ECLI:NL:OGHACMB:2026:184

Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba

Datum uitspraak
9 juli 2026
Publicatiedatum
13 juli 2026
Zaaknummer
H-102/25
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2:259 SrArt. 1:119 SrArt. 1:78 SrArt. 1:136 SrArt. 3 lid 1 Vuurwapenverordening 1930
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling poging tot doodslag en vuurwapenbezit met zeven jaar gevangenisstraf

Op 18 oktober 2024 schoot de verdachte met een geladen revolver meerdere keren op het portier van een auto waarin het slachtoffer zat, waarbij het slachtoffer door kogels werd geraakt. Het Hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zich schuldig maakte aan poging tot doodslag en het voorhanden hebben van een vuurwapen en munitie.

De strafrechtelijke beoordeling leidde tot een veroordeling tot zeven jaar gevangenisstraf, waarbij rekening werd gehouden met de ernst van het feit, het gevaar voor meerdere personen, en de voorgeschiedenis van de verdachte. Het Hof verwierp verzachtende omstandigheden en benadrukte dat de verdachte eigenrichting pleegde terwijl minder ingrijpende opties beschikbaar waren.

De benadeelde partij vorderde schadevergoeding voor materiële en immateriële schade. Het Hof wees de materiële schade voor verlies van kleding toe, wees de vordering voor inkomstenderving af en kende een immateriële schadevergoeding van Cg. 5.000,- toe. Daarnaast werden proceskosten en een schadevergoedingsmaatregel opgelegd.

Het vonnis vernietigde het eerdere vonnis van het Gerecht en deed opnieuw recht, waarbij de straf en schadevergoedingen werden vastgesteld. De tijd in voorlopige hechtenis wordt in mindering gebracht op de straf.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot zeven jaar gevangenisstraf voor poging tot doodslag en vuurwapenbezit met gedeeltelijke toewijzing van schadevergoeding.

Uitspraak

Zaaknummer: H-102/25
Parketnummer: 555.00259/24
Uitspraak: 9 juli 2026 Tegenspraak

Vonnis

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van het Gerecht in eerste aanleg van Curaçao (hierna: het Gerecht) van 23 juli 2025 in de strafzaak tegen de verdachte:

[Naam verdachte]

geboren op [geboortedatum] te [Land],
gedetineerd in het SDKK in Curaçao.
Hoger beroep
Het Gerecht heeft de verdachte bij zijn vonnis ten aanzien van de onder 1 primair en 2 tenlastegelegde feiten veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zeven jaren met aftrek van voorarrest. Verder heeft het Gerecht beslissingen gegeven op de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij.
Onderzoek van de zaak
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting.
Het Hof heeft kennisgenomen van de vordering van de procureur-generaal, mr. S. Verheijen, en van wat door de verdachte en zijn raadsman, mr. U.F. Dickens, naar voren is gebracht. Verder heeft het Hof kennisgenomen van wat namens de benadeelde partij [benadeelde partij] in het kader van zijn vordering tot schadevergoeding naar voren is gebracht door mr. E.B. Wilsoe.
De procureur-generaal heeft gevorderd dat het Hof het vonnis waarvan beroep zal bevestigen, behalve ten aanzien van de beslissing van het Gerecht op de vordering van de benadeelde partij. De procureur-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat – anders dan het Gerecht heeft geoordeeld -:
  • de materiële schade met betrekking tot – kort gezegd – de post inkomstenderving, niet-ontvankelijk dient te worden verklaard, en
  • de gevorderde immateriële schade gedeeltelijk dient te worden toegewezen tot een bedrag van Cg. 5.000,-, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
De raadsman heeft bepleit dat aan de verdachte een lagere straf zal worden opgelegd, dan door het Gerecht is opgelegd.
Vonnis waarvan beroep
Het hof zal de beslissing van het Gerecht om proceseconomische redenen vernietigen.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

FEIT 1

primair

hij op of omstreeks 18 oktober 2024, te Curaçao, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk [slachtoffer] van het leven te beroven, met dat opzet meerdere schoten in de richting van die [slachtoffer] heeft afgelost, zijnde de verdere uitvoering van dat door hem, verdachte, en/of zijn mededader(s) voorgenomen misdrijf niet voltooid;

subsidiair

hij op of omstreeks 18 oktober 2024, te Curaçao, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, [slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel, te weten een of meerdere schotwonden in zijn linker been/bil en/of een “in situ” gebleven kogel in het lichaam, heeft toegebracht, door deze opzettelijk meerdere keren met een vuurwapen te hebben beschoten;

meer subsidiair

hij op of omstreeks 18 oktober 2024, te Curaçao, te uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, aan een persoon, te weten [slachtoffer], opzettelijk
zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet meerdere schoten in de richting van die [slachtoffer] heeft afgelost, terwijl de uitvoering van dat door hem, verdachte, en/of zijn mededader(s) voorgenomen misdrijf net is voltooid;

meest subsidiair

dat hij op of omstreeks 18 oktober 2024, te Curaçao tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, [slachtoffer] heeft mishandeld en/of met gebruikmaking van een wapen, als bedoeld in artikel 1, tweede lid, van de Wapenverordening 1931, te weten een vuurwapen, door een of meerdere schoten in/op het lichaam, althans in de richting van die [slachtoffer] te lossen, ten gevolge waarvan die [slachtoffer] letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden;

FEIT 2

hij op of omstreeks 18 oktober 2024, te Curaçao, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, een vuurwapen, althans een vuurwapen gelijkend voorwerp en/of een of meerdere munitie, in de zin van de Vuurwapenverordening 1930 voorhanden heeft gehad.
Bewezenverklaring
Het Hof acht wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan de verdachte onder 1 en 2 ten laste is gelegd, met dien verstande dat hij:

Feit 1

primair

op 18 oktober 2024 te Curaçao, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slachtoffer] van het leven te beroven met dat opzet meerdere schoten in de richting van die [slachtoffer] heeft gelost, zijnde de verdere uitvoering van dat door hem voorgenomen misdrijf niet
isvoltooid;

Feit 2

op 18 oktober 2024 te Curaçao een vuurwapen en munitie, in de zin van de Vuurwapenverordening 1930 voorhanden heeft gehad.
Het Hof acht niet bewezen wat de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.
De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten of omissies zijn verbeterd; omwille van de leesbaarheid zijn ook wijzigingen aangebracht in de bewezenverklaring (
cursief). De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.
Bewijsmiddelen
Het Hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan, op de feiten en omstandigheden die in de hierna volgende bewijsmiddelen zijn vervat en redengevend zijn voor de bewezenverklaring. [1]
Daarbij wordt opgemerkt dat ieder bewijsmiddel, ook in zijn onderdelen, slechts wordt gebruikt tot bewijs van dat bewezenverklaarde feit, of die bewezenverklaarde feiten, waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft en, voor zover het een geschrift als bedoeld in artikel 387, eerste lid, aanhef, onder e Sv betreft, telkens slechts wordt gebezigd in verband met de inhoud van
deandere bewijsmiddelen.
De verklaring van de verdachte, afgelegd ter terechtzitting in hoger beroep op 18 juni 2026, zakelijk weergegeven:
Ik heb de schoten gelost op 18 oktober 2024. Ik richtte en schoot op de autodeur. Ik schoot met een revolver, die doorgeladen in mijn auto lag.
Een proces-verbaal van aangifte van 4 december 2024 (dossierpagina’s 11 t/m 16), voor zover inhoudende de verklaring van het slachtoffer, zakelijk weergegeven:
Op 18 oktober 2024 reden we langs het gebouw van [bedrijf]. Daar zag ik [verdachte]. [Verdachte] opende het passagiersraam van zijn auto. Vandaar richtte hij een vuurwapen in mijn richting en begon te schieten. Door dit schietincident ben ik door drie kogels geraakt.
Het proces-verbaal van forensisch onderzoek naar aanleiding van een schietincident plaatsgehad hebbende bij [bedrijf], d.d. 7 november 2024 (dossierpagina’s 74 t/m 82), voor zover inhoudende de verklaring van de verbalisanten, zakelijk weergegeven:
Samenvatting van bevindingen:
  • op 18 oktober 2024 had een schietincident plaatsgevonden ter hoogte van [bedrijf].
  • Gedeformeerde projectiel en naar bloed gelijkende substantie werd aangetroffen op de bestuurderszitplaats van de vrachtwagen met kenteken [nummer] (het Hof begrijpt: van aangever [naam]).
  • Tenminste drie schoten werden afgelost bij de plaats van het delict.
Strafbaarheid en kwalificatie van het bewezenverklaarde
Het onder 1 bewezen verklaarde is voorzien bij en strafbaar gesteld in artikel 2:259 juncto Pro artikel 1:119 van Pro het Wetboek van Strafrecht. Het wordt als volgt gekwalificeerd:

poging tot doodslag.

Het onder 2 bewezen verklaarde is voorzien bij artikel 3, eerste lid, van de Vuurwapenverordening 1930 en strafbaar gesteld in artikel 11 van Pro de Vuurwapenverordening 1930.
Het wordt als volgt gekwalificeerd:
overtreding van een verbod gesteld bij artikel 3, eerste lid, van de Vuurwapenverordening 1930, meermalen gepleegd.
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluiten.
Strafbaarheid van de verdachte
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluiten.
Oplegging van straf
Bij de bepaling van de op te leggen straf heeft het Hof gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard en de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan.
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een poging tot doodslag en vuurwapenbezit. De verdachte had een geladen vuurwapen onder handbereik in zijn auto liggen en heeft daarmee meermalen op het slachtoffer geschoten. Het slachtoffer zat samen met een bijrijder in een kleine vrachtwagen en kon met moeite het vege lijf redden. Het is puur geluk geweest dat de kogels de bijrijder niet (ook) hebben geraakt en dat het letsel van het slachtoffer beperkt is gebleven. Het schietincident heeft bovendien plaatsgevonden in bijzijn van meerdere collega’s van de verdachte, op het terrein van zijn werkgever.
Beide bewezenverklaarde feiten maken inbreuk op het gevoel van veiligheid in de maatschappij en ontwrichten de maatschappij. Het is een feit van algemene bekendheid dat vuurwapenbezit een groot probleem is in Curaçao. De verdachte heeft door een vuurwapen in bezit te hebben en dit ook nog te gebruiken bijgedragen aan het in stand houden van deze problematiek.
Met het Gerecht zoekt het Hof aansluiting bij de oriëntatiepunten straftoemeting, waarin het gebruikelijke rechterlijke straftoemetingsbeleid van het Hof en de Gerechten in eerste aanleg zijn neerslag heeft gevonden. Daarin wordt voor een poging doodslag met een vuurwapen, waarbij er sprake is van geen of licht letsel, als indicatie een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 5 tot 6 jaren gegeven. Als sprake is van zwaar letsel, geldt een indicatie van 6 tot 8 jaar gevangenisstraf. Voorts wordt voor vuurwapenbezit in de auto als indicatie een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden gegeven, waarvan zes maanden voorwaardelijk. Het feit dat de verdachte het geladen vuurwapen binnen handbereik in zijn auto had, daarmee rondreed en het zodanig gebruikt heeft dat meerdere personen geraakt hadden kunnen worden, terwijl ook nog eens meerdere personen getuige waren, zijn omstandigheden die naar het oordeel van het Hof strafverhogend werken.
Ook het Hof houdt bij het opleggen van de straf rekening met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte.
De psychiater heeft op 4 november 2024 een rapport uitgebracht. Uit dit rapport blijkt dat bij de verdachte geen psychische stoornis aanwezig is en dat de recidivekans van de verdachte laag wordt ingeschat.
Hoewel het Hof – gelet op de voorgeschiedenis tussen de verdachte en (de familie van) het slachtoffer – oog heeft voor het feit dat het slachtoffer inderdaad de verdachte zelf heeft opgezocht op diens werkplaats, kan het Hof evenmin als het Gerecht voorbijgaan aan het feit dat de verdachte een zeer ernstige en buitenproportionele reactie heeft gegeven op de ontstane situatie. Het Hof leidt uit de verklaring van de verdachte af dat hij heeft gehandeld uit een jarenlang opgebouwde emotie. Echter, dit rechtvaardigt niet het feit dat de verdachte heeft gemeend dit probleem op deze wijze, met eigenrichting, te moeten oplossen. Het Hof is van oordeel dat de verdachte andere, minder ingrijpende mogelijkheden had om deze situatie te voorkomen en deze mogelijkheden ook had moeten gebruiken. Zo had de verdachte de mogelijkheid om zich te distantiëren van de situatie door het terrein te verlaten en had de verdachte de mogelijkheid om de politie te bellen. Het feit dat de verdachte dan voor zo’n gewelddadige optie kiest die iemand het leven had kunnen kosten, rekent het Hof de verdachte zwaar aan.
Het Hof weegt tot slot ten nadele van de verdachte mee dat hij in een verder verleden onherroepelijk is veroordeeld voor een poging tot doodslag.
Naar het oordeel van het Hof kan gelet op de ernst van het bewezenverklaarde niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf die een onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming van aanzienlijke duur met zich brengt. De persoonlijke omstandigheden van de verdachte en de voorgeschiedenis maken dit niet anders.
Het Hof is, na dit een en ander te hebben afgewogen, tot de slotsom gekomen dat een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van zeven jaren passend en geboden is. De verdachte zal daartoe dan ook worden veroordeeld.
Schadevergoeding
De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Ter terechtzitting in eerste aanleg heeft de benadeelde partij de schadepost inkomstenderving gewijzigd naar een (netto) bedrag van Cg. 17.624,52, waardoor de gehele vordering neerkomt op een bedrag van Cg. 27.924,52. Deze bestaat uit de volgende posten:
  • verlies van kleding Cg. 200,-
  • reiskosten diverse medische behandelingen (huisdokter, ziekenhuis) Cg. 100,-
  • inkomstenderving vanaf november 2024 tot en met heden (23 juli 2025) Cg. 17.624,52,-
  • immateriële schade Cg. 10.000,-
De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van de oorspronkelijke vordering.
Ook heeft de benadeelde partij gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld tot het vergoeden van de kosten van rechtsbijstand die de benadeelde partij tot op heden heeft moeten maken, inhoudende een bedrag van Cg. 1.961,- (kosten eerste aanleg) en een bedrag van Cg. 2.500,- (kosten hoger beroep). Tot slot heeft de benadeelde partij gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld tot het betalen van de (begrote) kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging, te weten een bedrag van Cg. 1.000,-.
De verdediging heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij in zijn vordering niet-ontvankelijk dient te worden verklaard. Subsidiair heeft de verdediging bepleit dat het Hof dezelfde beslissingen neemt als het Gerecht in eerste aanleg ten aanzien van de gehele vordering benadeelde partij.
Het Hof oordeel als volgt.

Materiële schade

Verlies van kleding
Uit het onderzoek ter terechtzitting en de inhoud van het dossier is het Hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij [slachtoffer] als gevolg van het bewezenverklaarde handelen rechtstreeks schade heeft geleden tot een bedrag van Cg. 200,- (verlies van kleding).
Reiskosten diverse medische behandelingen
Het Hof is van oordeel dat deze post onvoldoende is onderbouwd, zodat de benadeelde partij daarin niet-ontvankelijk zal worden verklaard, zodat dit deel van de vordering bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.
Inkomstenderving
De post inkomstenderving acht het Hof, gelet op de inhoud van het dossier en tegen de achtergrond van het arrest van de Hoge Raad (ECLI:NL:HR:2019:793), geen rechtstreekse schade die het gevolg is van de bewezenverklaarde feiten. De vordering van de benadeelde partij zal voor dat deel dan ook worden afgewezen.

Immateriële schade

Het Hof is van oordeel dat de onderbouwing van de vordering van de benadeelde partij ten aanzien van de immateriële schade summier is, nu de geleden immateriële schade in algemene bewoordingen is onderbouwd door de benadeelde partij. Echter, op basis van de inhoud van het dossier en deze (summiere) onderbouwing van de immateriële schade staat naar het oordeel van het Hof voldoende vast dat de benadeelde partij door het onder 1 bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreekse immateriële schade is toegebracht. Het Hof zal de omvang van de immateriële schade naar maatstaven van billijkheid vaststellen op een bedrag van Cg. 5.000,-. Het Hof heeft bij de beslissing over de toewijzing van immateriële schade aansluiting gezocht bij de aard en de ernst van de normschending, de aantasting van de lichamelijke integriteit van de benadeelde partij en de schadevergoeding die in soortgelijke gevallen door rechters pleegt te worden opgelegd.
De benadeelde partij kan in het overige deel van de vordering niet worden ontvangen en kan dat deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Conclusie

De vordering van de benadeelde partij zal voor een totaalbedrag van Cg. 5.200,-, bestaande uit Cg. 200,- voor de vergoeding van materiële schade en Cg. 5.000,- voor de vergoeding van immateriële schade worden toegewezen. Het toe te wijzen bedrag zal worden vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 18 oktober 2024.
Het Gerecht ziet aanleiding daarbij een schadevergoedingsmaatregel als bedoeld in artikel 1:78 van Pro het Wetboek van Strafrecht aan de verdachte op te leggen. Voor het geval volledige betaling of volledig verhaal van het verschuldigde bedrag niet volgt, zal vervangende hechtenis van na te melden duur worden opgelegd.

Proceskosten

De benadeelde partij heeft een bedrag van Cg. 1.961,- (eerste aanleg) en een bedrag van Cg. 2.500,- (hoger beroep) gevorderd als vergoeding van gemaakte advocaatkosten. Tevens heeft de benadeelde partij een bedrag van Cg. 1.000,- gevorderd ten behoeve van (begrote) kosten die in het kader van de tenuitvoerlegging nog gemaakt zullen worden.
Ten aanzien van de gevorderde proceskosten overweegt het Hof dat bij de begroting van de advocatenkosten dezelfde maatstaf wordt gehanteerd als in civiele procedures, zoals opgenomen in het Procesreglement 2026. Het Hof ziet geen aanleiding daar in deze zaak van af te wijken.
Ten aanzien van de proceskosten in eerste aanleg en hoger beroep geldt - gelet op de hoogte van het toe te wijzen bedrag aan schadevergoeding - tarief 3 (zijnde Cg. 500,- per punt). De proceskosten in hoger beroep worden daarom vastgesteld op Cg. 2.000,-, bestaande uit:
  • 1 punt voor het bijwonen van de zitting in eerste aanleg (Cg. 500,-);
  • 1 punt voor het indienen van de vordering benadeelde partij in eerste aanleg (Cg. 500,-);
  • 1 punt voor het bijwonen van de zitting in hoger beroep (Cg. 500,-);
  • 1 punt voor het indienen van de vordering benadeelde partij in hoger beroep (Cg. 500,-).
De verdachte zal daarnaast worden veroordeeld in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
De op te leggen straf is, behalve op de reeds aangehaalde wettelijke voorschriften, gegrond op de artikelen 1:78 en 1:136 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het Hof:
vernietigt het vonnis van het Gerecht en doet opnieuw recht;
verklaart wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de onder 1 (primair) en 2 ten laste gelegde feiten heeft begaan;
verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij;
kwalificeert het bewezen verklaarde als hiervoor omschreven;
verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en de verdachte daarvoor strafbaar;
veroordeelt de verdachte tot een
gevangenisstrafvoor de
7 (zeven) jaren;
beveelt dat de tijd die door de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht;
wijst de vordering tot vergoeding van de door de benadeelde partij [slachtoffer] geleden materiële schade met betrekking tot het verlies van kleding toe tot een bedrag van
Cg 200,- (zegge: tweehonderd Caribische gulden),vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 18 oktober 2024 tot aan de dag van de voldoening, en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij;
wijst toede vordering tot vergoeding van de door de benadeelde partij [slachtoffer] geleden
immateriële schadegedeeltelijk tot een bedrag van
Cg. 5.000,- (zegge: vijfduizend Caribische gulden).
wijst afde vordering tot vergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer] geleden
materiële schade met betrekking tot de gevorderde inkomstenderving;
verklaart de overige door de benadeelde partij [slachtoffer] gevorderde materiële en immateriële schade niet-ontvankelijk en bepaalt dat deze delen van de vordering in zoverre slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht;
legt aan de verdachte als schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van de benadeelde partij [slachtoffer] de verplichting op tot betaling aan het Land van een bedrag van
Cg 5.200,- (zegge: vijfduizendtweehonderd Caribische gulden), bij gebreke van betaling of verhaal te vervangen door 76 (zesenzeventig) dagen hechtenis, met dien verstande dat toepassing van de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft en bepaalt dat het te betalen bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 18 oktober 2024 tot aan de dag van de voldoening;
veroordeelt de verdachte in de kosten door de benadeelde partij [slachtoffer] gemaakt, tot op heden begroot op
Cg. 2.000,- (zegge: tweeduizend Caribische gulden)en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging alsnog te maken;
Dit vonnis is gewezen door mr. P.P.C.M. Waarts, voorzitter, mr. M.L.A. Angela en mr. H.M.E. Tebbenhoff Rijnenberg, leden van het Hof, bijgestaan door mr. L. Witte, (zittings)griffier, en op 9 juli 2026 uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier ter openbare terechtzitting van het Hof in Curaçao.

Voetnoten

1.Hierna wordt, tenzij anders vermeld, telkens verwezen naar ambtsedige - en door de desbetreffende verbalisant(en) in wettelijke vorm opgemaakte - processen-verbaal en overige geschriften, die als bijlagen zijn opgenomen in het eindproces-verbaal van het Korps Politie Curaçao (Recherche Informatie Dienst Lokaal Ernstige Criminaliteit) d.d. 4 april 2025, geregistreerd onder proces-verbaalnummer 202503311105.DOS en de onderzoeksnaam “Runner”, doorgenummerde dossierpagina’s 1 – 130.