ECLI:NL:OGHACMB:2026:53

Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba

Datum uitspraak
18 maart 2026
Publicatiedatum
23 maart 2026
Zaaknummer
SXM2023H00180
Instantie
Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36 LtbzArt. 20 lid 2 sub f LtbzArt. 20 lid 3 LtbzArt. 20 lid 6 LtbzArt. 20 lid 7 Ltbz
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzet tegen te hoog geheven griffierecht in hoger beroep bij nalatenschapsvordering

In deze zaak heeft [Verzoeker] hoger beroep ingesteld tegen een vonnis van het Gerecht in eerste aanleg van Sint Maarten, waarbij hij als een van negen gedaagden betrokken is in een nalatenschapsprocedure. Bij het indienen van de memorie van grieven werd een griffierecht van NAf 15.000,- in rekening gebracht, waartegen [Verzoeker] verzet heeft aangetekend op grond van artikel 36 van Pro het Landsbesluit tarieven in burgerlijke zaken (Ltbz).

Het geschil betrof de wijze van berekening van het griffierecht, waarbij de griffier de waarde van alle vorderingen tegen alle gedaagden had opgeteld, terwijl volgens [Verzoeker] alleen de waarde van de vordering tegen hemzelf in aanmerking moest worden genomen. Tijdens de mondelinge behandeling, waarbij de griffier niet verscheen, heeft het Hof overwogen dat het direct geldelijk belang moet worden bepaald aan de hand van de vordering tegen de appellant zelf.

Het Hof stelde vast dat de waarde van de percelen waarop de vordering tegen [Verzoeker] betrekking heeft, USD 96.246,90 bedraagt. Op basis hiervan werd het griffierecht berekend op Cg 3.460,-, waardoor het teveel betaalde griffierecht van Cg 11.540,- aan [Verzoeker] moet worden terugbetaald. Het verzet werd derhalve gegrond verklaard en de griffier werd opgedragen het teveel betaalde bedrag te restitueren.

Uitkomst: Het verzet tegen het te hoog geheven griffierecht wordt gegrond verklaard en restitutie van het teveel betaalde bedrag gelast.

Uitspraak

GEMEENSCHAPPELIJK HOF VAN JUSTITIE
van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en
van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
B E S C H I K K I N G op een verzoek ex art. 36 Ltbz Pro (verzet tegen griffierecht)
in de zaak van:
[VERZOEKER],
wonend te Sint Maarten,
verzoeker,
hierna te noemen: [Verzoeker],
gemachtigde: mr. J.G. Snow,
tegen
DE GRIFFIER VAN HET GEMEENSCHAPPELIJK HOF VAN JUSTITIE VAN ARUBA, CURAÇAO, SINT MAARTEN EN VAN BONAIRE, SINT EUSTATIUS EN SABA,
verweerder,
hierna: de griffier.

1.Het verloop van de procedure

1.1
Bij akte van appel van 17 augustus 2023 is [Verzoeker] in hoger beroep gekomen tegen het vonnis van 17 mei 2022 (SXM201900009) van het Gerecht in eerste aanleg van Sint Maarten (hierna: het bestreden vonnis), in een zaak tussen hem als één van negen gedaagden en [de Vereffenaar] als eiser (hierna: [de Vereffenaar]), in diens hoedanigheid van vereffenaar van de nalatenschappen van [namen erflaters] (hierna: de nalatenschappen).
1.2
Bij indiening van de memorie van grieven op 28 september 2023 heeft de griffier aan de gemachtigde van [Verzoeker] voor het hoger beroep een griffierecht in rekening gebracht van NAf 15.000,-.
1.3
Op 28 september 2023 heeft mr. Snow namens [Verzoeker] tijdig een verzetschrift ex art. 36 Landsbesluit Pro tarieven in burgerlijke zaken (hierna: Ltbz) ingediend en namens [Verzoeker] bezwaar gemaakt tegen de hoogte van het griffierecht.
1.4
De griffier heeft geen verweerschrift ingediend.
1.5
Op 16 december 2025 heeft de mondelinge behandeling van dit verzet plaatsgevonden in het gerechtsgebouw in Curaçao, waarbij de zoon van [Verzoeker], bijgestaan door diens gemachtigde, via videoverbinding is verschenen. De gemachtigde heeft het woord gevoerd aan de hand van een nadien aan het Hof ge-e-mailde pleitnota. De Griffier is, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet verschenen.
1.6
Beschikking is nader bepaald op heden.

2.De beoordeling van het verzet

2.1
Het gaat in deze zaak om de bepaling van het “direct geldelijk belang” in de zin van art. 20 lid 3 Ltbz Pro.
2.2 [
[Verzoeker] heeft zijn bezwaar tegen de hoogte van het geheven griffierecht als volgt toegelicht. Bij het bepalen van de hoogte van het griffierecht in hoger beroep heeft de griffier de waarde van alle vorderingen die [de Vereffenaar] heeft ingesteld tegen de negen gedaagden bij elkaar opgeteld en aan de hand daarvan het bijbehorende griffierecht geheven. Volgens [Verzoeker] dient er echter gekeken te worden naar het gedeelte van de vordering dat hem treft, zodat de vorderingen tegen de overige gedaagden bij de berekening van het griffierecht niet mochten worden meegeteld.
2.3
Het Hof is van oordeel dat het verzet gegrond is en overweegt daartoe als volgt.
2.4
De vorderingen van [de Vereffenaar] tegen de negen gedaagden hadden – kort gezegd – ten doel om verscheidene percelen die onrechtmatig aan de nalatenschap waren onttrokken, onder meer door de rechtsvoorganger(s) van [Verzoeker], daar weer in terug te brengen, althans de waarde van die percelen te vergoeden aan de nalatenschap.
2.5
In hoger beroep moet zelfstandig worden beoordeeld wat de hoogte van het griffierecht moet zijn (zie art. 121a Procesreglement 2023 en vgl. Gemeenschappelijk Hof 17 maart 2020, ECLI:NL:OGHACMB:2020:41).
2.6
De keuze van [de Vereffenaar] om verschillende rechtsvorderingen tegen verschillende gedaagden in één procedure aan de rechter voor te leggen, betekent in geval van hoger beroep van één van de gedaagden niet dat – voor het bepalen van het voor die gedaagde als appellant geldende griffierecht – de tegen deze alle gedaagden ingestelde vorderingen mogen worden opgeteld. Het hoger beroep stelt immers alleen de toewijzing van de vordering tegen die ene gedaagde aan de orde.
2.7
Uit rechtsoverwegingen 3.1.13 en 3.1.14 van het bestreden vonnis blijkt dat de waarde van de twee percelen waarop de vordering tegen [Verzoeker] betrekking heeft, moet worden geschat op USD 48.123,45 per perceel. Aldus moet het direct geldelijk belang worden gewaardeerd op een bedrag van USD 96.246,90 (2 x USD 48.123,45). Ingevolge artikel 20 lid 2 sub f juncto Pro artikel 20 lid 7 van Pro het Landsbesluit tarieven in burgerlijke zaken luidt de berekening van het verschuldigde griffierecht als volgt. USD 96.246,90 x 1% = USD 962,47. Tweemaal USD 962,47 = USD 1.924,94, hetgeen overeenkomt met Cg 3.464,89 (1924,94 x 1,8). Ingevolge art. 20 lid 6 Lbtz Pro wordt dit afgerond op Cg 3.460,-. [Verzoeker] maakt dus terecht aanspraak op terugbetaling van Cg 11.540,- aan te veel betaald griffierecht (Cg 15.000 minus Cg 3.460).
B E S L I S S I N G
Het Hof:
- verklaart het verzet gegrond;
- draagt de griffier op Cg 11.540,- aan [Verzoeker] te restitueren.
Deze beschikking is gegeven door mrs. E.M. van der Bunt, G.C.C. Lewin en E.W.A. Vonk, leden van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba en ter openbare terechtzitting van het Hof in Sint Maarten uitgesproken op 18 maart 2026 in tegenwoordigheid van de griffier.