ECLI:NL:OGHACMB:2026:202

Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba

Datum uitspraak
28 juli 2026
Publicatiedatum
30 juli 2026
Zaaknummer
SXM2025H00063
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:200a BWArt. 3:200b lid 3 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toekenning eigendom perceel in langdurig onverdeelde boedel op basis van gebruikerschap

In deze zaak gaat het om een geschil over de toekenning van eigendom van percelen grond binnen een langdurig onverdeelde boedel, gelegen in Philipsburg, Sint Maarten. Appellante vordert toekenning van een perceel van circa 240 m2 waarop zij een container exploiteert, terwijl geïntimeerde 2 aanspraak maakt op het resterende perceel. Het hoger beroep richt zich uitsluitend op de vraag wie als gebruiker van het betwiste perceel moet worden aangemerkt.

Het Hof stelt vast dat appellante sinds medio 2009 de container met toestemming van de beheerder heeft geplaatst en sindsdien diverse investeringen heeft gedaan, waaronder het verkrijgen van bouw- en vestigingsvergunningen en het aanbrengen van funderingen en voorzieningen. Deze feiten zijn erkend of onvoldoende betwist door geïntimeerden. Het gebruik door geïntimeerde 2 berust vooral op het voortzetten van het beheer door haar overleden ex-echtgenoot, die het gebruik van het perceel vooral gedoogde.

Het Hof oordeelt dat appellante als gebruiker van het perceel moet worden aangemerkt, waarbij het begrip gebruiker ruim wordt geïnterpreteerd en niet beperkt is tot bewoning. Het verweer dat appellante een wanpresterende huurster zou zijn, wordt verworpen omdat de huurovereenkomst slechts tijdelijk en in overleg is beëindigd. Het Hof vernietigt daarom het bestreden vonnis voor zover het perceel aan geïntimeerde 2 werd toegekend en wijst het toe aan appellante, terwijl het resterende perceel aan geïntimeerde 2 wordt toegekend.

Uitkomst: Het Hof kent het perceel van 240 m2 toe aan appellante als gebruiker en het resterende perceel aan geïntimeerde 2.

Uitspraak

Burgerlijke zaken over 2026
Uitspraak: 28 juli 2026 (Curaçao)
Zaaknr: SXM202400325 – SXM2025H00063
GEMEENSCHAPPELIJK HOF VAN JUSTITIE
van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en
van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Beschikking in de zaak van:
[APPELLANTE],
wonend in Sint Maarten,
in eerste aanleg verweerster, verzoekster van het zelfstandig tegenverzoek,
thans appellante,
gemachtigde: mr. V. Pantophlet,
betreffende een verzoek ex art. 3:200a e.v. BW tot toekenning van grond behorend tot de langdurig onverdeeld gebleven gemeenschap:
een perceel grond gelegen in Philipsburg, Sint Maarten, van ongeveer 1872 m2, omschreven in meetbrief 56/1956 nadien meetbrief 4/1970 (hierna ook: het oorspronkelijke perceel), in de openbare registers geregistreerd op naam van Augustus Richardson, overleden op 2 april 1914 te Sint Maarten;
met in eerste aanleg verschenen partijen/belanghebbenden:
[GEÏNTIMEERDE 1],
wonend in Nederland,
in eerste aanleg verzoekster, thans geïntimeerde,
gemachtigde: mr. R.F. Gibson,
[GEÏNTIMEERDE 2],
wonend in Sint Maarten,
in eerste aanleg belanghebbende, thans geïntimeerde,
gemachtigde: mr. J.G. Snow,
[GEÏNTIMEERDE 3],
in eerste aanleg belanghebbende, thans geïntimeerde,
gemachtigde: mr. R.E. Duncan.
Partijen worden hierna (ook) [Appellante], [Geïntimeerde 1], [Geïntimeerde 2] en [Geïntimeerde 3] genoemd.

1.Het verloop van de procedure

1.1
Verwezen wordt naar de in deze zaak uitgesproken tussenbeschikking van 30 januari 2025 en de eindbeschikking van 14 juli 2025 van het Gerecht in eerste aanleg van Sint Maarten (hierna: het Gerecht). De inhoud van die beschikkingen geldt als hier ingevoegd.
1.2 [
Appellante] heeft op 20 augustus 2025 een daartegen gericht beroepschrift, met producties, ingediend.
1.3
Op 15 respectievelijk 16 oktober 2025 heeft [Geïntimeerde 2] een verweerschrift, met producties, en een aanvullend verweerschrift ingediend. Op 16 oktober 2025 heeft [Geïntimeerde 3] een verweerschrift ingediend.
1.4
Op 17 oktober 2025 heeft [Appellante] additionele producties ingediend.
1.5
Op 17 maart 2026 heeft de mondelinge behandeling plaatsgevonden in het Courthouse in Sint Maarten. Aldaar is [Appellante] verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Namens [Geïntimeerde 1], [Geïntimeerde 2] en [Geïntimeerde 3] zijn verschenen hun respectieve gemachtigden. Via een videoverbinding nam de heer [zoon Geïntimeerde 2], zoon van [Geïntimeerde 2] deel aan de zitting. Bij die gelegenheid zijn de standpunten van partijen nader toegelicht, dat van [Appellante] aan de hand van een overgelegde pleitnota, en zijn vragen van het Hof beantwoord.
1.6
Aansluitend op de mondelinge behandeling heeft een descente ter plaatse van het perceel plaatsgevonden. Aldaar zijn dezelfde personen verschenen als bij de mondelinge behandeling, behalve [zoon Geïntimeerde 2]. Reeds aanwezig op het perceel (bij haar restaurant) was [Geïntimeerde 3]. Het Hof heeft op verschillende plekken op het perceel, alsmede in de container van [Appellante], de toestand ter plaatse waargenomen en partijen hebben het Hof gewezen op bepaalde situaties, een en ander waarvan de griffier foto’s heeft gemaakt. Van de descente is proces-verbaal opgemaakt.
1.7
Uitspraak is nader bepaald op heden.

2.Omvang van het hoger beroep

2.1
Het hoger beroep is niet gericht tegen de beslissing van het Gerecht om de nalatenschap aan te merken als een langdurig onverdeelde boedel (rov. 4.3 van de tussenbeschikking van 30 januari 2025).
2.2
Het hoger beroep is evenmin tegen de toekenning in eigendom aan [Geïntimeerde 1] van het perceel, groot ongeveer 559 m2, met meetbrief 338/1991 (rov. 4.1. van de bestreden eindbeschikking van 14 juli 2025).
2.3
Ook is het hoger beroep niet gericht tegen de toekenning in eigendom aan [Geïntimeerde 2] van het perceel, groot ongeveer 180 m2, met meetbrief 7/2007 (rov. 4.2. van de bestreden eindbeschikking van 14 juli 2025).
2.4
Het hoger beroep is evenmin gericht tegen de toekenning in eigendom aan [Geïntimeerde 2] van de rest van het perceel met meetbrief 004/1970 na aftrek van de percelen met meetbrieven 338/1991 en 7/2007 (rov. 4.3. van de bestreden eindbeschikking van 14 juli 2025), behalve voor zover dit betrekking heeft op het gedeelte daarvan dat het perceel vormt waarop de container van [Appellante] staat (met een strook grond aan de achterzijde waarop zich de badkamer en de beerput bevinden en parkeerplaatsen zijn gepland, en met een strook grond aan de zijkant via welke het oorspronkelijke perceel betreden kan worden, ter grootte van ongeveer 240 m2). Een en ander is afgebeeld op productie 3 beroepschrift, waarvan hierna een pagina is weergegeven.

3.De beslissing van het Gerecht

3.1
Het Gerecht heeft het verzoek van [Appellante] om – samengevat – het perceel waarop haar container staat, zoals hierboven onder 2.4 bedoeld, aan [Appellante] in eigendom toe te kennen, afgewezen.
3.2
Daaraan heeft het Gerecht – samengevat – ten grondslag gelegd dat [Appellante] niet als gebruiker van het oorspronkelijke perceel of een gedeelte daarvan kan worden aangemerkt (rov. 4.10. tussenbeschikking 30 januari 2025)

4.De beoordeling in hoger beroep

4.1
Uit het hiervoor onder 2.2 tot en met 2.4 overwogene volgt dat het geschil in hoger beroep is beperkt tot het perceel van 240 m2 groot waarop de container van [Appellante] staat, zoals hierboven onder 2.4 nader omschreven (hierna ook: “het perceel van [Appellante]” of “haar perceel”), en zich toespitst op de vraag wie daarvan als gebruiker aangemerkt moet worden, [Geïntimeerde 2] of [Appellante]. Het Hof moet dus het gebruikerschap van de een afwegen tegen het gebruikerschap van de ander, waarbij slechts een van hen als gebruiker kan worden aangemerkt.
4.2
Het restperceel van ongeveer 911 m2 (het oorspronkelijke perceel minus de percelen met meetbrieven 338/1991 en 7/2007) dat aan [Geïntimeerde 2] in eigendom is toegekend is onbebouwd en onbestraat (dat geldt alleen niet voor het perceel van [Appellante] dat daarvan deel uitmaakt). De toekenning door het Gerecht van dit restperceel aan [Geïntimeerde 2] berust op de motivering – samengevat – dat zij gebruiker daarvan is omdat haar overleden ex-echtgenoot, [ex-echtgenoot Geïntimeerde 2], al sinds de jaren tachtig à negentig van de vorige eeuw investeerde in het oorspronkelijke perceel en delen ervan verhuurde, hetgeen door [Geïntimeerde 2] is voortgezet.
4.3
Echter is ten aanzien van het gebruik door [Appellante] van haar perceel, dat deel uitmaakt van bedoeld restperceel, het volgende vast komen te staan, zoals door [Appellante] is aangevoerd en (in hoger beroep nader) onderbouwd. Deze feiten zijn door geïntimeerden erkend dan wel niet of onvoldoende gemotiveerd betwist dan wel blijken deze uit overgelegde producties.
  • Medio 2009 heeft [Appellante] een container op haar perceel laten plaatsen. Zulks deed zij met toestemming van [ex-echtgenoot Geïntimeerde 2], die zich opwierp als beheerder van het oorspronkelijke perceel en vertegenwoordiger van de erfgenamen. In overleg met [ex-echtgenoot Geïntimeerde 2] heeft [Appellante] verscheidene pogingen ondernomen erfgenamen te vinden om aan de occupatie van haar perceel een legaal karakter te geven.
  • [Appellante] heeft vanaf 2013 een bouwvergunning aangevraagd en gekregen, een officieel adres aangevraagd en gekregen ([Adres], Philipsburg), een vestigingsvergunning voor haar in de container te exploiteren bedrijf verkregen en een GEBE-aansluiting verkregen.
  • Daarmee samenlopend heeft [Appellante] in de loop der jaren in de container en haar perceel geïnvesteerd. Zo is de container van een stenen/betonnen fundering voorzien, is in de container een tegelvloer gelegd, zijn de binnenwanden bekleed met gipsplaat en zijn deuren, ramen en plafonds aangebracht. Aan de achterkant van de container heeft [Appellante] een stenen/betonnen badkamer met een beerput laten bouwen en deze verbonden met de container. Deze verbeteringen en investeringen zijn ook door het Hof waargenomen tijdens de descente, waarbij de container aan de binnenkant de indruk gaf van een pas gebouwd bedrijfsgebouw (kapsalon).
4.4
Op grond van het voorgaande merkt het Hof [Appellante] aan als gebruiker van haar perceel. Dit prevaleert boven het door het Gerecht aan [Geïntimeerde 2] toegerekende gebruikerschap, dat neerkomt op het voortzetten van de rol van [ex-echtgenoot Geïntimeerde 2] van (of het zich opwerpen als) beheerder van het oorspronkelijke perceel en vertegenwoordiger van erfgenamen. Hierbij neemt het Hof in aanmerking dat de activiteiten van [ex-echtgenoot Geïntimeerde 2] met betrekking tot het perceel van [Appellante] met name bestonden uit het toestemming geven en gedogen van [Appellante]s gebruik van het perceel.
4.5
Het door [Geïntimeerde 2] in hoger beroep gevoerde verweer dat [Appellante] nooit op haar perceel heeft gewoond gaat niet op. Hoewel feitelijk juist, merkt het Hof op dat geen van de op het oorspronkelijke perceel opgetrokken gebouwen c.q. verbouwde containers een woonfunctie heeft. Bij het aan [Geïntimeerde 1] toegewezen perceel gaat het om een winkel (Double Decker) en bij het aan [Geïntimeerde 2] toegewezen perceel met meetbrief 338/1995 gaat het om een restaurant, terwijl het ook aan [Geïntimeerde 2] toegewezen restperceel onbebouwd is en kennelijk als een (informele) parkeerplaats wordt gebruikt. [Geïntimeerde 2] heeft zowel in eerste aanleg als in hoger beroep zelf juist aangevoerd dat in het verleden het oorspronkelijke perceel werd verhuurd voor containeropslag, kantoren, een supermarkt en dergelijke. Het betoog dat de regeling van art. 3:200a e.v. BW is gericht op bewoning gaat uit van een te beperkte rechtsopvatting. “Gebruiker” is een dynamisch begrip dat aan rechtsvorming onderhevig is en per langdurig onverdeelde boedel – elk met zijn eigen kenmerken qua omvang, type bebouwing en gebruik – nadere invulling kan krijgen [1] [2] .
4.6
Het verweer van [Geïntimeerde 2], erop neerkomend dat [Appellante] moet worden beschouwd als een wanpresterende huurster die om die reden niet als gebruiker kan worden aangemerkt, wordt verworpen. De omstandigheid dat [Appellante] op 28 mei 2013 een huurovereenkomst is aangegaan met [Persoonsnaam 1], vertegenwoordiger van [Persoonsnaam 2], zijnde een mogelijke deelgenoot in de langdurig onverdeelde gemeenschap, moet worden beschouwd in het kader van [Appellante]s pogingen om aan haar occupatie een legaal karakter te geven. Deze huurovereenkomst is al op 10 augustus 2013 weer beëindigd in overleg tussen partijen, onder retournering van de betaalde huurpenningen, omdat [Appellante] in haar genot werd gestoord door anderen die beweerden erfgenaam te zijn, zo blijkt uit productie 13 van [Appellante] in hoger beroep. Aan de beëindiging van de huurovereenkomst ligt dus geen wanprestatie ten grondslag. Dat [Appellante] vervolgens in overleg is getreden over een nieuwe huurovereenkomst met [zoon Geïntimeerde 2], zoon van [ex-echtgenoot Geïntimeerde 2], die zich voordeed als de opvolger van zijn vader in het bestieren van het oorspronkelijke perceel, moet in datzelfde kader worden beschouwd. Die beoogde nieuwe huurovereenkomst is er overigens nooit gekomen.
4.7
Aan de door [Geïntimeerde 2] ingebrachte verklaring van [zoon Geïntimeerde 2] (prod. 1 verweerschrift in hoger beroep) hecht het Hof weinig waarde, alleen al omdat hij er kennelijk abusievelijk vanuit gaat dat hij bevoegd is tot beschikkings- en beheershandelingen omdat hij meent erfgenaam c.q. deelgenoot te zijn. Hierbij merkt het Hof op dat het Gerecht terecht heeft overwogen dat sprake is van een langdurig onverdeeld gebleven gemeenschap ex 3:200a BW en dat alleen ten aanzien van [Geïntimeerde 1] aanwijzingen bestaan dat zij deelgenoot is in de zin van art. 3:200b lid 3 BW.
4.8
De slotsom luidt dat de bestreden beschikkingen voor wat betreft het perceel van [Appellante] niet in stand kunnen blijven en dat het Hof dat perceel alsnog aan [Appellante] zal toekennen en het restperceel, na aftrek van het perceel van [Appellante], aan [Geïntimeerde 2] zal toekennen.
4.9
Aldus zal worden beslist als in het dictum weergegeven.
5. BESLISSING:
Het Hof:
5.1
vernietigt de bestreden eindbeschikking van 14 juli 2025 voor zover daarin (in rov. 4.3. en 4.10. van het dictum) het verzoek van [Appellante] is afgewezen en het restperceel geheel aan [Geïntimeerde 2] is toegewezen, en doet opnieuw recht als volgt:
5.2
kent het perceel gelegen in Philipsburg, Sint Maarten, ongeveer 240 m2 in omvang, zoals omschreven in productie 3 bij het beroepschrift en nader te omschrijven in een meetbrief, in eigendom toe aan [APPELLANTE];
5.3
kent het perceel gelegen in Philipsburg, Sint Maarten, omschreven in meetbrief 4/1970, na aftrek van het perceel 338/1991, het perceel 7/2007 en het hiervoor onder 5.2 bedoelde perceel, ongeveer 671 m2 resterend in omvang, in eigendom toe aan [GEÏNTIMEERDE 2];
5.4
bevestigt de bestreden beschikkingen voor het overige;
5.5
bepaalt dat deze beschikking door toedoen van de griffier binnen twee weken na
deze uitspraak openbaar bekend wordt gemaakt in de National Gazette en The Daily Herald
en op de website van het Gemeenschappelijk Hof, door plaatsing van dit bericht:
BEKENDMAKING
Bij beschikking van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van 28 juli 2026 is de beschikking van het Gerecht in eerste aanleg van Sint Maarten van 14 juli 2025 gedeeltelijk vernietigd en zijn op grond van de wettelijke regeling voor langdurig onverdeeld gebleven gemeenschappen (artikel 3:200a BW) onroerende zaken in eigendom toegekend op enigszins andere wijze dan door het Gerecht. De gewijzigde toekenning betreft de onroerende zaken:
- het perceel gelegen in Philipsburg, Sint Maarten, ongeveer 240 m2 in omvang, zoals omschreven in productie 3 bij het beroepschrift en nader te omschrijven in een meetbrief, in eigendom toegekend aan [APPELLANTE], wonend te Sint Maarten;
- het perceel gelegen Philipsburg, Sint Maarten, ongeveer 671 m2 resterend in omvang, omschreven in meetbrief 4/1970 (na aftrek van perceel 7/2007 en perceel 338/1991 en het bovengenoemde perceel), toegekend aan [GEÏNTIMEERDE 2], wonend te Sint Maarten.
Deze beschikking is met als zoekterm SXM2025H00063 te vinden onder Uitspraken op www.rechtspraak.nl
5.6
bepaalt dat [Appellante] en [Geïntimeerde 2] bevoegd zijn alle (rechts)handelingen te verrichten benodigd voor het opmaken van twee afzonderlijke meetbrieven overeenkomstig het dictum van deze beschikking onder 5.2 en 5.3;
5.7
bepaalt dat de griffier nadat deze beschikking in kracht van gewijsde is gegaan een afschrift van deze beschikking zendt aan de bewaarder van de openbare registers in Sint
Maarten ter inschrijving;
5.8
wijst het in hoger beroep meer of anders verzochte af;
5.9
compenseert de proceskosten in hoger beroep aldus dat ieder de eigen kosten draagt.
Aldus gegeven door mrs. E.M. van der Bunt, C.G. ter Veer en C.J.H.G. Bronzwaer, leden van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie, en ter openbare terechtzitting van het Hof in Curaçao op 28 juli 2026 uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier.

Voetnoten

1.De Kort&Lewin (red.)
2.zie verder M. Olthof, Parels aan de Kroon 2022/16.6, waar staat: