ECLI:NL:OGHACMB:2026:183

Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba

Datum uitspraak
22 juni 2026
Publicatiedatum
9 juli 2026
Zaaknummer
HAR-58/26
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Raadkamer
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 57 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek tot toelating niet-ingeschreven advocaat wegens ontbreken bijzonder geval

In deze zaak verzocht mr. Y. Moszkowicz, een advocaat niet ingeschreven bij het Gemeenschappelijk Hof, om toegelaten te worden als raadsman van de verdachte in samenwerking met een bij het Hof ingeschreven advocaat, mr. M.B. Boyce. De procureur-generaal verzette zich aanvankelijk tegen het verzoek, maar trok dit bezwaar in na het desisteren van eerdere advocaten van de verdachte.

Na de raadkamerzitting op 16 juni 2026 ontving het Hof een desisteerbrief van mr. Boyce, waarin zij zich onttrok aan de zaak. Hierdoor was er geen bij het Hof ingeschreven advocaat meer die samenwerkte met mr. Moszkowicz, wat een vereiste is volgens artikel 57, tweede lid, Sv. Het Hof oordeelde daarom dat het verzoek reeds op formele gronden moest worden afgewezen.

Daarnaast overwoog het Hof dat er geen sprake was van een bijzonder geval dat toelating van een niet-ingeschreven advocaat zou rechtvaardigen. De zaak werd niet als juridisch of bewijsmatig dermate complex beschouwd dat de expertise van de bij het Hof ingeschreven advocaten onvoldoende zou zijn. Ook de maatschappelijke impact en de vertrouwensrelatie tussen verdachte en mr. Moszkowicz waren onvoldoende om een uitzondering te maken.

Het Hof concludeerde dat het verzoek niet kon worden toegewezen en wees het af. De beschikking werd op 22 juni 2026 in Curaçao op schrift gesteld door de leden van het Hof en de griffier.

Uitkomst: Het verzoek tot toelating van mr. Y. Moszkowicz als niet-ingeschreven advocaat wordt afgewezen wegens het ontbreken van een bijzonder geval en het ontbreken van samenwerking met een ingeschreven advocaat.

Uitspraak

Zaaknummer: HAR-58/26
Parketnummer: 2026/00031
Datum beschikking: 22 juni 2026
Beschikking op het verzoek van
mr. Y. Moszkowicz, advocaat in Nederland, mede namens mr. M.B. Boyce, advocaat in Aruba, en namens
[naam verdachte],
geboren op [geboortedag] in [geboorteland],
wonende in [woonplaats],
thans gedetineerd in [naam penitentiaire inrichting] in [naam van het land],
ingediende verzoek om mr. Y. Moszkowicz, die niet bij het Hof staat ingeschreven, op de voet van artikel 57, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering (Sv) toe te staan om in samenwerking met mr. M.B. Boyce als raadsman op te treden in de strafzaak.

1.Het onderzoek van de zaak

1.1.
Deze beschikking is gegeven naar aanleiding van het verzoekschrift d.d. 20
mei 2026, de aanvulling daarop d.d. 15 juni 2026 en de behandeling van het verzoek in raadkamer van het Hof op 16 juni 2026 in Curaçao. Via een directe beeld- en geluidsverbinding zijn aanwezig:
- in het gerechtsgebouw in Aruba: de procureur-generaal, mr. C.D. Kardol, de tolk en mr. M.B. Boyce;
- in [naam penitentiaire inrichting]: de verdachte;
- in Nederland: mr. Y. Moszkowicz.
1.2
De beide andere advocaten die zich voor de verdachte in een eerder stadium hadden gesteld, mrs. D. Illes en D.L. Emerencia, beiden advocaat in Aruba, hebben op 12 juni 2026 schriftelijk gedesisteerd.
1.3
Op 15 juni 2026 heeft de verdachte schriftelijk medegedeeld dat zij wenst
dat mr. Moszkowicz haar als raadsman vertegenwoordigt. Zij heeft dit in raadkamer uitdrukkelijk bevestigd.
1.4
Het Hof heeft kennisgenomen van het schriftelijk standpunt d.d. 1 juni 2026
van de procureur- generaal en de aanvulling daarop d.d. 15 juni 2026.
De procureur-generaal heeft zich in haar (eerste) schriftelijk standpunt tegen het verzoek verzet wegens het feit dat er geen sprake is van een bijzonder geval als bedoeld in artikel 57, tweede lid, Sv. In raadkamer heeft zij, in lijn met haar aanvullend schriftelijk standpunt, medegedeeld niet langer bezwaar te hebben tegen de toelating van mr. Moszkowicz, gelet op de desisteerbrieven en de daardoor ontstane feitelijke situatie, mede bezien in het licht van het belang dat de verdachte dient te kunnen beschikken over adequate, zelfgekozen rechtsbijstand.
1.5.
Op 17 juni 2026 – dus na de behandeling in raadkamer - heeft het Hof van
mr. Boyce een brief ontvangen – met als onderwerp “P-2026/00031 desisteerbrief [naam verdachte] - waarin zij meedeelt zich met onmiddellijke
ingang te “distantiëren van de strafzaak, althans haar actieve betrokkenheid
daaraan op te schorten”. Op dezelfde datum heeft het Hof zowel van
mr. Moszkowicz als van de procureur-generaal schriftelijk het verzoek
ontvangen om de brief van mr. Boyce mee te nemen bij de (spoedig) te
nemen beslissing.

2.De beoordeling

2.1.
Het Hof kan in een verzoek tot toelating van een niet-ingeschreven advocaat
slechts voorzien, indien sprake is van een bijzonder geval als bedoeld in artikel 57, tweede lid, Sv. Daarbij geldt dat dit enkel is toegestaan als deze advocaat samenwerkt met een bij het Hof ingeschreven advocaat.
2.2.
In dit kader overweegt het Hof dat de brief van mr. Boyce van 17 juni 2016 niet anders kan worden begrepen dan als een desisteerbrief. Daarbij neemt het Hof in aanmerking dat zij de brief in de aanhef zelf als een “desisteerbrief” aanduidt, terwijl ook uit de verdere inhoud ondubbelzinnig blijkt dat zij zich als raadsvrouw aan de zaak onttrekt. De op diezelfde datum verstrekte schriftelijke nadere toelichting van mr. Moskowicz leidt niet tot een ander oordeel.
Gelet hierop is de feitelijke situatie nu dat geen sprake meer is van een bij het Hof ingeschreven advocaat die, overeenkomstig artikel 57, tweede lid, Sv, samenwerkt met een niet-ingeschreven advocaat. Nu niet langer aan deze wettelijke voorwaarde is voldaan, dient het verzoek dan ook reeds op deze formele grond te worden afgewezen.
2.3.
Voorts overweegt het Hof als volgt. Een verzoek als bedoeld in artikel 57,
tweede lid, Sv kan alleen worden toegewezen indien sprake is van een bijzonder geval. Uit eerdere beslissingen van het Hof volgt dat daarvan onder meer sprake kan zijn bij zaken met een grote maatschappelijke impact, zaken die naar hun aard of omvang bijzonder complex zijn en/of zaken die een specifieke deskundigheid vereisen waarover de bij het Hof ingeschreven advocaten niet of onvoldoende beschikken. Daarnaast kan betekenis toekomen aan de omstandigheid dat de buitenlandse advocaat de verdachte reeds eerder heeft bijgestaan en tussen hen een vertrouwensrelatie is ontstaan. Deze omstandigheden kunnen zowel afzonderlijk als in onderlinge samenhang worden betrokken bij de beoordeling of sprake is van een bijzonder geval.
2.4.
In de onderhavige zaak stelt mr. Moszkowicz dat sprake is van een grote
maatschappelijke impact van de zaak met een bijzondere juridische en bewijsmatige complexiteit. Daarbij voert mr. Moskowicz aan dat hij over specialistische expertise beschikt die niet, althans niet in voldoende mate wordt aangetroffen bij de advocaten die bij het Hof zijn ingeschreven. Voorts is sprake van een vertrouwensrelatie tussen mr. Moskowicz en de verdachte, nu zij, gelet op zijn hiervoor genoemde expertise en de mogelijkheid van consistente bijstand tot en met een eventuele appel- en cassatieprocedure, uitdrukkelijk heeft gekozen voor zijn rechtsbijstand. Tot slot kan een externe advocaat de vereiste professionele distantie beter waarborgen, aangezien hij geen banden heeft met de eilandgemeenschap.
2.5.
Het Hof is allereerst van oordeel dat de onderhavige zaak niet van dien aard
is dat voor de verdediging daarvan bijzondere expertise is vereist die niet in voldoende mate wordt aangetroffen bij de advocaten die bij het Hof zijn ingeschreven. In dit verband geldt dat het Hof mr. Illes en mr. Emerencia als voldoende deskundig en ervaren beschouwt en dat er, naar de ervaring van het Hof, meerdere hier ingeschreven advocaten voorhanden zijn die in dit geval een adequate verdediging kunnen voeren. Dat mr. Boyce naar eigen zeggen de zaak heeft aangenomen zonder dat zij over de juiste expertise beschikt en mrs. Illes en Emerencia zich daarna hebben onttrokken, is een voor de verdachte weliswaar zeer onwenselijke situatie – overigens gecreëerd door de verdediging zelf - maar dit maakt niet dat er in deze sprake is van een bijzonder geval zoals de wetgever heeft bedoeld.
2.6.
Ook de overige aangevoerde gronden, zowel afzonderlijk als in onderlinge
samenhang bezien, leiden niet tot de conclusie dat sprake is van een bijzonder geval als bedoeld in artikel 57, tweede lid, Sv. Het Hof overweegt daartoe dat de omstandigheid dat het in dit geval een zeer ernstig feit betreft dat een grote impact heeft op alle betrokkenen en op de samenleving, onvoldoende is om een bijzonder geval aan te nemen. De bij het Hof ingeschreven advocaten behandelen immers, ongeacht hun eventuele banden met de gemeenschap, met regelmaat zaken die een vergelijkbare maatschappelijke impact hebben. Evenmin is de gestelde vertrouwensrelatie, gelet op de daarvoor gegeven onderbouwing, toereikend om tot het oordeel te komen dat sprake is van een bijzonder geval.
2.7
Gelet op het voorgaande oordeelt het Hof dat er geen sprake is van een bijzonder geval als bedoeld in artikel 57 lid 2 Sv Pro. Het verzoek zal daarom worden afgewezen

3.De beslissing

Het Hof:
-
wijsthet verzoek
af.
Deze beschikking is op 22 juni 2026 in Curaçao op schrift gesteld door
mrs. P.P.C.M. Waarts, H.M.E. Tebbenhoff Rijnenberg en Y.C. Bours, leden van het Hof en de griffier, mr. B.G. Scheepbouwer.