]. Uit de verklaring van de verdachte, zoals weergegeven bij bewijsmiddel 1, volgt dat de verdachte het betreffende rekeningnummer aan de Stichting heeft gegeven.
[bedrijf 2]
Uit de verklaring van de verdachte, zoals weergegeven bij bewijsmiddel 1, volgt dat van de bankrekening van de Stichting op 24 en 25 september 2019 en 25 oktober 2019 in totaal
Afl. 65.050naar zijn privérekening is overgemaakt en dat de verdachte ter verantwoording hiervan een factuur genummerd #26 van [bedrijf 2] op 17 januari 2020 per e-mail naar [bestuurslid 2]heeft gestuurd. Factuur #26 van [bedrijf 2] bedroeg Afl. 68.745,75 (zoals weergegeven in bewijsmiddel 4.1).
[bedrijf 1]
Uit de verklaring van de verdachte, zoals weergegeven bij bewijsmiddel 1, volgt dat de Stichting in de periode van 5 februari 2020 tot en met 19 juni 2020 ter zake van facturen van [bedrijf 1]
Afl. 30.250giraal heeft overgemaakt naar de verdachte. De verdachte heeft ter verantwoording van die betalingen negentien facturen naar [bestuurslid 2] gestuurd. Uit de verklaring van [bestuurslid 2], zoals weergegeven bij bewijsmiddel 2.4, blijkt dat zij de betreffende geldbedragen naar de privérekening van de verdachte heeft overgemaakt.
Contante opnamen
Daarnaast zijn er
contante opnamengedaan van de bankrekening van de Stichting in de periode van 5 augustus 2020 tot en met 24 maart 2021.
Door de verdachte (map 2, pagina 616)
Datum opname
Bedrag
05-08-2020
4
07-08-2020
4.5
04-09-2020
4
21-09-2020
18
06-10-2020
4
29-10-2020
4
18-11-2020
4
24-12-2020
4
28-01-2021
4
17-02-2021
4
12-03-2021
5
24-03-2021
5
Totaal
64.5
Uit de verklaring van de verdachte, zoals weergegeven onder bewijsmiddel 1, blijkt dat hij in de periode van 5 augustus 2000 tot en met maart 2021 een bedrag van
Afl. 46.500contant heeft opgenomen in verband met facturen van [bedrijf 1] en op 21 september 2020 een bedrag van
Afl. 18.000in verband met [bedrijf 4].
Door [bestuurslid 2], voor zover hier relevant (map 2, pagina 617)
28-05-2019
50
Uit de verklaring van de verdachte, zoals weergegeven onder bewijsmiddel 1, volgt dat de verdachte de helft van het op 28 mei 2019 door [bestuurslid 2] opgenomen geldbedrag heeft ontvangen. Daarvan had Afl. 3.000 betrekking op [bedrijf 2] en de rest (Afl. 22.000), zo blijkt uit bewijsmiddel 2.3, op [bedrijf 1] (factuur #15).
30-11-2020
11
Uit bewijsmiddel 1 in combinatie met bewijsmiddel 2.3 blijkt dat de verdachte op 30 november 2020 een bedrag van Afl. 10.000 heeft ontvangen van [bestuurslid 2]. De facturen EA2020 en 326-12 van [bedrijf 1] horen hierbij. Een bedrag van Afl. 1000 heeft [bestuurslid 2] nog in haar bezit.
Aldus heeft de verdachte in verband met facturen van [bedrijf 1] een bedrag van
Afl. 32.000contant van [bestuurslid 2] ontvangen.
C] Overschrijding redelijke termijn in hoger beroep
Het Hof heeft geconstateerd dat sprake is van een schending van het recht van de verdachte op behandeling van zijn strafzaak in hoger beroep binnen een redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, EVRM. Het appel is ingesteld op 24 maart 2023 en het Hof doet vandaag, ruim drie jaar later, uitspraak.
De behandeling van het hoger beroep heeft om meerdere redenen veel tijd gevergd. Er zijn enerzijds bijzondere omstandigheden aan te wijzen die het gevolg zijn van omstandigheden die voor rekening komen van de verdediging. Anderzijds heeft het Hof te maken met volle zittingsroosters en kon de behandeling van de zaak niet steeds zo snel als wenselijk was worden ingepland. Er is een eerste regiezitting geweest op 9 oktober 2024. Naar aanleiding van de gedane verzoeken, heeft het Hof op 31 oktober 2024 beslist dat een tweetal getuigen dienden te worden gehoord.
Dat is gebeurd en de inhoudelijke behandeling van de zaak zou – binnen de geldende redelijke termijn van twee jaar – plaatsvinden op 25 maart 2025. In de tussentijd wisselde de verdachte van advocaat en de nieuwe raadslieden dienden meerdere (voor een groot deel herhaalde) onderzoekswensen in. De behandeling daarvan op 25 maart 2025 vergde veel tijd. Ook bleek dat de nieuwe raadslieden niet over alle stukken beschikten, het dossier was naar hun zeggen niet goed overgedragen door de vorige raadsvrouw. Dat tezamen maakte dat de inhoudelijke behandeling niet door kon gaan.
Het Hof heeft de verzoeken bij beslissing van 15 april 2025 afgewezen. In overleg met de raadslieden werd een nieuwe datum voor inhoudelijke behandeling gepland, te weten 25 november 2025. Zeer kort voor die zitting lieten de raadslieden weten de verdachte niet langer bij te staan vanwege het niet nakomen van financiële verplichtingen en verschillen van inzicht over de te volgen strategie in hoger beroep. De verdachte is ter zitting verschenen en gaf aan nog geen nieuwe advocaat te hebben. Inhoudelijke behandeling van de strafzaak kon wederom niet plaatsvinden.
Het Hof heeft de verdachte de tijd gegeven om een nieuwe advocaat te zoeken en de zaak daartoe aangehouden tot de zitting van 9 februari 2026 opdat op die zitting nadere afspraken konden worden gemaakt in bijzijn van de nieuwe advocaat. Op genoemde zitting in februari 2026 gaf de verdachte aan een nieuwe advocaat te hebben. De behandeling van de zaak is toen aangehouden tot 3 juni 2026 voor inhoudelijke behandeling.
Gelet op de geschetste gang van zaken, is de lange duur van de behandeling van de strafzaak in hoger beroep voor een belangrijk deel het gevolg van omstandigheden die op de weg van de verdachte en diens raadslieden liggen. Anderzijds is het ook zo dat het rooster van het Hof zeer vol is en om die reden sommige zittingen niet eerder plaats konden vinden. Dat maakt dat het Hof in dit geval in enige (zij het beperkte) mate aanleiding ziet om in strafmatigende zin rekening te houden met de lange duur, in die zin dat het Hof het onvoorwaardelijk deel van de opgelegde gevangenisstraf met een maand verlaagt.
BESLISSING
Het Hof:
verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover het betreft het onder feit 2 sub x en sub z tenlastegelegde;
vernietigt het vonnis van het Gerecht voor wat betreft de opgelegde straf.
bevestigt het vonnis van het Gerecht voor het overige (met inachtneming van hetgeen hiervoor is overwogen).
Dit betekent dat het dictum verder luidt als volgt:
verklaart wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 primair en 2, voor zover nog aan de orde, ten laste gelegde heeft begaan;
verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte onder 1 primair en 2 meer of anders ten laste is gelegd en spreekt hem daarvan vrij;
verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor omschreven en verklaart de verdachte daarvoor strafbaar;
veroordeelt de verdachte tot een
gevangenisstrafvoor de
23 (drieëntwintig) maanden;
bepaalt dat van deze straf een gedeelte, groot
6 (zes maanden)niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de veroordeelde zich voor het einde van een
proeftijd van 3 (drie) jarenaan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt;
beveelt dat de tijd die door de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht;
veroordeelt de verdachte tot een
geldboetevan
Afl. 35.000, bij gebreke van betaling
en verhaal te vervangen door 120 dagen hechtenis;
Verklaart verbeurd het onder de verdachte in beslag genomen en nog niet teruggegeven geldbedrag van
Afl. 15.000(vijftienduizend gulden).
Dit vonnis is gewezen door mr. J.A.W. van ’t Westeinde, voorzitter,
mr. M.L.A. Angela en mr. P.P.C.M. Waarts, leden van het Hof, bijgestaan door
mr. J. Mulder, griffier, en is op 8 juli 2026 uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof in Curaçao met een directe beeld- en geluidsverbinding met het gerechtsgebouw in Aruba.