ECLI:NL:OGHNAA:2006:BG1608
Gemeenschappelijk Hof van Justitie van de Nederlandse Antillen en Aruba
- Hoger beroep
- W.P.M. ter Berg
- R.W.L. Loeb
- A.W.M. Bijloos
- Rechtspraak.nl
Bevestiging heffing deviezenprovisie bij betalingen aan het buitenland door Arubaans bedrijf
Appellanten, twee Arubaans gevestigde vennootschappen, werden door de Centrale Bank van Aruba aangeslagen voor deviezenprovisie over betalingen aan het buitenland in het derde kwartaal van 2003. Zij maakten bezwaar tegen deze aanslagen en stelden beroep in bij het Gerecht in eerste aanleg, dat hun beroep grotendeels ongegrond verklaarde. Hiertegen werd hoger beroep ingesteld bij het Gemeenschappelijk Hof.
Het Hof overwoog dat de Landsverordening deviezenprovisie en de daarbij behorende richtlijnen van de Bank rechtsgrond bieden voor de heffing en inning van deviezenprovisie, ook indien buitenlandse bankrekeningen niet zijn aangemeld. Klachten over het taalgebruik van de heffingsnota's en vermeende toezeggingen tot vrijstelling werden verworpen. Eveneens faalden betogen over ongerechtvaardigde ongelijke behandeling en het niet toepassen van het offshore regime.
Het Hof bevestigde dat de Bank bevoegd is om deviezenprovisie met terugwerkende kracht te heffen vanaf de inwerkingtreding van de Landsverordening en dat de compensatieregeling correct werd toegepast. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van het Gerecht bevestigd zonder proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de heffing van deviezenprovisie bevestigd.