ECLI:NL:OGHNAA:2004:BF3261

Gemeenschappelijk Hof van Justitie van de Nederlandse Antillen en Aruba

Datum uitspraak
10 mei 2004
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
18 HLAR 10/03
Instantie
Gemeenschappelijk Hof van Justitie van de Nederlandse Antillen en Aruba
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 29 Bouw- en Woningverordening 1935Art. 55 LARArt. 59 Bouw- en Woningverordening 1935Artikel LXVI Invoeringslandsverordening administratieve rechtspraakArtikel LXVIII Invoeringslandsverordening administratieve rechtspraak
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging afwijzing beroep tegen intrekking bouwvergunning voor restaurant

Op 3 september 2001 verleende het Bestuurscollege van het Eilandgebied Curaçao een bouwvergunning voor de bouw van een restaurant. Appellante verzocht op 11 september 2001 om intrekking van deze vergunning, maar dit verzoek werd afgewezen op 28 augustus 2002. Appellante stelde beroep in bij het Gerecht in eerste aanleg, dat dit beroep op 12 juni 2003 ongegrond verklaarde. Vervolgens stelde zij hoger beroep in bij het Gemeenschappelijk Hof.

Het Hof overwoog dat het verzoek tot intrekking geen bezwaar was als bedoeld in artikel 55 van Pro de LAR, omdat deze landsverordening toen nog niet van kracht was. Op dat moment stond beroep open bij de Eilandsraad op grond van artikel 59 van Pro de Bouw- en Woningverordening 1935. Verder stelde het Hof vast dat de wettelijke gronden voor intrekking van de bouwvergunning, zoals genoemd in artikel 29 van Pro de Bouw- en Woningverordening 1935, niet waren aangetoond.

Daarom werd het beroep van appellante ongegrond verklaard en de beschikking van 28 augustus 2002 bevestigd. Er werd geen aanleiding gezien voor een proceskostenveroordeling. De uitspraak werd op 10 mei 2004 openbaar uitgesproken door het Hof te Curaçao.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de afwijzing van het verzoek tot intrekking van de bouwvergunning wordt bevestigd.

Uitspraak

18 HLAR 10/03.
Datum uitspraak: 10 mei 2004
GEMEENSCHAPPELIJK HOF VAN JUSTITIE
VAN DE NEDERLANDSE ANTILLEN EN ARUBA
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellante], wonend op Curaçao,
appellante,
tegen de uitspraak van het Gerecht in eerste aanleg van de Nederlandse Antillen, zittingsplaats Curaçao, van 12 juni 2003 in het geding tussen:
appellante
en
het Bestuurscollege van het Eilandgebied Curaçao.
1. Procesverloop
Op 3 september 2001 heeft het Bestuurscollege van het Eilandgebied Curaçao (hierna: het Bestuurscollege) aan [belanghebbende] bouwvergunning verleend voor de bouw van een restaurant te [locatie].
Bij beschikking van 28 augustus 2002 heeft het Bestuurscollege een verzoek van appellante om deze vergunning in te trekken afgewezen.
Bij uitspraak van 12 juni 2003 heeft het Gerecht in eerste aanleg van de Nederlandse Antillen, zittingsplaats Curaçao (hierna: het Gerecht), het daartegen door appellante ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft appellante bij brief van 24 juli 2003, bij het Gerecht ingekomen op dezelfde dag, hoger beroep ingesteld bij het Hof.
Bij brief van 6 november 2003 heeft het Bestuurscollege van antwoord gediend.
Het Hof heeft de zaak ter zitting behandeld op 24 maart 2004, waar appellante, in persoon, bijgestaan door M.E.A. Cicilia, en het Bestuurscollege, vertegenwoordigd door mr. G. Montaña-Hollander, zijn verschenen. [Belanghebbende] is daar niet verschenen.
2. Overwegingen
2.1. Ambtshalve overweegt het Hof als volgt.
Ingevolge artikel LXVI van de Invoeringslandsverordening administratieve rechtspraak (hierna te noemen: de IAR) zijn deze landsverordening en de Landsverordening administratieve rechtspraak (hierna te noemen: de LAR) niet van toepassing op besluiten van bestuursorganen die zijn genomen, voorafgaande aan de dag van inwerkingtreding van deze landsverordening.
Ingevolge artikel LXVIII van de IAR treden deze landsverordening en de LAR in werking met ingang van 1 december 2001.
2.2. Bij brief van 11 september 2001 heeft appellante het Bestuurscollege gevraagd de op 3 september 2001 aan [belanghebbende] verleende bouwvergunning in te trekken. Deze brief was geen bezwaarschrift, als bedoeld in artikel 55 van Pro de LAR, omdat de LAR in september 2001 nog niet in werking was getreden. Tegen de verlening van een bouwvergunning stond op dat moment ingevolge artikel 59 van Pro de Bouw- en Woningverordening 1935 beroep open op de Eilandsraad.
De afwijzing van 28 augustus 2002 kan dan ook niet worden aangemerkt als beslissing na een heroverweging van de verlening van de bouwvergunning.
2.3. Ingevolge artikel 29 van Pro de Bouw- en Woningverordening 1935 kan het Bestuurscollege een verleende bouwvergunning bij een met redenen omklede beslissing intrekken, indien:
a. binnen een jaar na de dag waarop de bouwvergunning is verleend, met het werk nog geen begin is gemaakt of wanneer het werk gedurende een jaar is gestaakt;
b. bij het verrichten van het werk waarop de bouwvergunning betrekking heeft, wordt afgeweken van de voorschriften, gesteld bij of krachtens deze verordening.
2.3.1. Gesteld noch gebleken is dat zich een of meer van deze omstandigheden ten tijde van de beschikking van 28 augustus 2002 voordeed. De conclusie is dat het Bestuurscollege zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat het de verleende bouwvergunning niet kon intrekken.
Het Gerecht heeft het beroep terecht, zij het niet op juiste gronden, ongegrond verklaard.
2.4. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient, zij het met verbetering van de gronden waarop deze rust, te worden bevestigd, voorzover daarbij is beslist op het beroep van appellante tegen de beschikking van 28 augustus 2002.
2.5. Gezien het voorgaande, behoeft hetgeen appellante heeft aangevoerd geen bespreking.
2.6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
3. Beslissing
Het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van de Nederlandse Antillen en Aruba
Recht doende in naam der Koningin:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. W.P.M. ter Berg, Voorzitter, en mr. R.W.L. Loeb en mr. A.W.M. Bijloos, Leden, in tegenwoordigheid van mr. H.H.C. Visser, griffier.
w.g. Ter Berg, Voorzitter
w.g. Visser, griffier
Uitgesproken in het openbaar op 10 mei 2004.
Verzonden:
Voor eensluidend afschrift,
de griffier,
voor deze,