ECLI:NL:OGHNAA:2009:3

Gemeenschappelijk Hof van Justitie van de Nederlandse Antillen en Aruba

Datum uitspraak
18 juni 2009
Publicatiedatum
6 oktober 2017
Zaaknummer
HLAR 075/08
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 19, tweede lid, LarArt. 20, eerste lid, LarArt. 23, eerste lid, LarArt. 27, tweede lid, Lar
Verwijzingen
2 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing hoger beroep wegens niet-verschoonbare termijnoverschrijding bij vergunning tijdelijk verblijf

De werkgeefster verzocht om een tijdelijke verblijfsvergunning voor de vreemdeling, welke door de minister van Vreemdelingenzaken op 27 oktober 2006 werd afgewezen. Hiertegen maakte de werkgeefster bezwaar op 24 november 2006. De minister gaf echter geen beschikking op het bezwaar binnen de wettelijke termijn.

Het Gerecht in eerste aanleg verklaarde het beroep van de werkgeefster en de vreemdeling tegen het uitblijven van een beschikking niet-ontvankelijk wegens het niet tijdig maken van bezwaar door de vreemdeling en het te late indienen van beroep door de werkgeefster. De werkgeefster stelde dat de beroepstermijn pas op 21 april 2008 was aangevangen, omdat de bezwaaradviescommissie het advies pas op 10 maart 2008 had uitgebracht.

Het Hof oordeelde dat geen mededeling als bedoeld in artikel 19, tweede lid, van de Landsverordening administratieve rechtspraak was gedaan, waardoor de minister uiterlijk op 19 februari 2007 op het bezwaar had moeten beschikken. Het beroep had uiterlijk op 15 april 2007 moeten worden ingesteld, hetgeen niet was gebeurd. De stelling dat het late advies van de bezwaaradviescommissie de termijn verlengt, faalde. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van het Gerecht bevestigd.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard wegens niet-tijdig ingesteld beroep, en de uitspraak van het Gerecht wordt bevestigd.

Uitspraak

HLAR 075/08
Datum uitspraak: 18 juni 2009
GEMEENSCHAPPELIJK HOF VAN JUSTITIE
VAN DE NEDERLANDSE ANTILLEN EN ARUBA
Uitspraak op het hoger beroep van:
1. [de werkgeefster], wonend in Aruba,
2. [de vreemdeling], wonend in Aruba,
appellanten,
tegen de uitspraak van het Gerecht in eerste aanleg van Aruba van 3 september 2008 in zaak nr. 1687 van 2008 in het geding tussen:
appellanten
en
de minister van Vreemdelingenzaken.

1.Procesverloop

Bij beschikking van 27 oktober 2006 heeft de minister van Vreemdelingenzaken (hierna: de minister) een verzoek van appellant sub 1 (hierna: de werkgeefster) om appellant sub 2 (hierna: de vreemdeling) een vergunning tot tijdelijk verblijf te verlenen afgewezen.
Tegen deze beschikking heeft de werkgeefster bij brief van 24 november 2006 bezwaar gemaakt.
Bij uitspraak van 3 september 2008 heeft het Gerecht in eerste aanleg van Aruba (hierna: het Gerecht) het beroep van de werkgeefster en de vreemdeling tegen het uitblijven van een beschikking op het aldus gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.
Tegen deze uitspraak hebben de werkgeefster en de vreemdeling bij brief, ingekomen bij het Gerecht op 14 oktober 2008, hoger beroep ingesteld bij het Hof.
De minister heeft een verweerschrift ingediend.
Het Hof heeft de zaak ter zitting behandeld op 22 april 2009, waar de werkgeefster en de vreemdeling, bijgestaan door mr. E. Duijneveld, advocaat, en de minister, vertegenwoordigd door mr. M.D. van Wilgen, werkzaam bij het Departamento di Integracion, Maneho y Admision di Stranhero, zijn verschenen.

2.Overwegingen

2.1.
Uit artikel 23, eerste lid, van de Landsverordening administratieve rechtspraak (hierna: de Lar) vloeit voort dat geen beroep bij het Gerecht kan worden ingesteld door een belanghebbende, aan wie redelijkerwijs kan worden verweten dat hij geen bezwaar heeft gemaakt.
Aangezien de vreemdeling tegen de beschikking van 27 oktober 2006 geen bezwaar heeft gemaakt en niet is gebleken dat haar dat redelijkerwijs niet kan worden verweten, heeft het Gerecht het door haar ingestelde beroep met juistheid, zij het niet op deze grond, niet-ontvankelijk verklaard.
2.2.
De werkgeefster betoogt dat het Gerecht heeft miskend dat de termijn voor het instellen van beroep tegen het uitblijven van een beschikking op het bezwaarschrift eerst op 21 april 2008 is aangevangen, omdat de beschikking op het bezwaarschrift niet binnen zes weken na het op 10 maart 2008 gedagtekende advies van de bezwaaradviescommissie is gegeven. Het beroepschrift is op 23 mei 2008 en derhalve binnen de in artikel 27, tweede lid, van de Lar gestelde termijn van acht weken ingediend, aldus de werkgeefster.
2.2.1.
Dat betoog faalt. Niet gebleken is dat een mededeling, als bedoeld in artikel 19, tweede lid, van de Lar, is gedaan. De minister diende derhalve binnen twaalf weken na ontvangst van het bezwaarschrift op 27 november 2006, dat wil zeggen uiterlijk op 19 februari 2007, op het daarbij gemaakte bezwaar te beschikken.
Ingevolge artikel 27, tweede lid, van de Lar kon uiterlijk op 15 april 2007 tijdig beroep tegen het uitblijven van zodanige beschikking worden ingesteld. De werkgeefster heeft dat niet gedaan. Dat de bezwaaradviescommissie, naar gesteld, niet binnen de daarvoor gestelde termijn advies heeft uitgebracht, maakt dat, gelet op artikel 20, eerste lid, van de Lar, niet anders.
2.1.
Het hoger beroep is ongegrond. De uitspraak van het Gerecht dient, zij het met verbetering van de gronden waarop deze rust, te worden bevestigd.

3.Beslissing

Het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van de Nederlandse Antillen en Aruba
Recht doende in naam der Koningin:
bevestigtde aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. H.L. Wattel, voorzitter, en mr. R.W.L. Loeb en mr. A.W.M. Bijloos, leden, in tegenwoordigheid van mr. N.M. Martinez, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 18 juni 2009