Uitspraak
1.Het verloop van de procedure
2.De grieven
3.Waarvan in hoger beroep wordt uitgegaan
4.Beoordeling
47.534,80 aan te weinig betaalde honorering.
Gemeenschappelijk Hof van Justitie van de Nederlandse Antillen en Aruba
De werknemer, in dienst van de overheid van de Nederlandse Antillen, ging in hoger beroep tegen het vonnis dat zijn vordering tot betaling van een persoonlijke toelage afwees. De toelage was door het Land per 1 november 1999 beëindigd, terwijl de werknemer stelde dat deze onterecht was stopgezet.
In eerste aanleg was vastgesteld dat de toelage aanvankelijk gebaseerd was op artikel 25 van Pro de Landsverordening Materieel Ambtenarenrecht (LMA), maar dat dit artikel per 1 januari 1998 niet meer van toepassing was. Het Land stelde in hoger beroep dat de toelage gebaseerd was op een landsbesluit uit 1971 en erkende niet dat er nog een vordering bestond. De werknemer overhandigde een landsbesluit uit 2000 waarin de toelage werd toegekend.
Het hof stelde vast dat geen rechtvaardiging bestond voor de stopzetting van de toelage per 1 november 1999 en kende de werknemer de achterstallige bedragen toe, inclusief een bedrag aan te weinig ontvangen salaris en honorering. De gevorderde vertragingsrente van 50% werd afgewezen omdat de bepalingen van Boek 7A niet van toepassing waren op personen in overheidsdienst. Het hof veroordeelde het Land tot betaling van Naf 47.534,80 vermeerderd met wettelijke rente vanaf 14 augustus 2000 en in de kosten van het hoger beroep.
Uitkomst: Het hof veroordeelt het Land tot betaling van Naf 47.534,80 achterstallige honorering met wettelijke rente vanaf 14 augustus 2000.