ECLI:NL:OGHNAA:2004:BF3203

Gemeenschappelijk Hof van Justitie van de Nederlandse Antillen en Aruba

Datum uitspraak
10 mei 2004
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
2 HLAR 05/03
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 LARArt. 7 LARArtikel 2 Vestigingsregeling voor bedrijven
Verwijzingen
1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep inzake vergunningaanvraag begrafenisonderneming en crematorium op Sint Maarten

Appellante, Southern Funeral Services & Crematory N.V., vroeg een vergunning aan voor het vestigen en drijven van een begrafenisonderneming/crematorium op Sint Maarten. Het Bestuurscollege reageerde met een brief waarin werd meegedeeld dat een commissie zou worden ingesteld om te adviseren over de oprichting van een crematorium en dat een gemotiveerde beslissing op het verzoek zou volgen. Tevens werd vermeld dat op de aangevraagde locatie geen vergunning zou worden verleend vanwege verkeersopstoppingen.

Het Gerecht in eerste aanleg verklaarde het beroep van appellante niet-ontvankelijk, omdat de brief geen beschikking zou zijn. Appellante stelde hoger beroep in tegen deze uitspraak. Het Hof overwoog dat de brief van het Bestuurscollege geen beschikking is in de zin van de Landsverordening administratieve rechtspraak (LAR), omdat het slechts informatie verstrekt over een nog te nemen besluit en niet op voorhand de vergunning weigert.

Daarom was het Gerecht in eerste aanleg onbevoegd om kennis te nemen van het beroep. Het Hof verklaarde het hoger beroep gegrond, vernietigde de uitspraak van het Gerecht en verklaarde het Gerecht onbevoegd. Tevens werd het betaalde griffierecht aan appellante terugbetaald. Een proceskostenveroordeling werd niet opgelegd.

Uitkomst: Het Hof verklaart het Gerecht onbevoegd en vernietigt de uitspraak, omdat de brief van het Bestuurscollege geen beschikking is.

Uitspraak

2 HLAR 05/03.
Datum uitspraak: 10 mei 2004
GEMEENSCHAPPELIJK HOF VAN JUSTITIE
VAN DE NEDERLANDSE ANTILLEN EN ARUBA
Uitspraak op het hoger beroep van:
de naamloze vennootschap “Southern Funeral Services & Crematory N.V.”, gevestigd op Sint Maarten,
appellante,
tegen de uitspraak van het Gerecht in eerste aanleg van de Nederlandse Antillen, zittingsplaats Sint Maarten, van 21 november 2002 in het geding tussen:
appellante
en
het Bestuurscollege van het Eilandgebied Sint Maarten.
1. Procesverloop
Bij brief van 2 augustus 2002 heeft het Bestuurscollege van het Eilandgebied Sint Maarten (hierna: het Bestuurscollege) aan appellante bericht, als hierna vermeld.
Bij uitspraak van 21 november 2002 heeft het Gerecht in eerste aanleg van de Nederlandse Antillen, zittingsplaats Sint Maarten (hierna: het Gerecht), het daartegen door appellante ingestelde beroep niet-ontvankelijk verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft appellante bij brief van 22 december 2002, bij het Gerecht ingekomen op 23 december 2002, hoger beroep ingesteld bij het Hof.
Bij brief van 1 juli 2003 heeft het Bestuurscollege van antwoord gediend.
Het Hof heeft de zaak ter zitting behandeld op 22 maart 2004, waar appellante, vertegenwoordigd door mr. R.E. Duncan, advocaat, en het Bestuurscollege, vertegenwoordigd door mr. R.F. Gibson jr, advocaat, zijn verschenen.
2. Overwegingen
2.1. Ambtshalve overweegt het Hof als volgt.
Ingevolge artikel 3, eerste lid, van de Landsverordening administratieve rechtspraak (hierna te noemen: de LAR) wordt in deze landsverordening en de daarop berustende bepalingen onder beschikking verstaan: een schriftelijk besluit van een bestuursorgaan inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling die niet van algemene strekking is.
Ingevolge artikel 7, eerste lid, kunnen natuurlijke personen of rechtspersonen, die door een beschikking rechtstreeks in hun belang zijn getroffen, daartegen beroep instellen bij het Gerecht.
2.1.1. Ingevolge artikel 2 van Pro de Vestigingsregeling voor bedrijven is het voorzover thans van belang - verboden een zaak te vestigen en te drijven of te doen drijven zonder een daartoe strekkende vergunning van het Bestuurscollege.
2.2. Appellante heeft het Bestuurscollege bij brief van 27 februari 2002 gevraagd haar vergunning te verlenen voor het vestigen en drijven van een begrafenisonderneming/crematorium aan de [locatie] te [plaats]. Bij brief van 2 augustus 2002 heeft het Bestuurscollege aan appellante meegedeeld dat – kort samengevat – een commissie zal worden ingesteld om te adviseren over de mogelijkheden voor oprichting van een crematorium op Sint Maarten en dat het Bestuurscollege op basis van dat advies een gemotiveerde beslissing op het verzoek zal nemen. Tot slot heeft het Bestuurscollege opgemerkt dat een vergunning voor een begrafenisonderneming/crematorium op de in het verzoek vermelde locatie niet zal worden verleend, vanwege de te verwachten verkeersopstoppingen in het desbetreffende gebied.
Deze brief behelst geen beschikking. Daarin wordt slechts informatie verstrekt omtrent een nog te nemen besluit op de ingediende vergunningaanvraag. Zij strekt niet tot het – op voorhand – weigeren van de verzochte vergunning.
De conclusie is dat tegen genoemde brief geen beroep krachtens artikel 7, eerste lid, van de LAR kon worden ingesteld. Dat kon ook anderszins niet.
2.3. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen het Gerecht had behoren te doen, zal het Hof het Gerecht onbevoegd verklaren van het beroep kennis te nemen.
2.4. Gezien het voorgaande, behoeft hetgeen appellante heeft aangevoerd geen bespreking.
2.5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
3. Beslissing
Het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van de Nederlandse Antillen en Aruba
Recht doende in naam der Koningin:
I. verklaart het hoger beroep gegrond;
II. vernietigt de uitspraak van het Gerecht in eerste aanleg van de Nederlandse Antillen, zittingsplaats Sint Maarten, van 21 november 2002 in zaak nr. LAR 2002/23;
III. verklaart het Gerecht onbevoegd om van het in die zaak ingestelde beroep kennis te nemen;
IV. verstaat dat de griffier aan appellante het door haar voor de behandeling van het hoger beroep betaalde griffierecht ten bedrage van Naf 300,00 (zegge: driehonderd gulden) terugbetaalt.
Aldus vastgesteld door mr. W.P.M. ter Berg, Voorzitter, en mr. R.W.L. Loeb en mr. A.W.M. Bijloos, Leden, in tegenwoordigheid van mr. H.H.C. Visser, griffier.
w.g. Ter Berg w.g. Visser
Voorzitter griffier
Uitgesproken in het openbaar op 10 mei 2004.
Verzonden:
Voor eensluidend afschrift,
de griffier,
voor deze,