ECLI:NL:OGHNAA:2008:BG1088

Gemeenschappelijk Hof van Justitie van de Nederlandse Antillen en Aruba

Datum uitspraak
9 juni 2008
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
216 HLAR 44/07
Instantie
Gemeenschappelijk Hof van Justitie van de Nederlandse Antillen en Aruba
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 53a LarArt. 54 LarArt. 57 LarArt. 32 Lar
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep tegen vernietiging visumweigering en voorlopige voorziening

De minister van Justitie wees op 22 maart 2007 een visumaanvraag van de vreemdeling af. De vreemdeling en zijn echtgenote maakten bezwaar en verzochten het Gerecht in eerste aanleg van Aruba om een voorlopige voorziening. Op 13 juli 2007 vernietigde het Gerecht de visumweigering, beval de minister het visum te verlenen en veroordeelde hem tot vergoeding van de proceskosten.

De minister stelde hiertegen hoger beroep in bij het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van de Nederlandse Antillen en Aruba. Het Hof oordeelde dat ingevolge artikel 53a van de Landsverordening administratieve rechtspraak (Lar) geen hoger beroep openstaat tegen uitspraken die niet gaan over een beroep tegen een beschikking op een bezwaarschrift. Echter, het Gerecht was buiten zijn bevoegdheid getreden door de beschikking te vernietigen en een visumverlening op te dragen.

Het Hof nam daarom kennis van het hoger beroep en vernietigde de uitspraak van het Gerecht. Het Hof gelastte het Gerecht om met spoed alsnog te beslissen op het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening, waarbij een eventuele toewijzing tijdelijk van aard moet zijn. Tevens werd het griffierecht aan de minister teruggegeven.

De uitspraak benadrukt de grenzen van de bevoegdheid van het Gerecht in eerste aanleg bij voorlopige voorzieningen en de toepasselijkheid van de Lar op hoger beroep procedures in vreemdelingenzaken.

Uitkomst: Het Hof vernietigt de uitspraak van het Gerecht en gelast het Gerecht met spoed te beslissen over de voorlopige voorziening.

Uitspraak

216 HLAR 44/07
Datum uitspraak: 9 juni 2008
GEMEENSCHAPPELIJK HOF VAN JUSTITIE
VAN DE NEDERLANDSE ANTILLEN EN ARUBA
Uitspraak op het hoger beroep van:
de minister van Justitie,
appellant,
tegen de uitspraak van het Gerecht in eerste aanleg van Aruba van 13 juli 2007 in het geding tussen:
1. [de echtgenote],
2. [de vreemdeling],
en
appellant.
1. Procesverloop
Bij beschikking van 22 maart 2007 heeft de minister van Justitie (hierna: de minister) een aanvraag van [de vreemdeling] (hierna: [de vreemdeling]) om hem een visum te verlenen afgewezen.
Hiertegen hebben [de vreemdeling] en [de echtgenote] (hierna: de echtgenote) bij brief, door de minister ontvangen op 4 mei 2007, bezwaar gemaakt. Voorts hebben zij het Gerecht in eerste aanleg van Aruba (hierna: het Gerecht) verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
Bij uitspraak van 13 juli 2007 heeft het Gerecht, voor zover thans van belang, voormelde beschikking vernietigd, de minister opgedragen aan [de vreemdeling] een visum te verlenen en hem veroordeeld tot vergoeding van de bij [de vreemdeling] en [de echtgenote] opgekomen kosten van rechtsbijstand.
Tegen deze uitspraak heeft de minister bij brief, bij het Gerecht ingekomen op 20 augustus 2007, hoger beroep ingesteld bij het Hof.
Het Hof heeft de zaak ter zitting behandeld op 16 april 2008, waar [de vreemdeling] en [de echtgenote], vertegenwoordigd door mr. D.L Emerencia, advocaat, en de minister, vertegenwoordigd door mr. V.M. Emerencia, zijn verschenen.
2. Overwegingen
2.1. Tegen de uitspraak van 13 juli 2007 staat ingevolge artikel 53a van de Landsverordening administratieve rechtspraak (hierna: de Lar) geen hoger beroep open, nu die uitspraak geen betrekking heeft op een beroep tegen een beschikking op een bezwaarschrift.
2.2. Het hoger beroep van de minister strekt onder meer ten betoge dat het Gerecht buiten zijn bevoegdheid is getreden, door de beschikking van 22 maart 2007 te vernietigen, hem op te dragen [de vreemdeling] een visum te verlenen en hem tot vergoeding van kosten van rechtsbijstand te veroordelen.
2.3. Voor kennisneming van een hoger beroep in weerwil van voormelde bepaling kan grond bestaan, indien – voor zover thans van belang – het Gerecht buiten het bereik van een bevoegdheid, waarvan de aanwending van hoger beroep is uitgezonderd, is getreden.
2.4. Bij het Gerecht lag een verzoek van [de vreemdeling] en [de echtgenote] tot het treffen van een voorlopige voorziening, als bedoeld in artikel 54, eerste lid, van de Lar, voor. Ingevolge artikel 57 van Pro de Lar, gelezen in verbinding met artikel 32, aanhef en onder c, kan bij de uitspraak op zodanig verzoek slechts tevens einduitspraak in het geschil worden gedaan, indien dat geschil in beroep bij de rechter voorligt. Nu die situatie zich niet voordeed, kon het Gerecht geen toepassing geven aan artikel 57 van Pro de Lar, als het heeft gedaan. Het Gerecht is zijn bevoegdheid derhalve te buiten gegaan.
2.5. Onder deze omstandigheden bestaat aanleiding om in zoverre van het hoger beroep kennis te nemen. Uit het vorenoverwogene vloeit tevens voort dat het hoger beroep in zoverre gegrond is en de aangevallen uitspraak moet worden vernietigd.
Het Gerecht zal alsnog met onverwijlde spoed op het verzoek van [de vreemdeling] en [de echtgenote] tot het treffen van een voorlopige voorziening dienen te beslissen, waarbij geldt dat ingeval van toewijzing van dat verzoek het Gerecht een voorziening dient te treffen die tijdelijk van karakter is.
2.6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
3. Beslissing
Het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van de Nederlandse Antillen en Aruba
Recht doende in naam der Koningin:
I. verklaart het hoger beroep gegrond;
II. vernietigt de uitspraak van het Gerecht in eerste aanleg van Aruba van 13 juli 2007 in zaak no. Lar 1227 van 2007.
III. gelast dat het land Aruba aan de minister van Justitie het door hem voor de behandeling van het hoger beroep betaalde griffierecht ten bedrage van Afl. 75,00 (zegge: vijfenzeventig gulden) teruggeeft.
Aldus vastgesteld door H.L. Wattel, Voorzitter, en mr. R.W.L. Loeb en mr. A.W.M. Bijloos, Leden, in tegenwoordigheid van mr. N.M. Martinez, griffier.
Voorzitter
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 9 juni 2008
Verzonden: