ECLI:NL:OGHNAA:2009:BH6463

Gemeenschappelijk Hof van Justitie van de Nederlandse Antillen en Aruba

Datum uitspraak
5 maart 2009
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
H-27/09
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 lid 1 onder A Opiumlandsverordening 1960Art. 3 lid 1 onder C Opiumlandsverordening 1960Art. 11 Opiumlandsverordening 1960Art. 49 Wetboek van Strafrecht van de Nederlandse AntillenArt. 31 Wetboek van Strafrecht van de Nederlandse Antillen
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling voor invoer en bezit van circa 17 kilo cocaïne als transporteur

De verdachte werd beschuldigd van het medeplegen van het opzettelijk invoeren en in bezit hebben van ongeveer 17 kilogram cocaïne op het eiland Curaçao in juni 2008. Hij speelde een belangrijke rol als transporteur, waarbij hij de cocaïne eerst in Venezuela bewaarde en vervolgens per boot naar Curaçao vervoerde. Na aankomst werd hij aangehouden met de cocaïne in zijn bezit.

In eerste aanleg werd de verdachte veroordeeld tot 36 maanden gevangenisstraf. Het Hof vernietigde dit vonnis en kwam tot een andere strafoplegging. Het Hof achtte de bewezenverklaring wettig en overtuigend en benadrukte de ernstige gevolgen van de handel in harddrugs voor de volksgezondheid en de samenleving op Curaçao.

Hoewel de verdachte een first offender is, vond het Hof de eerdere straf onvoldoende gezien zijn belangrijke rol als transporteur. Daarom werd een gevangenisstraf van 48 maanden opgelegd, met aftrek van het voorarrest. Verder werd de inbeslaggenomen portemonnee met identiteitsbewijs en een biljet teruggegeven omdat deze niet vatbaar waren voor verbeurdverklaring.

Uitkomst: Verdachte is veroordeeld tot 48 maanden gevangenisstraf voor medeplegen van invoer en bezit van circa 17 kilo cocaïne.

Uitspraak

Zaaknummer: H-27/09
Parketnummer: 500.00665/08
Uitspraak: 5 maart 2009
Tegenspraak
GEMEENSCHAPPELIJK HOF VAN JUSTITIE
VAN DE NEDERLANDSE ANTILLEN EN ARUBA
S T R A F V O N N I S
gewezen in het hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van het Gerecht in eerste aanleg van de Nederlandse Antillen, zittingsplaats Curaçao, van 22 oktober 2008
in de strafzaak tegen:
[verdachte],
geboren op [datum] 1960 in Venezuela,
wonende in Venezuela,
thans alhier gedetineerd.
<u>Het onderzoek ter terechtzitting</u>
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg van 1 oktober 2008, zoals daarvan blijkt uit het proces-verbaal van die terechtzitting, alsmede van dat in hoger beroep van 12 februari 2009 op Curaçao.
Het Hof heeft kennis genomen van de vordering van de (waarnemend) procureur-generaal, mr. R.A. Koert, en van hetgeen door de verdachte en diens raadsman mr. J.J. Oedjaghir naar voren is gebracht.
De procureur-generaal heeft gevorderd dat het Hof het vonnis waarvan beroep zal bevestigen behoudens de opgelegde straf en te dien aanzien opnieuw rechtdoende verdachte terzake van de feiten 1 en 2 zal veroordelen tot gevangenisstraf voor de duur van 60 maanden, met aftrek van voorarrest. Tevens heeft de procureur-generaal verbeurdverklaring van de inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven voorwerpen gevorderd.
In eerste aanleg is de verdachte terzake van de feiten 1 en 2 veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 36 maanden, met aftrek van voorarrest.
<u>De tenlastelegging</u>
Aan de verdachte is ten laste gelegd:
1.
dat hij op of omstreeks 22 juni 2008, in elk geval op een tijdstip in of omstreeks de maand juni 2008 op het eiland Curaçao, tezamen en in vereniging met een ander of anderen opzettelijk heeft ingevoerd (daaronder mede begrepen “invoer” in de zin van artikel 1 lid 2 van Pro de Opiumlandsverordening 1960), althans vervoerd, ongeveer 17 kilogram, althans een hoeveelheid cocaïne, althans enige bereiding van cocaïne, zijnde een middel als bedoeld in artikel 1 van Pro de Opiumlandsverordening 1960 en/of in de Beschikking van de Minister van Volksgezondheid van 6 januari 2005 (P.B. 2005 no. 13);
2.
dat hij op of omstreeks 23 juni 2008, in elk geval op een tijdstip in of omstreeks de maand juni 2008 op het eiland Curaçao, tezamen en in vereniging met een ander of anderen opzettelijk in zijn bezit en/of aanwezig heeft gehad, ongeveer 17 kilogram, althans een hoeveelheid cocaïne, althans enige bereiding van cocaïne, zijnde een middel als bedoeld in artikel 1 van Pro de Opiumlandsverordening 1960 en/of in de Beschikking van de Minister van Volksgezondheid van 6 januari 2005 (P.B. 2005 no. 13);
<u>Het vonnis waarvan beroep</u>
Het Hof zal het vonnis waarvan beroep vernietigen nu het tot andere beslissingen komt.
<u>Bewezenverklaring</u>
Wettig en overtuigend wordt bewezen geacht hetgeen onder 1 en 2 aan de verdachte is ten laste gelegd, met dien verstande:
1.
dat hij o 22 juni 2008 op het eiland Curaçao, tezamen en in vereniging met anderen opzettelijk heeft ingevoerd ongeveer 17 kilogram cocaïne;
2.
dat hij op of omstreeks 23 juni 2008 op het eiland Curaçao, tezamen en in vereniging met anderen opzettelijk in zijn bezit en aanwezig heeft gehad, ongeveer 17 kilogram cocaïne
Het Hof acht niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd zodat hij daarvan moet worden vrijgesproken.
<u>De bewijsmiddelen</u>
Het Hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring. De bewijsmiddelen zullen in geval van cassatie in een aan dit vonnis gehechte bijlage worden opgenomen.
<u>Kwalificatie en strafbaarheid van de feiten</u>
Het bewezene levert op:
1
medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met artikel 3 lid 1 onder Pro A van de Opiumlandsverordening 1960,
strafbaar gesteld bij artikel 11 van Pro deze Landsverordening jo. 49 van het Wetboek van Strafrecht van de Nederlandse Antillen;
2
medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met artikel 3 lid 1 onder Pro C van de Opiumlandsverordening 1960,
strafbaar gesteld bij artikel 11 van Pro deze Landsverordening jo. 49 van het Wetboek van Strafrecht van de Nederlandse Antillen.
De feiten zijn strafbaar nu geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die deze strafbaarheid opheffen of uitsluiten.
<u>Strafbaarheid van de verdachte</u>
Verdachte is strafbaar nu geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid opheffen of uitsluiten.
<u>De op te leggen straf</u>
Bij de bepaling van de straf heeft het Hof gelet op de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, op de omstandigheden waaronder verdachte zich daaraan schuldig heeft gemaakt en op de persoon van verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep is gebleken.
Verdachte heeft zich bezig gehouden met de invoer van cocaïne, waarbij hij een belangrijke rol als transporteur had. Hij heeft de cocaïne enige tijd in Venezuela bewaard. Vervolgens heeft hij de cocaïne per boot vervoerd naar Curaçao. Ter voorbereiding van de invoer van de cocaïne heeft hij contacten onderhouden op Curaçao. Na aankomst heeft hij de cocaïne samen met anderen naar de woning gebracht waarin hij kort daarna is aangehouden en de cocaïne is aangetroffen. In totaal is een handelshoeveelheid van ongeveer 17 kilogram cocaïne ingevoerd.
Door zijn handelen heeft de verdachte ernstige feiten gepleegd. Het gebruik van cocaïne, dat een harddrug is en een zeer verslavende werking heeft, heeft schadelijke gevolgen voor de volksgezondheid. Het effect van het gebruik van harddrugs op het leven van de gebruikers zelf en hun naasten kan desastreus zijn. De internationale handel in cocaïne faciliteert het gebruik van cocaïne. Gebruik van en handel in cocaïne gaan gepaard met andere vormen van criminaliteit zoals levensdelicten en witwassen van geld. Dit alles werkt ontwrichtend voor een kleinschalige samenleving als de Curaçaose.
In het voordeel van de verdachte houdt het Hof er rekening mee dat hij niet eerder is veroordeeld.
Naar het oordeel van het Hof doet de door de eerste rechter opgelegde straf onvoldoende recht aan de hiervoor omschreven belangrijke rol van verdachte als transporteur bij de invoer van de cocaïne.
Gelet op het voorgaande acht het Hof de oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur passend en geboden. Met een andere of lichtere straf zou de ernst van de gepleegde feiten worden miskend.
<u>Inbeslaggenomen voorwerpen</u>
De inbeslaggenomen portemonnee inhoudende een identiteitsbewijs en een biljet van vijf bolivar dient aan verdachte te worden teruggegeven, nu die niet vatbaar is voor verbeurdverklaring dan wel onttrekking aan het verkeer.
<u>De toepasselijke wettelijke voorschriften</u>
De op te leggen straf is, behalve op de reeds aangehaalde wettelijke voorschriften, gegrond op de artikelen 31 en 57 van het Wetboek van Strafrecht van de Nederlandse Antillen.
RECHTDOENDE IN NAAM DER KONINGIN
Het Hof:
vernietigt het vonnis van het Gerecht in eerste aanleg van de Nederlandse Antillen, zittingsplaats op Curaçao van 22 oktober 2008 en doet opnieuw recht:
verklaart bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 tenlastegelegde, zoals hiervoor bewezen geacht, heeft begaan;
verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij;
kwalificeert het bewezenverklaarde als vorenomschreven;
verklaart het bewezenverklaarde strafbaar en de verdachte daarvoor strafbaar;
veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 48 (achtenveertig) MAANDEN;
bepaalt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht;
gelast de teruggave van de inbeslaggenomen portemonnee inhoudende een identiteitsbewijs en een biljet van vijf bolivar aan de verdachte.
Dit vonnis is gewezen door mrs. J.P. de Haan, L.J. de Kerpel-van de Poel en F.J.P. Lock, leden van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van de Nederlandse Antillen en Aruba, en ter openbare terechtzitting van het Hof op Curaçao uitgesproken op 5 maart 2009 in tegenwoordigheid van de griffier.