ECLI:NL:OGHNAA:2001:1

Gemeenschappelijk Hof van Justitie van de Nederlandse Antillen en Aruba

Datum uitspraak
24 april 2001
Publicatiedatum
6 april 2023
Zaaknummer
H055-2001
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Mezas
  • De Boer
  • Saleh
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1613x lid 2 BWLandsverordening Materieel Ambtenarenrecht artikel 25Landsverordening van 23 december 1997, overgangsartikel 124aLandsbesluit 16 juni 1971 no. 9 no. 840/PZLandsbesluit 28 september 2000 no. 3 no. 3880/PZ’00
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep over stopzetting persoonlijke toelage werknemer bij overheid

De werknemer, in dienst van de overheid van de Nederlandse Antillen, ging in hoger beroep tegen het vonnis dat zijn vordering tot betaling van een persoonlijke toelage afwees. De toelage was door het Land per 1 november 1999 beëindigd, terwijl de werknemer stelde dat deze onterecht was stopgezet.

In eerste aanleg was vastgesteld dat de toelage aanvankelijk gebaseerd was op artikel 25 van Pro de Landsverordening Materieel Ambtenarenrecht (LMA), maar dat dit artikel per 1 januari 1998 niet meer van toepassing was. Het Land stelde in hoger beroep dat de toelage gebaseerd was op een landsbesluit uit 1971 en erkende niet dat er nog een vordering bestond. De werknemer overhandigde een landsbesluit uit 2000 waarin de toelage werd toegekend.

Het hof stelde vast dat geen rechtvaardiging bestond voor de stopzetting van de toelage per 1 november 1999 en kende de werknemer de achterstallige bedragen toe, inclusief een bedrag aan te weinig ontvangen salaris en honorering. De gevorderde vertragingsrente van 50% werd afgewezen omdat de bepalingen van Boek 7A niet van toepassing waren op personen in overheidsdienst. Het hof veroordeelde het Land tot betaling van Naf 47.534,80 vermeerderd met wettelijke rente vanaf 14 augustus 2000 en in de kosten van het hoger beroep.

Uitkomst: Het hof veroordeelt het Land tot betaling van Naf 47.534,80 achterstallige honorering met wettelijke rente vanaf 14 augustus 2000.

Uitspraak

BURGERLIJKE ZAKEN 2001 VONNIS NO.
Registratienrs. AR 921/00 – H. 55/01
Uitspraak: 24 april 2001
VONNIS GEWEZEN DOOR HET GEMEENSCHAPPELIJK HOF VAN JUSTITIE VAN DE NEDERLANDSE ANTILLEN EN ARUBA
In de zaak van:
[DE WERKNEMER],
wonende op Curaçao,
oorspronkelijk eiser, thans appellant,
gemachtigde: mr. A.F.M. Torres
tegen
de openbare rechtspersoon DE NEDERLANDSE ANTILLEN,
zetelend op Curaçao,
oorspronkelijk gedaagde, thans geïntimeerde,
gemachtigde: mr. N.O. Rouse.
Partijen worden hierna aangeduid met [de werknemer] en het Land.

1.Het verloop van de procedure

1.1.
Voor hetgeen in eerste aanleg is gesteld en gevorderd, voor de procesgang aldaar en voor de overwegingen en beslissingen van het Gerecht in eerste aanleg, zittingsplaats Curaçao (GEA), wordt verwezen naar het tussen partijen in de zaak met AR nummer 921 van 2000 gewezen en op 16 oktober 2000 uitgesproken vonnis. De inhoud van dat vonnis geldt als hier ingevoegd.
1.2. [
[de werknemer] is bij appèlakte van 14 november 2000 in hoger beroep gekomen van voornoemd vonnis. In een daarvan deeluitmakende memorie van grieven en conclusie tot wijziging van eis heeft [de werknemer] een grief aangevoerd en toegelicht, zijn vordering gewijzigd en geconcludeerd dat het Hof het bestreden vonnis zal vernietigen voor zover het betreft de afwijzing van de vordering voor het overige en zijn gewijzigde vordering zal toewijzen, met veroordeling van het Land in de kosten van het geding in hoger beroep.
1.3.
Het Land heeft het appèl in een memorie van antwoord bestreden en geconcludeerd dat het Hof het bestreden vonnis zal bevestigen, althans [de werknemer] niet-ontvankelijk zal verklaren.
1.4.
Op de voor pleidooi bepaalde dag hebben de gemachtigden van beide partijen pleitnotities overgelegd. Vervolgens hebben partijen om vonnis gevraagd waarvan de uitspraak is bepaald op heden.

2.De grieven

Voor de grief wordt verwezen naar de memorie van grieven.

3.Waarvan in hoger beroep wordt uitgegaan

Het GEA heeft onder 1 van het vonnis feiten vastgesteld. De juistheid van die feiten is niet in geding en zij dienen deswege ook het Hof tot uitgangspunt.

4.Beoordeling

4.1.
Het Land heeft zich niet verzet tegen de wijziging van eis, zodat het Hof de gewijzigde vordering tot uitgangspunt neemt.
4.2. [
de werknemer] ontving naast zijn bezoldiging een persoonlijke toelage, maar deze is door het Land per 1 november 1999 beëindigd. De zijdens het Land in eerste aanleg genomen antwoordakte tot wijziging van eis tevens conclusie van antwoord, onder 2.2, kan niet anders worden verstaan dan dat deze toelage volgens het Land gebaseerd was op artikel 25 van Pro de Landsverordening Materieel Ambtenarenrecht. Te zelfder plaatse stelde het Land dat dit artikel 25 LMA Pro per 1 januari 1998 voor [de werknemer] niet meer van kracht was (wegens het nieuwe overgangsartikel 124a, ingevoegd bij Landsverordening van 23 december 1997, P.B. 1997, no.310), maar dat betaling onverplicht werd gehandhaafd. Kennelijk bedoelde het Land: voor [de werknemer] onverplicht gehandhaafd tot 1 november 1999.
4.3
In hoger beroep is het Land hierop teruggekomen. De toelage zou, blijkens de memorie van antwoord, onder 3, niet gebaseerd zijn op artikel 25 LMA Pro, maar op een landsbesluit van 16 juni 1971, no. 9. no. 840/PZ. Het zou gaan om een aanvullende uitkering aan laboratoriumspecialisten die geen particuliere praktijk uitoefenen. Verder wordt onder 4 van deze memorie erkend noch ontkend dat [de werknemer] nog iets te vorderen heeft van het Land.
4.4 [
de werknemer] heeft in hoger beroep overgelegd een landsbesluit van 28 september 2000, no. 3, no. 3880/PZ’00, waarin per 1 januari 1998 de toelage (van Naf 4.504,-) aan hem wordt toegekend. Door [de werknemer] is in zijn memorie van grieven onweersproken gesteld dat de toelage ten aanzien van andere laboratoriumspecialisten is gecontinueerd na 1 november 1999. Vast staat voorts dat aan [de werknemer] met ingang van 3 september 1998 een honorering toekwam overeenkomende met zijn salariëring tot dat moment.
4.5.
Er is, gelet op het voorgaande, in deze procedure geen rechtvaardiging gebleken voor de stopzetting van de persoonlijke toelage van [de werknemer] per 1 november 1999. [de werknemer]’s vordering van Naf 45.040, zijnde 10 maanden à Naf 4.504,- is derhalve toewijsbaar.
4.6. [
de werknemer] vordert bovendien, zonder bestrijding door het Land, over de periode van 1 november 1999 tot en met 31 augustus 2000 een bedrag van Naf 218,- per maand aan te weinig ontvangen salaris en over 1 en 2 september 2000 een bedrag van Naf 314,80 aan te weinig ontvangen honorering. Ook deze bedragen zijn derhalve toewijsbaar.
4.7.
Totaal komt derhalve aan [de werknemer] toe: Naf 45.040,- + Naf 2.180,- + Naf 314,80 = Naf
47.534,80 aan te weinig betaalde honorering.
4.8.
Ingevolge artikel 1613x lid 2 van het Burgerlijk Wetboek zijn de bepalingen van de Zevende Titel A van Boek 7A van dat wetboek niet van toepassing ten aanzien van personen in dienst van de overheid, tenzij zij door partijen of bij algemene verordening van toepassing zijn verklaard. Een vantoepassingverklaring is niet gebleken, zodat de gevorderde vertragingsrente van 50% niet toewijsbaar is.
4.9.
De wettelijke rente zal in dit geval worden toegekend vanaf de datum van de akte tot wijziging van eis in eerste aanleg.
4.9.
Het Land, zijnde overwegend in het ongelijk gesteld, draagt de kosten van dit hoger beroep.

5.Beslissing

Het Hof:
- vernietigt het bestreden vonnis voor zover de vordering voor het overige is afgewezen; en opnieuw rechtdoende:
- veroordeelt het Land tot betaling aan [de werknemer] van Naf 47.534,80, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 14 augustus 2000;
- bevestigt het bestreden vonnis voor het overige;
- wijst af het meer of anders gevorderde;
- veroordeelt het Land in de kosten van het hoger beroep, tot op heden aan de zijde van [de werknemer] begroot op Nafl. 5.100,- aan salaris van de gemachtigde en Nafl. 1.656,50 aan verschotten.
Dit vonnis is gewezen door mrs. Mezas, De Boer en Saleh, leden van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van de Nederlandse Antillen en Aruba en uitgesproken ter openbare terechtzitting op Curaçao van 24 april 2001 in aanwezigheid van de griffier.