Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:OGHACMB:2026:69

Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba

Datum uitspraak
15 april 2026
Publicatiedatum
16 april 2026
Zaaknummer
CUR2026H00021
Instantie
Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 76 LarArt. 79 LarArt. 80 Lar
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep niet-ontvankelijk wegens te late indiening in socialezekerheidszaak

Appellante heeft tegen een uitspraak van het Gerecht in eerste aanleg van Curaçao hoger beroep ingesteld in een zaak over de weigering van de Sociale Verzekeringsbank (SVB) om tegemoetkomingen toe te kennen op grond van de Landsverordening Ongevallenverzekering.

De SVB had eerder bepaald dat appellante geen recht had op deze tegemoetkomingen. Het Gerecht had het beroep van appellante gegrond verklaard en de beschikking vernietigd, maar de rechtsgevolgen daarvan in stand gelaten. Appellante stelde vervolgens hoger beroep in, maar deed dit op 22 januari 2026, een dag na het verstrijken van de wettelijke termijn.

Het Hof gaf appellante de gelegenheid om binnen vier weken een reden te geven voor de overschrijding, maar zij reageerde niet. Op grond van de toepasselijke artikelen van de Landsverordening administratieve rechtspraak (Lar) verklaarde het Hof het hoger beroep niet-ontvankelijk. De SVB hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Uitkomst: Het hoger beroep is niet-ontvankelijk verklaard wegens te late indiening zonder geldige reden.

Uitspraak

CUR2026H00021
Datum uitspraak: 15 april 2026
gemeenschappelijk hof van jusTitie
van aruba, CURAÇAO, SINT MAARTEN
EN VAN BONAIRE, SINT EUSTATIUS EN SABA
Uitspraak van de voorzitter van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba, na vereenvoudigde behandeling (artikel 79, eerste en vierde lid, van de Landsverordening administratieve rechtspraak, hierna: Lar), op het hoger beroep van:
[naam appellante],
appellante,
tegen de uitspraak van het Gerecht in eerste aanleg van Curaçao (hierna: het Gerecht) van 10 december 2025 in zaak nr. CUR202501494, in het geding tussen:
appellante
en
de Sociale Verzekeringsbank (hierna: de SVB)

Procesverloop

Bij ongedateerde beschikking, door appellante ontvangen in de week van 7 april 2025, heeft de SVB bepaald dat appellante geen recht heeft op tegemoetkomingen op grond van de Landsverordening Ongevallenverzekering.
Bij uitspraak van 10 december 2025 heeft het Gerecht het daartegen door appellante ingestelde beroep gegrond verklaard, de bestreden beschikking vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen daarvan geheel in stand blijven.
Tegen deze uitspraak heeft appellante hoger beroep ingesteld.
Het Hof heeft een behandeling op een zitting achterwege gelaten met toepassing van artikel 79, eerste en vierde lid, van de Lar.

Overwegingen

Appellante heeft op 22 januari 2026 hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van het Gerecht van 10 december 2025. Dat is een dag na het verstrijken van de termijn uit artikel 76 van Pro de Lar. Het Hof heeft appellante op 4 februari 2026 in de gelegenheid gesteld om binnen vier weken een reden te geven voor deze termijnoverschrijding. Appellante heeft daarop niet gereageerd.
Gelet op artikel 76 van Pro de Lar, gelezen in samenhang met artikel 79, eerste en vierde lid, van de Lar ziet de voorzitter van het Hof hierin aanleiding om het hoger beroep niet-ontvankelijk te verklaren.
Het hoger beroep is niet-ontvankelijk. De SVB hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Beslissing

De voorzitter van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba:

verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk.

Aldus vastgesteld door mr. B.J. van Ettekoven, in tegenwoordigheid van mr. M. Buntjer, griffier.
w.g. Van Ettekoven
voorzitter
w.g. Buntjer
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 15 april 2026.
Partijen worden conform artikel 79, tweede lid, van de Lar, in verbinding met artikel 80, eerste lid, van de Lar, er op gewezen dat zij binnen twee weken na de dag van verzending van deze uitspraak daartegen schriftelijk verzet kunnen doen bij het Hof.