Uitspraak
1.Het verloop van de procedure
2.Omvang van het hoger beroep
3.De beslissing van het Gerecht
4.De beoordeling in hoger beroep
- Medio 2009 heeft [Appellante] een container op haar perceel laten plaatsen. Zulks deed zij met toestemming van [ex-echtgenoot Geïntimeerde 2], die zich opwierp als beheerder van het oorspronkelijke perceel en vertegenwoordiger van de erfgenamen. In overleg met [ex-echtgenoot Geïntimeerde 2] heeft [Appellante] verscheidene pogingen ondernomen erfgenamen te vinden om aan de occupatie van haar perceel een legaal karakter te geven.
- [Appellante] heeft vanaf 2013 een bouwvergunning aangevraagd en gekregen, een officieel adres aangevraagd en gekregen ([Adres], Philipsburg), een vestigingsvergunning voor haar in de container te exploiteren bedrijf verkregen en een GEBE-aansluiting verkregen.
- Daarmee samenlopend heeft [Appellante] in de loop der jaren in de container en haar perceel geïnvesteerd. Zo is de container van een stenen/betonnen fundering voorzien, is in de container een tegelvloer gelegd, zijn de binnenwanden bekleed met gipsplaat en zijn deuren, ramen en plafonds aangebracht. Aan de achterkant van de container heeft [Appellante] een stenen/betonnen badkamer met een beerput laten bouwen en deze verbonden met de container. Deze verbeteringen en investeringen zijn ook door het Hof waargenomen tijdens de descente, waarbij de container aan de binnenkant de indruk gaf van een pas gebouwd bedrijfsgebouw (kapsalon).
- het perceel gelegen in Philipsburg, Sint Maarten, ongeveer 240 m2 in omvang, zoals omschreven in productie 3 bij het beroepschrift en nader te omschrijven in een meetbrief, in eigendom toegekend aan [APPELLANTE], wonend te Sint Maarten;
- het perceel gelegen Philipsburg, Sint Maarten, ongeveer 671 m2 resterend in omvang, omschreven in meetbrief 4/1970 (na aftrek van perceel 7/2007 en perceel 338/1991 en het bovengenoemde perceel), toegekend aan [GEÏNTIMEERDE 2], wonend te Sint Maarten.