ECLI:NL:OGHNAA:2009:BH9584
Gemeenschappelijk Hof van Justitie van de Nederlandse Antillen en Aruba
- Hoger beroep
- E.P. van Unen
- G.C.C. Lewin
- H.L. Wattel
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek tot tenuitvoerlegging van buitenlands arbitraal vonnis wegens gebrek aan arbitrageovereenkomst
In deze zaak stond de vraag centraal of het arbitraal vonnis van 14 juni 2006, gewezen door het scheidsgerecht van Moskou, ten uitvoer gelegd kon worden op Curaçao. Imanagement verzocht om rechterlijk verlof tot tenuitvoerlegging (exequatur) van dit vonnis. Het Gemeenschappelijk Hof van Justitie moest toetsen of dit verzoek voldeed aan de vereisten van het Verdrag van New York uit 1958 betreffende de erkenning en tenuitvoerlegging van buitenlandse scheidsrechterlijke uitspraken.
Het Russische handels-hooggerechtshof had het arbitraal vonnis vernietigd omdat partijen niet geacht konden worden een arbitrageovereenkomst te hebben gesloten met het scheidsgerecht van Moskou. Dit betekende dat het vonnis niet bindend was en niet ten uitvoer kon worden gelegd. Het Hof bevestigde daarom de eerdere beslissingen van het Gerecht in eerste aanleg die het verzoek tot exequatur hadden afgewezen.
De procedure kende meerdere stappen, waaronder een hoger beroep van Imanagement tegen eerdere beschikkingen. Het Hof wees de grieven van Imanagement af en veroordeelde haar in de proceskosten van Çukurova. De eventuele opheffing van beslag dat Imanagement had gelegd op bezittingen van Çukurova werd niet in deze procedure beoordeeld.
Het Hof benadrukte dat de toetsing aan het Verdrag van New York leidde tot de afwijzing van het verzoek om tenuitvoerlegging, omdat het arbitraal vonnis niet bindend was verklaard door de bevoegde Russische rechterlijke instanties.
Uitkomst: Het verzoek tot tenuitvoerlegging van het arbitraal vonnis wordt afgewezen wegens het ontbreken van een geldige arbitrageovereenkomst.