ECLI:NL:OGHNAA:2007:BG9156

Gemeenschappelijk Hof van Justitie van de Nederlandse Antillen en Aruba

Datum uitspraak
8 mei 2007
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
KG 403/06 – HAR 65/07
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 263a RvArt. 270 Rv
Verwijzingen
2 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vergunning tussentijds hoger beroep in kort geding toegestaan

Het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van de Nederlandse Antillen en Aruba behandelde een verzoek van Refineria Isla Curaçao S.A. om vergunning te verkrijgen voor tussentijds hoger beroep tegen een tussenvonnis gewezen in kort geding door het Gerecht in eerste aanleg van de Nederlandse Antillen.

Het Hof overwoog dat artikel 263a Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering zich niet verzet tegen tussentijds appel van een tussenvonnis in kort geding, ondanks de aard van kort geding dat doorgaans geen tussenvonnissen met eindbeslissingen kent. In dit geval was er geen zwaarwegend bezwaar tegen het verzoek om vergunning binnen twee weken na het tussenvonnis.

De tegenwerping van Stichting Humanitaire Zorg dat het verzoek niet correct was ingediend werd verworpen. Het Hof stelde dat, mocht Isla zonder vergunning ontvankelijk zijn, vergunning niet nodig is, maar uit voorzorg werd de vergunning toch verleend om een snelle en doelmatige procesgang te waarborgen.

Tot slot bepaalde het Hof dat de termijn voor het indienen van de memorie van antwoord ingaat op de datum van de beschikking, 8 mei 2007.

Uitkomst: Het Hof verleent vergunning voor tussentijds hoger beroep tegen het tussenvonnis in kort geding.

Uitspraak

Registratienummers KG 403/06 – HAR 65/07
Uitspraak: 8 mei 2007
GEMEENSCHAPPELIJK HOF VAN JUSTITIE
VAN DE NEDERLANDSE ANTILLEN EN ARUBA
Beschikking in de zaak van:
de naamloze vennootschap naar Venezolaans recht
REFINERIA ISLA CURAZAO S.A.,
kantoorhoudende op Curaçao,
gemachtigden: mrs. T.L. Claassens, H.J. Breeman, L.M. Virginia en A.A. van Waveren,
tegen
1. de stichting
STICHTING HUMANITAIRE ZORG CURAÇAO,
gevestigd en kantoorhoudende op Curaçao,
2. de stichting
STICHTING SCHOON MILIEU OP CURAÇAO,
gevestigd en kantoorhoudende op Curaçao,
3. [namenlijst van 23 personen]
4.
5.
6.
7.
8.
9.
10.
11.
12.
13.
14.
15.
16.
17.
18.
19.
20.
21.
22.
23.
24.
25.
26.
allen wonende op Curaçao,
27. de naamloze vennootschap
OPUS MARINE SERVICE @ PISCADERABAAI N.V.,
gevestigd en kantoorhoudende op Curaçao,
gemachtigden: mrs. S.A. in ’t Veld , M.W.A. van der Gulik en ir. J. Komdeur.
Partijen worden hierna aangeduid als enerzijds Isla en anderzijds Stichting Humanitaire Zorg e.a.
1. Het verloop van de procedure
1.1. Verwezen wordt naar het onder KG nummer 403 van 2006 in kort geding gewezen en op 2 maart 2007 uitgesproken vonnis en het op 19 maart 2007 uitgesproken herstelvonnis van het Gerecht in eerste aanleg van de Nederlandse Antillen, zittingsplaats Curaçao, (GEA).
1.2. Isla heeft bij een op 15 maart 2007 ter griffie van het GEA ingekomen verzoekschrift (‘Verklaring ex artikel 270 WvRv Pro-NA subsidiair houdende verzoek ex artikel 263a WvRv-NA’) het Hof (subsidiair) verzocht haar vergunning te verlenen om afzonderlijk hoger beroep in te stellen tegen voormeld vonnis.
1.3. Stichting Humanitaire Zorg e.a. hebben een verweerschrift ingediend.
1.4. Op 24 april 2007, de voor behandeling van het verzoek bepaalde dag, hebben de gemachtigden van partijen pleitnotities ingediend; bij die van de zijde van Isla zijn producties gevoegd. Aan partijen is een heden uit te spreken beschikking aangezegd.
2. Beoordeling
2.1. Het Hof stelt voorop dat de wettekst – in het bijzonder de tekst van artikel 263a Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) – zich niet verzet tegen tussentijds appel van een in kort geding gewezen tussenvonnis. De aard van het kort geding brengt weliswaar mee dat niet spoedig een tussenvonnis met eindbeslissingen wordt gewezen, maar gebeurt zulks wel, dan verzet – anders dan het Hof in het verleden wel heeft geoordeeld – in beginsel evenmin de aard van het kort geding zich er tegen dat dan op korte termijn vergunning tot tussentijds appel kan worden verleend. In het onderhavige geval bestaat in concreto tegen de indiening van een verzoek om vergunning – binnen twee weken na de uitspraak van het tussenvonnis (artikel 263a lid 1, tweede volzin, Rv) – geen voldoende zwaarwegend bezwaar.
2.2. Onjuist is de stelling van Stichting Humanitaire Zorg dat het verzoek niet op de juiste wijze is ingediend.
2.3. Isla heeft (primair) op de voet van artikel 270 Rv Pro hoger beroep ingesteld tegen een tot Curaçao Utilities Company N.V. gericht eindvonnisgedeelte van het vonnis van het GEA van 2 maart 2007 en – in het voetspoor daarvan – ook tegen tot Isla zelf gerichte tussenvonnisgedeelten. Indien Isla in dit appel zonder vergunning ontvankelijk is, behoeft zij geen vergunning. Het is niet nodig dat het Hof in dit stadium – na een te houden behoorlijk partijdebat – de vraag beantwoordt of Isla zonder vergunning ontvankelijk is in haar hoger beroep, aangezien het Hof, veronderstellenderwijs ervan uitgaande dat Isla zonder verlof niet-ontvankelijk is, voorshands van oordeel is dat een snelle en doelmatige procesgang gediend is met inwilliging van het verzoek. Aan Isla zal daarom voorzover nodig vergunning worden verleend tussentijds te appelleren.
2.4. De grieven zijn kennelijk – blijkens de pleitnotities van Isla – reeds ingediend (op 5 april 2007). Aangezien het thans zeker is dat een inhoudelijke behandeling van alle grieven zal volgen, is het redelijk dat de termijn van zes weken voor indiening van de memorie van antwoord heden ingaat.
3. Beslissing
Het Hof:
- verleent Isla voorzover nodig vergunning om tussentijds hoger beroep in te stellen tegen het vonnis van het GEA van 2 maart 2006;
- bepaalt dat de termijn voor indiening van de memorie van antwoord heden ingaat.
Deze beschikking is gegeven door mrs. B.M. Mezas, J. de Boer en G.E.M. Polkamp, leden van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van de Nederlandse Antillen en Aruba en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 8 mei 2007 in Curaçao in tegenwoordigheid van de griffier.