ECLI:NL:OGHNAA:2005:BF9975

Gemeenschappelijk Hof van Justitie van de Nederlandse Antillen en Aruba

Datum uitspraak
21 november 2005
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
82 HLAR 04/05
Instantie
Gemeenschappelijk Hof van Justitie van de Nederlandse Antillen en Aruba
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7 LAR
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek tot plaatsing op vergunning bij trustkantoor vernietigd wegens rechtstreeks belang

Appellante, werknemer bij Unitrust Management Services N.V., werd door een beschikking van de Bank van de Nederlandse Antillen geweigerd op bijlage B van de vergunning voor trustkantoren geplaatst te worden. Het Gerecht verklaarde haar beroep tegen deze beschikking niet-ontvankelijk omdat zij als werknemer niet als belanghebbende werd gezien.

Het Hof oordeelt echter dat appellante wel rechtstreeks in haar belang is getroffen door de beschikking, aangezien aannemelijk is dat deze aanzienlijke negatieve gevolgen heeft voor haar verdere functioneren in de trustbranche. Dit blijkt mede uit het feit dat Unitrust N.V. het dienstverband met haar heeft opgezegd naar aanleiding van de beschikking.

Daarom vernietigt het Hof de uitspraak van het Gerecht en wijst de zaak terug voor inhoudelijke behandeling. Tevens stelt het Hof de proceskosten in hoger beroep vast en gelast de Bank het betaalde griffierecht aan appellante te vergoeden.

Uitkomst: Het Hof vernietigt de eerdere uitspraak en wijst de zaak terug voor inhoudelijke behandeling omdat appellante rechtstreeks in haar belang is getroffen.

Uitspraak

82 HLAR 04/05
Datum uitspraak: 21 november 2005
GEMEENSCHAPPELIJK HOF VAN JUSTITIE
VAN DE NEDERLANDSE ANTILLEN EN ARUBA
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellante], wonend te [woonplaats],
appellante,
tegen de uitspraak van het Gerecht in eerste aanleg van de Nederlandse Antillen, zittingsplaats Curaçao, van 21 januari 2005 in het geding tussen:
appellante
en
de Bank van de Nederlandse Antillen.
1. Procesverloop
Bij beschikking van 6 augustus 2004 (hierna: de beschikking) heeft de Bank van de Nederlandse Antillen (hierna: de Bank) een verzoek van Unitrust Management Services N.V. (hierna: Unitrust N.V.) om appellante op bijlage B van haar vergunning voor het werkzaam zijn als trustkantoor te mogen plaatsen afgewezen.
Bij uitspraak van 21 januari 2005 heeft het Gerecht het daartegen door appellante ingestelde beroep niet-ontvankelijk verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft appellante bij brief, ingekomen op 22 februari 2005, hoger beroep ingesteld bij het Hof.
Bij brief, ingekomen op 29 maart 2005, heeft de Bank van antwoord gediend.
Het Hof heeft de zaak ter zitting behandeld op 21 september 2005, waar appellante, in persoon en vertegenwoordigd door mr. M.F. Bonapart, advocaat, en de Bank, vertegenwoordigd door mr. L.M. Virginia, advocaat, zijn verschenen.
2. Overwegingen
2.1. Ingevolge artikel 7, eerste lid, van de Landsverordening administratieve rechtspraak (hierna: de LAR) kunnen natuurlijke personen of rechtspersonen, die door een beschikking rechtstreeks in hun belang zijn getroffen, daartegen beroep instellen bij het Gerecht.
2.2. Appellante klaagt dat het Gerecht, door haar beroep niet-ontvankelijk te verklaren, heeft miskend dat zij van voormelde beschikking verstrekkende negatieve gevolgen heeft te duchten voor haar verdere functioneren in de trustbranche in het algemeen.
2.2.1. Dit betoog slaagt. Hoewel appellante als werknemer van Unitrust N.V. niet is aan te merken als belanghebbende bij voormelde beschikking, is zij door die beschikking wel rechtstreeks in haar belang getroffen. Aannemelijk is dat de beschikking, zoals appellante stelt, aanmerkelijke negatieve gevolgen heeft voor haar verdere functioneren in de trustbranche. De omstandigheid dat Unitrust N.V., naar appellante onweersproken heeft gesteld, het dienstverband met haar naar aanleiding van de beschikking heeft opgezegd en zelf niet tegen die beschikking is opgekomen, wijst daarop.
De conclusie is dat het Gerecht het beroep van appellante ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard.
2.3. Het hoger beroep is gegrond. De uitspraak van het Gerecht wordt vernietigd. De zaak wordt naar het Gerecht teruggewezen, om door hem te worden behandeld en beslist met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen.
2.4. Het Hof zal de proceskosten in hoger beroep vaststellen. Het Gerecht dient omtrent de vergoeding van die kosten te beslissen.
3. Beslissing
Het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van de Nederlandse Antillen en Aruba
Recht doende in naam der Koningin:
I. verklaart het hoger beroep gegrond;
II. vernietigt de uitspraak van het Gerecht van 21 januari 2005 in zaak nr. Lar 2004/186;
III. wijst de zaak naar het Gerecht terug;
IV. stelt de door appellante in verband met de behandeling van het hoger beroep gemaakte proceskosten vast op een bedrag van Naf. 1.400,00 (zegge: duizend vierhonderd gulden), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand en bepaalt dat het Gerecht omtrent de vergoeding van deze kosten beslist;
V. gelast dat de Bank aan appellante het door haar voor de behandeling van het hoger beroep betaalde griffierecht ten bedrage van Naf. 300,00 (zegge: driehonderd gulden) vergoedt.
Aldus vastgesteld door mr. W.P.M. ter Berg, Voorzitter, en mr. R.W.L. Loeb en mr. A.W.M. Bijloos, Leden, in tegenwoordigheid van mr. N.M. Martinez, griffier.
w.g. Ter Berg, Voorzitter
w.g. Martinez, griffier
Uitgesproken in het openbaar op 21 november 2005.