ECLI:NL:OGHNAA:2005:BF9955
Gemeenschappelijk Hof van Justitie van de Nederlandse Antillen en Aruba
- Hoger beroep
- W.P.M. ter Berg
- R.W.L. Loeb
- M.R. Wijnholt
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering verblijfsvergunning wegens onvoldoende bestaansmiddelen en illegaal verblijf
Appellanten hebben hoger beroep ingesteld tegen de weigering van de Gezaghebber om verblijfsvergunningen te verlenen aan appellante sub 2 en het kind. De Gezaghebber had de vergunningen geweigerd omdat appellante sub 2 niet kon aantonen over voldoende middelen van bestaan te beschikken en omdat zij en het kind zonder toelating in de Nederlandse Antillen verbleven.
Het Gerecht in eerste aanleg verklaarde het beroep van appellant sub 1 niet-ontvankelijk en wees de beroepen van appellante sub 2 en het kind ongegrond. Het Hof bevestigt deze uitspraak en oordeelt dat appellant sub 1 niet als belanghebbende kan worden aangemerkt bij de weigering van verblijfsvergunningen aan de andere appellanten.
Het Hof overweegt dat de weigering geen inmenging vormt in het recht op gezinsleven zoals bedoeld in artikel 8 EVRM Pro, omdat geen verblijfstitel werd ontnomen die het gezinsleven in de Nederlandse Antillen mogelijk maakte. Ook is geen positieve verplichting tot vergunningverlening aanwezig, mede omdat appellante sub 2 en het kind zonder geldige verblijfsvergunning op het eiland verbleven.
De stelling dat klemmende humanitaire redenen bestaan vanwege onvoldoende inkomen van appellant sub 1 in het land van herkomst wordt verworpen. Het Hof acht de weigering passend binnen het beleid en de wettelijke bepalingen en bevestigt het vonnis van het Gerecht. Er is geen aanleiding voor proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het Hof bevestigt de weigering van de verblijfsvergunningen en verklaart het hoger beroep ongegrond.