ECLI:NL:OGHACMB:2026:201

Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba

Datum uitspraak
28 juli 2026
Publicatiedatum
29 juli 2026
Zaaknummer
AUA2024H00368
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 116 Procesreglement 2023
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging afwijzing cessievordering wegens ontbreken spoedeisend belang

In deze zaak vordert Massimo Consultant and Financial Services N.V. dat New India Assurance Representative N.V. een cessie respecteert waarbij een verzekeringsclaim was overgedragen door een cedent aan Massimo. De cedent heeft deze cessie echter later buitengerechtelijk vernietigd en verklaard dat alleen aan hem bevrijdend kan worden betaald.

Het Gerecht in eerste aanleg verklaarde Massimo niet-ontvankelijk wegens het ontbreken van spoedeisend belang, mede vanwege het geringe financiële belang en het ontbreken van onderbouwing van financiële problemen door Massimo. Massimo ging in hoger beroep, maar stelde het spoedeisend belang ook daar niet voldoende vast.

Het Hof oordeelt dat zelfs als spoedeisend belang zou bestaan, de ordemaatregel niet toegewezen kan worden omdat New India rekening moet houden met de juridische actie van de cedent tegen de cessie en alleen aan de cedent kan betalen. Omdat de cedent geen partij is in het geding, kan het Hof niet ingaan op de geldigheid van de cessie.

Het Hof bevestigt het vonnis van het Gerecht en veroordeelt Massimo in de proceskosten van New India in hoger beroep.

Uitkomst: Het Hof bevestigt de niet-ontvankelijkheid van Massimo wegens ontbreken spoedeisend belang en veroordeelt haar in de proceskosten.

Uitspraak

BURGERLIJKE ZAKEN OVER 2026
UITSPRAAK: 28 juli 2026
ZAAKNR: AUA202402978 – AUA2024H00368
GEMEENSCHAPPELIJK HOF VAN JUSTITIE
van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en
van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Vonnis in kort geding in de zaak van:
de naamloze vennootschap
MASSIMO CONSULTANT AND FINANCIAL SERVICES N.V.,
gevestigd in Aruba,
in eerste aanleg eiseres, thans appellante,
procederend bij haar directeur: [naam directeur],
-tegen-
de naamloze vennootschap
NEW INDIA ASSURANCE REPRESENTATIVE N.V.,
gevestigd in Aruba,
in eerste aanleg gedaagde, thans geïntimeerde,
gemachtigde: mr. A.F. Kuster.
Partijen worden hierna (ook) aangeduid als Massimo en New India.
De zaak in het kort
Deze zaak gaat over een door de cessionaris gevorderde ordemaatregel dat de debitor cessus een cessie moet respecteren, terwijl de cedent deze later heeft vernietigd. Het Gerecht heeft de cessionaris niet ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van spoedeisend belang. Het Hof beoordeelt de zaak opnieuw.

1.Het verloop van de procedure

1.1
Voor hetgeen in eerste aanleg is gesteld en gevorderd, voor de procesgang aldaar en voor de overwegingen en beslissingen van het Gerecht in eerste aanleg van Aruba (hierna: het Gerecht), wordt verwezen naar het tussen partijen gewezen vonnis in kort geding van 30 augustus 2024.
1.2
Massimo is in hoger beroep gekomen van dat vonnis door indiening op 5 september 2024 van een daartoe strekkende akte ter griffie van het Gerecht. Bij deze akte heeft Massimo voor de grieven verwezen naar haar stellingen in eerste aanleg.
1.3
Per e-mail van 6 september 2024 heeft Massimo een verzoek tot spoedbehandeling gedaan (ex art. 116 Procesreglement Pro 2023). Bij e-mail van 9 september 2024 is dat verzoek door de president van het Hof afgewezen.
1.4
De zaak stond gepland voor mondeling pleidooi op de zitting van 9 december 2025 in Aruba. Daaraan voorafgaand, op 3 december 2025, heeft Massimo een wrakingsverzoek tegen twee van de Hofrechters ingediend. Om die reden is het geplande mondeling pleidooi aangehouden. De wrakingskamer van het Hof heeft het wrakingsverzoek afgewezen bij uitspraak van 26 februari 2026 (AUA2025H00391). Het tegen die beslissing door Massimo ingestelde verzet, tevens herhaald verzoek tot wraking van de Hofrechters, is door de wrakingskamer niet-ontvankelijk c.q. ongegrond verklaard bij uitspraak van 31 maart 2026 (AUA2025H00391 en AUA 2026H00035).
1.5
Beide partijen hebben per e-mail van 3 juni 2026 producties ingediend.
1.6
Op de zitting van 8 juni 2026 heeft mondeling pleidooi plaatsgevonden in het gerechtsgebouw in Aruba. Namens Massimo is verschenen [naam directeur], directeur. New India is verschenen bij haar gemachtigde voornoemd. Partijen hebben gepleit aan de hand van pleitnota’s, waarvan exemplaren zijn overgelegd, en er zijn vragen van het Hof beantwoord.
1.7
Uitspraak is bepaald op heden.

2.De feiten

2.1
Het Hof gaat uit van de volgende feiten.
2.1.2
Op 24 juli 2024 heeft een aanrijding plaatsgevonden waarbij de auto met kenteken [letter/nummer] van [naam cedent] (hierna: [naam cedent]) beschadigd is geraakt door de fout van een derde. De aansprakelijkheid van de derde is verzekerd bij New India.
2.1.3
Op diezelfde dag heeft [naam cedent] een document ondertekend (getiteld “
lien and assignment of insurance proceeds”) waarbij hij onder meer zijn claim op de verzekeraar heeft gecedeerd aan Massimo.
2.1.4
Op 5 augustus 2024 heeft New India een brief ontvangen van een gemachtigde van [naam cedent], onder meer inhoudende – samengevat – dat hij het (hiervoor genoemde) document onder valse voorwendselen heeft ondertekend, de volmacht niet honoreert en deze vernietigt.
2.1.5
Op 28 augustus 2024 heeft de advocaat van [naam cedent] een brief aan New India gestuurd waarin wordt meegedeeld dat [naam cedent] de cessie heeft herroepen c.q. ingetrokken c.q. buitengerechtelijk vernietigd en dat alleen aan [naam cedent] bevrijdend kan worden betaald.
2.1.6
New India heeft op 3 september 2024 Afl. 6.240,59 naar de bankrekening van [naam cedent] overgemaakt als vergoeding van de door de aanrijding veroorzaakte schade.

3.De vordering

Massimo heeft gevorderd – samengevat – dat New India, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad, wordt veroordeeld:
- om de cessie te respecteren en de schadeclaim geheel af te handelen met Massimo;
- tot betaling van een dwangsom wanneer New India deze veroordeling niet nakomt;
- tot betaling van de proceskosten.

4.De beslissing in eerste aanleg

4.1
Bij het bestreden vonnis heeft het Gerecht Massimo niet-ontvankelijk verklaard in haar vordering, met veroordeling van Massimo in de kosten.
4.2
Het Gerecht heeft hieraan ten grondslag gelegd dat spoedeisend belang, mede gezien het geringe financiële belang van de zaak, ontbreekt. Dit omdat Massimo niets heeft ingebracht tegen het door New India gevoerde verweer dat er geen spoedeisend belang bestaat en Massimo haar stellingen dat zij – kort gezegd – in de financiële problemen komt niet heeft onderbouwd.

5.De beoordeling door het Hof

5.1
Het hoger beroep is tevergeefs voorgesteld. Afgezien van de omstandigheid dat ook in hoger beroep het spoedeisend belang door Massimo onbesproken is gebleven, is het volgende van belang.
5.2
Ook als er wel spoedeisend belang zou bestaan, zou de door Massimo gevorderde ordemaatregel niet toegewezen kunnen worden. Dit omdat New India vanaf het moment dat zij daarvan op de hoogte is gebracht, nu eenmaal rekening heeft te houden met de omstandigheid dat [naam cedent] ondertussen juridische actie tegen de cessie heeft ondernomen en New India heeft meegedeeld dat zij alleen aan hem bevrijdend kan betalen. Op het betoog van Massimo dat de cessie rechtsgeldig en onherroepelijk is, en dat de argumenten van [naam cedent] om zich er niet aan te houden niet deugen – overigens door New India gemotiveerd betwist – kan niet worden ingegaan vanwege het simpele feit dat [naam cedent] in dit geding geen partij is.
5.3
De slotsom luidt dat het bestreden vonnis wordt bevestigd en Massimo, als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten in hoger beroep van New India wordt veroordeeld.
BESLISSING:
Het Hof:
bevestigt het bestreden vonnis;
veroordeelt Massimo in de proceskosten van New India in hoger beroep, tot op heden begroot op Afl. 6000,- (3 x tarief 5) aan gemachtigdensalaris.
Dit vonnis is gewezen door mrs. E.M. van der Bunt, E.A. Saleh en E.W.A Vonk, leden van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie, en ter openbare terechtzitting van het Hof in Curaçao op 28 juli 2026 uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier.