AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Afwijzing verzoek tot herziening inzake intrekking zendmachtiging door Minister
Verzoeker heeft bij het Hof een verzoek tot herziening ingediend van een eerdere uitspraak waarbij het hoger beroep van verzoeker tegen een uitspraak van het Gerecht in eerste aanleg gegrond werd verklaard. Het verzoek betrof de intrekking van een zendmachtiging door de Minister van Verkeer en Vervoer.
De verzoeker stelde dat de intrekking onterecht was omdat de zendmachtiging van rechtswege was vervallen en dat hij niet gehoord was voorafgaand aan de intrekking. Het Hof overwoog dat het bijzondere rechtsmiddel van herziening alleen kan worden toegepast op grond van nieuwe feiten of omstandigheden die voorheen niet bekend waren en die tot een andere uitspraak hadden kunnen leiden.
De aangevoerde argumenten van verzoeker betroffen echter geen nieuwe feiten of omstandigheden in de zin van artikel 96, eerste lid, van de Landsverordening administratieve rechtspraak. Het verzoek tot herziening werd daarom als ongegrond afgewezen. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het verzoek tot herziening van de uitspraak wordt afgewezen wegens ontbreken van nieuwe feiten of omstandigheden.
Uitspraak
124 HLAR 44/05
Datum uitspraak: 5 juni 2006
GEMEENSCHAPPELIJK HOF VAN JUSTITIE
VAN DE NEDERLANDSE ANTILLEN EN ARUBA
Uitspraak (artikel 96 vanPro de Landsverordening administratieve rechtspraak) op het verzoek van:
[verzoeker] wonend op [woonplaats],
verzoeker,
om herziening van de uitspraak van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van de Nederlandse Antillen en Aruba van 21 november 2005 in zaak no. 103 HLAR 24/05.
1. Procesverloop
Bij brief, bij het Hof ingekomen op 20 december 2005, heeft verzoeker het Hof verzocht de uitspraak van 21 november 2005 in zaak no. 103 HLAR 24/05, waarbij het hoger beroep van verzoeker tegen een uitspraak van het Gerecht in eerste aanleg van de Nederlandse Antillen, zittingsplaats Curaçao (hierna: het Gerecht), van 8 juni 2005 gegrond is verklaard, te herzien.
Bij brief, ingekomen op 24 februari 2006, heeft de Minister van Verkeer en Vervoer (hierna: de Minister) van antwoord gediend.
Het Hof heeft de zaak ter zitting behandeld op 4 april 2006, waar verzoeker, in persoon, en de Minister, vertegenwoordigd door mr. A.C. Small, advocaat, mr. J. van Schendel, werkzaam bij de Directie Wetgeving en Juridische Zaken, en mr. C. Sandries, werkzaam bij het Bureau Telecommunicatie en Post, zijn verschenen.
2. Overwegingen
2.1. Ingevolge artikel 96, eerste lid, van de Landsverordening administratieve rechtspraak (hierna: Lar) kan op verzoek van een partij herziening van een onherroepelijke uitspraak van het Hof, bedoeld in artikel 78, plaatsvinden op grond van nader gebleken feiten of omstandigheden die hebben plaatsgevonden voor de uitspraak, die de verzoekende partij redelijkerwijs niet bekend konden zijn en die, waren zij eerder bekend geweest, tot een andere uitspraak zouden hebben kunnen leiden.
2.2. Verzoeker betoogt dat de Minister een hem op 17 januari 2000 verleende zendmachtiging bij beschikking van 18 januari 2005 ten onrechte heeft ingetrokken, aangezien die machtiging op 17 januari 2005 wegens het verlopen van de geldigheidsduur ervan van rechtswege was vervallen. Voorts voert hij aan dat de Minister hem, voorafgaande aan het geven van voormelde beschikking, ten onrechte niet op zijn daarbij ongegrond verklaarde bezwaar heeft gehoord.
2.3. Hetgeen verzoeker aldus heeft aangevoerd, zijn geen feiten of omstandigheden, als bedoeld in artikel 96, eerste lid, van de Lar. Het bijzondere rechtsmiddel van herziening strekt er niet toe het debat te heropenen en de juistheid van de uitspraak waarvan herziening wordt verzocht, anders dan naar aanleiding van zodanige feiten en omstandigheden, aan de orde te stellen.
2.4. Het verzoek dient als ongegrond te worden afgewezen.
2.5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
3. Beslissing
Het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van de Nederlandse Antillen en Aruba
Recht doende in naam der Koningin:
wijst het verzoek af.
Aldus vastgesteld door mr. W.P.M. ter Berg, Voorzitter, en mr. R.W.L. Loeb en mr. A.W.M. Bijloos, Leden, in tegenwoordigheid van mr. N.M. Martinez, griffier.