Uitspraak
Zaaknummer: H-100/24
[verdachte],
opmaken of vervalsenvan een leenovereenkomst tussen [medepleger] en hemzelf (artikel 230 eerste Pro lid (oud) en artikel 2:184 eerste Pro lid WvSr). Het Gerecht heeft verdachte vrijgesproken van het onder feit 3A impliciet cumulatief ten laste gelegde te weten: het opzettelijk
gebruikmakenvan die valse en of vervalste leenovereenkomst (artikel 230 tweede Pro lid (oud) en artikel 2:184 tweede Pro lid WvSr).
het Hof begrijpt: voor de periode tot 15 november 2011) bestaande die valsheid hierin dat in deze leenovereenkomst valselijk en in strijd met de waarheid is opgenomen dat deze overeenkomst is overeengekomen overwegende dat [betrokkene]een faciliteit zou behoeven ter voorziening in haar liquiditeitsbehoefte in het kader van de voorbereidende werkzaamheden van [bedrijf].
- primair uitsluiting van het hele dossier en
- subsidiair uitsluiting van alle verklaringen van [medepleger]
- meer subsidiair voor zover er geen sprake is van een vormverzuim dan raakt het voorgaande aan de betrouwbaarheid van het bewijs en dienen het dossier en de verklaringen van [medepleger] om die reden voor het bewijs te worden uitgesloten;
- uiterst subsidiair verzoekt de verdediging dat indien de verklaringen van [medepleger] wel voor het bewijs worden gebruikt, hij als getuige ter zitting wordt gehoord, waarbij het belang voor de verdediging evident is nu hij partij is bij de leenovereenkomst en een verklaring kan afleggen over de achtergrond en totstandkoming daarvan.
lijktte zijn ingegeven door de wens van het openbaar ministerie om [verdachte] te veroordelen, volgt het Hof niet. Het Hof is met het Gerecht van oordeel dat uit het dossier (zaaksdossier Hercules) genoegzaam blijkt dat het openbaar ministerie reeds in 2017 te kennen had gegeven nader onderzoek te doen en dat daarna nog een vervolgingsbeslissing zou volgen, anders dan, zo begrijpt het Hof de vervolgingsbeslissing terzake de verdenking van belastingfraude. In 2019 is het onderzoek verder gegaan onder de naam Hercules.
voorafgaandaan deze situatie afgelegde verklaringen onbetrouwbaar zouden zijn, is niet nader onderbouwd, in tegendeel. De verdediging heeft bij pleidooi (onder punt 54) aangegeven dat er geen bewijs is dat de verklaringen van [medepleger] voorafgaand aan de vermeende afdreiging leugenachtig waren. Het Hof ziet voor onbetrouwbaarheid van de eerdere verklaringen van [medepleger] (waaronder de verklaring afgelegd in 2018) ook geen grond. Het Hof heeft de verklaringen gewogen in het licht van hetgeen overigens in het dossier aanwezig is.
indien uit dat gebruik enig nadeel kan ontstaan, wordt gestraft etc... Dat betekent dat als de overeenkomst voor die datum tot stand is gekomen, ook beoordeeld dient te worden of uit gebruik van de overeenkomst enig nadeel kon ontstaan.
kanontstaan. Zoals hiervoor overwogen door het Hof strookt de inhoud van de overeenkomst niet met de werkelijkheid. [betrokkene] was in werkelijkheid niet de begunstigde van het ‘uitgeleende’ bedrag. Alleen al hierdoor kon bij gebruikmaking van de valse overeenkomst aldus nadeel ontstaan. Het Hof is voorts van oordeel dat het voorspiegelen van een onjuiste gang van zaken in een document dat voor bewijs kan dienen, zoals hier is gebeurd, nadelig kan zijn voor het vertrouwen dat kan (en moet kunnen) worden gesteld in overeenkomsten zoals de onderhavige, te meer indien deze is ondertekend door een (destijds) president van een centrale bank, zoals hier aan de orde. Het kan schadelijk zijn voor (het vertrouwen in) de integriteit van het betalingsverkeer.
Getuigenverzoeken
[zaaksofficier] [(hierna: zaaksofficier)], de zaaksofficier van justitie in het onderzoek Hercules teneinde helderheid te verschaffen over:
[bankdirecteur] en de TBO rechercheur 16052.
Getuigenverzoeken
[zaaksofficier]
[bankdirecteur] en de TBO rechercheur 16052
Beslissing
gevangenisstrafvoor de
6 (zes) maanden.